Numeri 11:4-15
Deze verzen doen ons zien in welk een treurige wanorde de zaken zich bevonden in Israël, beide het volk en de vorst waren ontrust en ontstemd.
I. Het volk murmureert en spreekt tegen God zelf (zoals dit verklaard wordt in Psalm 78:19), niettegenstaande Zijn heerlijke verschijningen aan hen en voor hen.
Merk op:
1. Wie de misdadigers waren.
a. Het gewone volk begon, zij werden met lust bevangen, vers 4. Het gemengde volk, het grauw dat met hen uit Egypte kwam, alleen verwachtende het land van de belofte, maar geen staat van beproeving op de weg er heen. Het waren schuimlopers, die zich aan de Joden vasthechtten als klitten, en alleen met hen mee wilden gaan, omdat zij in hun eigen land niet wisten aan de kost te komen, en dus daarbuiten fortuin wilden zoeken, dat waren de schurftige schapen, die de kudde hebben aangestoken, de zuurdesem, die het gehele deeg zuur maakte. Een handvol muitzieke, ontevreden, kwaadaardige lieden kunnen in de best ingerichte maatschappij groot onheil stichten, als er niet de grootste zorg wordt gedragen om hen tegen te gaan. De zodanigen zijn "een verkeerd geslacht," en wij zullen wijs doen met "ons" "er van te behouden," Handelingen 2:40.
b. Zelfs de kinderen Israëls werden er door aangestoken, zoals ons gezegd wordt in vers 4. Het heilig zaad verenigde zich met het volk van deze gruwelen. Het vermengde volk, waarvan hier gesproken wordt, was niet met de kinderen Israëls geteld, maar terzijde gesteld, als een volk, dat door God gering werd geacht, en toch hebben de kinderen Israëls, hun eigen karakter en hun onderscheiding vergetende, als het ware gemene zaak met hen gemaakt, hun wegen geleerd, alsof het schuim van het leger tot de raadslieden er van gemaakt weren. De kinderen Israëls, een volk nabij God en hogelijk door Hem bevoorrecht, nu tot opstand tegen Hem gebracht! O hoe weinig eer heeft God in de wereld, als zelfs het volk, dat Hij zich geformeerd heeft om Zijn lof te verkondigen, Hem zozeer tot oneer was! Laat dus niemand denken dat zijn uitwendige belijdenis en voorrechten hem zullen beveiligen, hetzij tegen Satans verzoeking tot zonde, of tegen Gods oordelen wegens de zonde. Zie 1 Corinthiërs 10:1, 2,12,.
2. Wat de misdaad was: zij werden met lust bevangen en murmureerden. Hoewel zij kort tevoren voor deze zonde gestraft waren, en velen van hen er om verdaan werden zoals God Sodom en Gomorra verdaan heeft en de reuk van het vuur nog in hun neusgaten was, zijn zij er toch toe teruggekeerd, zie Spreuken 27:22. Zij gaven groot op van de overvloed en de lekkernijen, die zij in Egypte hebben gehad, vers 5, alsof God hun groot onrecht had gedaan door hen vandaar uit te voeren. Toen zij in Egypte waren, kermden zij vanwege hun lasten, want het leven werd hun verbitterd door harde dienstbaarheid, en nu spreken zij van Egypte alsof zij er als vorsten hadden geleefd, daar het tot voorwendsel moet dienen voor hun tegenwoordige ontevredenheid. Maar hoe kunnen zij zeggen, dat zij in Egypte vis aten om niet, alsof het hun niets kostte, terwijl zij er toch met hun zware, harde arbeid zo duur voor betaalden? Zij gedenken aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look en aan de ajuinen, en aan het knoflook (kostelijke, heerlijke zaken, voorwaar, om er zo verzot op te zijn!) maar zij gedenken niet aan de tichelovens, en de aandrijvers, aan de stem van de verdrukker, en de striemen van de zweep. Neen, deze zijn door dit ondankbare volk vergeten. Zij waren de goede spijs, die God voor hen voorzien had, moede, vers 6. Het was brood van de hemel, het brood van de engelen. Om te tonen hoe onredelijk hun klacht was, wordt het hier beschreven, vers 7-9. Het was goed tot spijze, aangenaam voor het oog) iedere korrel geleek een oosterse parel, het was een gezonde, voedzame spijze, het moest niet droog brood genoemd worden want zijn smaak was als van de beste vochtigheid van de olie. Het was (zeggen de Joden, Boek van de Wijsheid 16:20) naar ieders smaak, zoals ieder het gaarne had en hoewel de substantie altijd dezelfde was kon het hun toch door de verschillende manieren van het te koken of te bakken, een aangename afwisseling bieden. Het kostte hun geld noch moeite, want het viel in de nacht, terwijl zij sliepen, en de moeite van opzamelen was al heel gering. Zij leefden kosteloos, en toch praatten zij nog van de goedkoopte in Egypte, en van de vis, die zij daar om niet aten. Ja hetgeen nog oneindig heerlijker en kostelijker was dan dit alles: het manna kwam onmiddellijk van de macht en goedheid van God, niet van Zijn gewone voorzienigheid, maar van Zijn bijzondere gunst. Het was, evenals Gods ontferming, elke morgen nieuw, altijd vers, niet als het voedsel, waarvan men aan boord van een schip leeft. Zolang zij van het manna leefden, schenen zij ontheven van de vloek, die de zonde over de mens heeft gebracht, namelijk dat hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten. En toch spreken zij van het manna met zulk een verachting, alsof het nog niet eens goed genoeg was voor zwijnenvoedsel. Nu is onze ziel dor. Zij spreken alsof God hen hard behandelde door hun geen beter voedsel te geven. In het eerst hebben zij het bewonderd. Wat is dit Exodus 16:15. "Welk een wonderlijk, heerlijk ding is dit!" Maar nu verachten zij het. Een gemelijk, ontevreden hart zal iets aan te merken vinden op hetgeen waar niets op aan te merken is, behalve dat het goed is. Het is zeer tergend voor God om Zijn gunsten te onderschatten, en bij al onze gewone zegeningen een "maar" te hebben. Het is maar manna. Zij, die zeer gelukkig zouden kunnen wezen, maken zich dikwijls ongelukkig door hun ontevredenheid.
Zij konden niet tevreden zijn, of zij moesten vlees hebben te eten. Zij hebben grote kudden van runderen en schapen met zich gebracht uit Egypte, maar zij waren of gierig, en konden het niet van zich verkrijgen om ze te slachten, uit vrees dat hun veestapel dan zou afnemen (zij moeten even goedkoop vlees hebben als brood, of zij zijn ontevreden) òf zij waren kieskeurig, rund- en schapevlees kon hun niet behagen, zij moeten iets hebben, dat fijner en smakelijker is, zoals de vis, die zij in Egypte aten. Voedsel was hun niet meer genoeg, zij moeten op lekkernijen onthaald worden, zij hadden maaltijd gehouden met God op het dankoffer waarvan zij hun deel hadden maar het schijnt dat de tafel, die God voor hen hield, niet goed genoeg was, zij moeten keuriger gerechten hebben, dan die op Zijn altaar komen. Het is een blijk van de heerschappij van het vleselijke hart, als wij zo gesteld zijn op al de genietingen van de zinnen in haar uiterste volkomenheid, en daarin al ons vermaak vinden. "Begeer zijn lekkernijen niet" "want het is bedrieglijke spijs," Spreuken 23:1-3. Als God ons het brood onzes bescheiden deels geeft, dan behoren wij dankbaar te wezen, al eten wij ook niet het vette, en drinken wij niet het zoete.
Zij mistrouwden de macht en goedheid Gods als onvoldoende om te voorzien in hun behoefte. Wie zal ons vlees te eten geven? Als vaststaande beschouwende, dat God het niet kon. Zo wordt dit verklaard in Psalm 78:19-20." Zou Hij Zijn volk vlees" "verschaffen?" hoewel Hij hun reeds eenmaal vlees bij hun brood had gegeven, toen Hij dit gepast oordeelde, Exodus 16:13, en zij konden verwachten, dat Hij het weer doen zou, en in goedgunstigheid, indien zij inplaats van te murmureren hadden gebeden. Het is een belediging van God, als wij onze begeerten verder laten gaan dan ons geloof.
Zij waren heftig en onstuimig in hun begeerten, zij gelustten de lust (zoals de Hebreeuwse uitdrukking eigenlijk luidt), dat is: zij lustten gretig en gulzig, totdat zij weenden van spijt. Zó kinderachtig waren deze kinderen Israëls, zo grillig en gemelijk, dat zij weenden, omdat zij niet hadden wat zij wilden hebben en wanneer zij het wilden hebben. Zij hebben deze begeerte niet tot God gebracht zij wilden er liever aan ieder ander voor verplicht zijn dan aan Hem. Wij moeten ons nooit toegeven in een begeerte, die wij door het geloof niet kunnen verkeren in een gebed, hetgeen wij niet kunnen, "als wij spijze begeren naar" "onze lust," Psalm 78:18. Wegens deze zonde was de toorn des Heeren zeer ontstoken tegen hen, hetgeen geschreven is tot onze waarschuwing, "opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben," "gelijkerwijs als zij lust gehad hebben," Corinthiërs 10:6.
Vlees is goed voedsel, en het is wettig en geoorloofd het te eten, maar van hen wordt gezegd, dat zij lust hadden tot het kwaad. Wat op zichzelf geoorloofd is, wordt kwaad voor ons, als het iets is, dat God ons niet toebeschikt heeft, maar dat wij toch met heftigheid begeren.
II. Mozes zelf, hoewel zo zachtmoedig en Godvruchtig een man, was toch bij deze gelegenheid ontrust, ook was het kwaad in de ogen van Mozes.
1. Het moet erkend worden, dat de terging zeer groot was. Deze hun murmureringen deden God oneer aan, en de smaad op Hem geworpen, nam Mozes ter harte. Die murmureringen waren ook voor hem een grote kwelling. Zij wisten dat hij het uiterste deed wat hij kon voor hun welzijn, en dat hij niets deed en niets kon doen, zonder een Goddelijk bevel. En dan toch onophoudelijk geplaagd en als met verwijten overladen te worden door een onredelijk en ondankbaar volk, dat was zelfs voor het zachtmoedig karakter van een Mozes te veel. God heeft dit in aanmerking genomen, en daarom bevinden wij niet, dat Hij hem dieswege bestraft heeft.
2. Toch heeft Mozes zich anders uitgedrukt dan hem betaamde bij deze gelegenheid, en in zijn beklag kwam hij tekort in zijn plicht beide jegens God en Israël.
a. Hij onderschat de eer, die God hem aangedaan heeft door hem tot de doorluchtigen dienaar te maken van Zijn macht en genade in de verlossing en leiding van dat bijzondere volk, welke eer wèl tegen de last er van kon opwegen.
b. Hij klaagt te veel over een gevoelige krenking, en neemt een weinig getier en vermoeienis al te zwaar op. Indien hij de last van de regering- die toch slechts als het "lopen was met de voetgangers" niet kon dragen, hoe zal hij dan de verschrikkingen dragen van de strijd, dat een "vermengen zal zijn met de paarden"? Hij zou redenen genoeg hebben kunnen vinden om op hun geroep geen acht te slaan.
c. Hij geeft groot op van zijn eigen verrichtingen, dat de last van het gehele volk op hem lag, terwijl toch in werkelijkheid God die gehele last van hem afnam. Mozes behoefde niet in zorg te zijn om kwartieren voor hen te vinden, of levensmiddelen, dit alles deed God. En als er een moeilijk geval was, dan behoefde hij in geen verlegenheid er om te zijn, zolang hij de Godsspraak kon raadplegen, de Goddelijke wijsheid hem voorlichtte en bestuurde, het Goddelijk gezag hem steunde, en de almachtige kracht beloning of straf uitdeelde.
d. Hij is zich niet zo bewust als hij moest wezen, van de verplichting die op hem rustte, om krachtens de opdracht en het bevel, die hij van God had ontvangen, het uiterste van wat hij kon te doen voor het volk, als hij te kennen geeft dat, dewijl zij niet zijn kinderen zijn hij ook geen vaderlijke zorg voor hen behoefde te hebben, of schoon God zelf, die hem toch kon gebruiken voor hetgeen Hem behaagde, hem aangesteld had om een vader voor hen te wezen.
e. Hij stelt zijn last te zwaar voor, als hij vraagt: Van waar zou ik het vlees hebben om aan dit volk te geven? vers 13, alsof hij, en niet God, de huishouder was. "Mozes heeft hun het brood uit de" "hemel niet gegeven," Johannes 6:22. En het werd ook niet van hem verwacht, dat hij hun vlees zou geven, anders dan door een werktuig te zijn in Gods hand, en als hij bedoelde: Van waar zou God het voor hem hebben, dan heeft hij de Heilige Israëls te veel beperkt.
f. Hij spreekt mistrouwend van de Goddelijke genade, als hij er aan wanhoopt, al dit volk te kunnen dragen, vers 14. Al zou het werk ook veel lichter zijn geweest, dan zou hij het toch in zijn eigen kracht niet hebben kunnen volbrengen, en al ware het nog veel zwaarder geweest, dan zou hij, door God daartoe bekrachtigd zijnde, het kunnen doen.
g. Het was nog het ergste van alles, om hartstochtelijk naar zijn dood te verlangen, te begeren om maar gedood te worden, omdat hem op dat ogenblik het leven een weinig zwaar was gemaakt, vers 15. Is dit Mozes? Is dit de man, die zachtmoediger was dan alle mensen, die op de aardbodem waren? De besten hebben hun zwakheden en komen soms tekort in de beoefening van die genade, waarin zij anders het meest uitblinken. Maar God heeft de drift van Mozes toen genadiglijk voorbijgezien, en daarom moeten ook wij niet streng zijn in onze berispingen van hem, maar bidden: Heere, leid ons niet in verzoeking.