Deuteronomium 18:15-22
Hier is:
I. De belofte van de grote Profeet, met een bevel om Hem te ontvangen, en naar Hem te horen.
1. Sommigen denken dat het de belofte is van een opeenvolging van profeten, gedurende vele eeuwen in Israël. Behalve de priesters en Levieten, hun gewone leraren, wier ambt het was Jakob Gods wet te onderwijzen, zullen zij profeten hebben, buitengewone leraren, om hen te bestraffen voor hun fouten en gebreken, hen te herinneren aan hun plicht, en hun toekomstige gebeurtenissen te voorzeggen: oordelen ter waarschuwing en uitreddingen ter vertroosting. Deze profeten hebbende:
a. Behoeven zij geen gebruik te maken van waarzeggerij, geen tovenaars te raadplegen, want zij kunnen Gods profeten raadplegen zelfs voor hun bijzondere of persoonlijke aangelegenheden, zoals Saul gedaan heeft toen hij de ezelinnen van zijn vader zocht, 1 Samuël 9:6.
b. Konden zij de weg van hun plicht niet missen door onwetendheid of vergissing, noch in hun mening er over verschillen daar zij profeten in hun midden hadden, die zij in ieder twijfelachtig geval konden raadplegen, of op wie zij zich konden beroepen. Deze profeten waren in sommige opzichten gelijk aan Mozes, hoewel toch ver beneden hem, Deuteronomium 34:10.
2. Of nu in deze belofte, al of niet, ook een opeenvolging van profeten begrepen was, hiervan zij wij zeker, dat voornamelijk en in de eerste plaats een belofte van Christus er mee bedoeld was, en het is de duidelijkste belofte van Hem in geheel de wet van Mozes. Zij wordt nadrukkelijk toegepast op onze Heere Jezus als de beloofde Messias, Handelingen 3:22, 7:37, en het volk had het oog op deze belofte, toen zij van Hem zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen zou, Johannes 6:i4, en het was Zijn Geest, die in al de andere profeten gesproken heeft, 1 Petrus 1:11.
Merk op:
A. Wat het is, dat hier omtrent Christus beloofd wordt, wat God aan Mozes bij de berg Sinai beloofd heeft, dat hij verhaalt in vers 18 heeft hij het volk beloofd, vers 15, in de naam van God, namelijk:
a. Dat er een profeet zou komen, groot boven alle profeten, door wie God zich en Zijn wil bekend zal maken aan de kinderen van de mensen, meer ten volle en duidelijker dan Hij ooit tevoren gedaan heeft. Hij is het Licht van de wereld, gelijk de profetie het was van de Joodse kerk, Johannes 8:12. Hij is het Woord, door hetwelk God tot ons spreekt, Johannes 1:1, Hebreeën 1:1.
b. Dat God Hem zal verwekken uit hun midden. Door Zijn geboorte zal Hij één wezen uit dat volk, Hij zal onder hen wonen en tot hen gezonden worden. Door Zijn opstanding zal Hij verwekt worden te Jeruzalem, en vandaar zal Zijn leer uitgaan tot de gehele wereld, aldus heeft God, Zijn Zoon Christus Jezus verwekt hebbende, Hem gezonden om ons te zegenen. c. Dat Hij zal wezen als Mozes, maar even ver boven hem als de andere profeten beneden hem waren. Mozes was een profeet die ook een wetgever was voor Israël en hun bevrijder uit Egypte en ook Christus was dit. Hij onderwijst niet alleen maar heerst en behoudt. Mozes was de stichter van een nieuwe bedeling door tekenen, en wonderen, en machtige daden, en dat was ook Christus, waardoor Hij zich bewezen heeft te zijn een leraar van God gekomen. Was Mozes getrouw? Dat was ook Christus, Mozes als een dienstknecht, maar Christus als de Zoon.
d. Dat God Zijn woorden in Zijn mond zal geven, vers 18. De boodschappen, die God aan de kinderen van de mensen had te zenden, zal Hij hun zenden door Hem, en Hij zal Hem volle instructies geven voor hetgeen Hij als profeet te zeggen en te doen heeft. Vandaar dat onze Heiland zegt Johannes 7:16, Mijn leer is niet van Mij, maar vangene, die Mij gezonden heeft. Zodat die grote belofte is vervuld, deze profeet is gekomen namelijk Jezus. Hij is het, die komen zou, en wij hebben geen anderen te verwachten.
B. De overeenkomst tussen deze voorgenomen bedeling en de uitgedrukte keus en begeerte van het volk bij de berg Sinai, vers 16, 17, Daar had God tot hen gesproken in donder en bliksem, uit het midden van het vuur en van de dikke duisternis, ieder woord deed hun oren klinken en hun hart sidderen, zodat de gehele vergadering op het punt was om te sterven van vrees. In die angst smeekten zij dringend dat God niet meer op die wijze tot hen zou spreken, (zij konden het niet dragen, het zou hen overstelpen en verbijsteren) maar dat Hij tot hen zou spreken door mensen zoals zij, thans door Mozes, later door andere profeten, zoals hij. "Welnu," zegt God, "zo zij het, er zal tot hen gesproken worden door mensen, wier verschrikking hen niet zal beroeren", en om die gunst nog te kronen boven al hetgeen zij konden bidden of denken, is in de volheid des tijds het Woord zelf vlees geworden, en zij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, als van de Eengeborene van de Vader, niet zoals bij de berg Sinaï, vol van majesteit en verschrikking, maar vol van genade en waarheid, Johannes 1:14. Als verhoring dus van de bede van hen, die getroffen waren van ontzetting door de wet, beloofde God de vleeswording van Zijn Zoon, hoewel wij het ver van de gedachte kunnen veronderstellen van hen, die deze bede gedaan hebben.
C. Een last en gebod, gegeven aan al het volk om deze grote profeet, die hier beloofd is, te horen en te geloven, te horen en te gehoorzamen, near Hem zult gij horen, vers 15, en wie naar Hem niet zal willen horen, zal gewis een zware verantwoording hebben te doen van zijn minachting, vers 19. Van die zal Ik het zoeken. God zelf heeft dit toegepast op onze Heere Jezus in de stem van de hoogwaardige heerlijkheid. "Hoort Hem", Mattheus 17:5. Hoort Hem, dat is: Deze is het van wie door Mozes vanouds gezegd is: Hem zult gij horen, en toen stonden Mozes en Elia er bij en hebben er mee ingestemd. Het oordeel, uitgesproken over degenen, die naar deze profeet niet horen, is herhaald en bekrachtigd in het Nienwe Testament: die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem, Johannes 3:3fi. En hoe zullen wij ontvlieden, zo wij ons van die afkeren, die van de hemelen is? Hebreeën 12:25. De Chaldeeuwse paraphrase leest hier: Mijn Woord zal het van hem eisen, dat geen ander dan een Goddelijk Persoon kan zijn, Christus het eeuwige Woord, aan wie de Vader al het oordeel heeft overgegeven, en door wie Hij ten laatste de wereld zal oordelen. Wie weigert naar Jezus Christus te horen, zal bevinden dat dit op zijn gevaar is, dezelfde, die de Profeet is, zal zijn Rechter wezen, Johannes 12:48.
II. Hier is een waarschuwing tegen valse profeten. 1. Bij wijze van bedreiging tegen hen, die valselijk voorgeven profeten te zijn, vers 20. Al wie optreedt als profeet, en, hetzij een opdracht overlegt van een valse god, zoals de profeten van Baäl gedaan hebben, of een nagemaakte en dus valse opdracht van de ware God, zal geoordeeld worden schuldig te zijn aan hoogverraad tegen de kroon en waardigheid van de Koning van de koningen, en die verrader zal ter dood worden gebracht, vers 20, namelijk door het oordeel van het groot sanhedrin, dat in vervolg van tijd zitting hield te Jeruzalem, weshalve onze Heiland zegt: Het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem, en dus de schuld van het bloed van de profeten aan Jeruzalem wijt, Lukas 13:33, 34, welke stad door God zelf dieswege gestraft werd, en toch werden daar valse profeten ondersteund.
2. Bij wijze van leiding voor het volk, opdat zij door die valse profeten niet bedrogen zouden worden, waarvan er velen waren, zoals blijkt uit Jerem. 23:25, Ezechiël 13:6, 1 Koningen 22:6. Het is een zeer gepaste vraag, die zij verondersteld worden te zullen doen, vers 21. Daar het zo'n grote plicht is om naar de ware profeten te horen, en er toch zoveel gevaar is om misleid te worden door de valse profeten: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de Heere niet gesproken heeft? Aan welke tekenen zullen wij het bedrog ontdekken? Het is van het grootste belang voor ons, om een toetssteen te hebben, waaraan wij het woord, dat wij horen, kunnen toetsen, ten einde te weten te komen wat het woord is, dat de Heere niet heeft gesproken. Alles wat in strijd is met de gezonde rede, met het licht en de wet van de natuur en met de duidelijker zin van het geschreven woord, dat is hiervan kunnen wij zeker zijn niet hetgeen de Heere heeft gesproken, ook niet wat de zonde steunt en aanmoedigt, of duidelijk strekt om Godsvrucht en liefde teniet te doen, verre zij het van God om in tegenspraak te wezen met zichzelf. De regel hier gegeven in antwoord op deze vraag, was voornamelijk hier van toepassing, vers 22. Indien er oorzaak was om de oprechtheid van een profeet te verdenken, zo-laat hen opmerken of hij hun enig teken gaf, of een toekomstige gebeurtenis voorzeide, indien zijn voorzegging niet uitkwam, dan konden zij er zeker van wezen dat hij niet door God was gezonden. Dit heeft niet zozeer betrekking op voorzeggingen van zegeningen of van oordelen, (hoewel er betreffende deze en het verschil tussen de voorzeggingen van zegeningen en oordelen, een regel gegeven is om tussen waarheid en leugen te kunnen onderscheiden, door de profeet Jeremia in Hfdst. 28:8, 9) als wel op het geven van tekenen ter bevestiging van hun zending. Al zou ook het teken komen, dan zou dit nog hun zending niet bewijzen, als zij hen aanspoorden om andere goden te dienen, dat punt was reeds vastgesteld, Deuteronomium 13:1-3. Indien echter het teken niet kwam, dan zou hierdoor hun zending gelogenstraft worden.
Toen Mozes zijn staf ter aarde wierp, (dat is bisschop Patrick's verklaring hiervan) en zei dat hij een slang zal worden, dan zou Mozes een valse profeet geweest zijn, indien die staf geen slang was geworden. "Indien, toen Elia om vuur van de hemel riep om het offer te verteren, geen vuur was gekomen, dan zou hij niet beter geweest zijn dan de profeten van Baäl." Samuëls zending werd hierdoor bewezen, dat God niet een van al zijn woorden op de aarde heeft laten vallen, 1 Samuël 3:19, 20. En door de wonderen, welke Christus heeft gewrocht, inzonderheid door het grote teken dat hij gaf in Zijn opstanding ten derden dage hetwelk kwam zoals Hij het had voorzegd, bleek het, dat Hij een leraar was, een leraar van God gekomen.
Eindelijk. Hun wordt gezegd niet bevreesd te zijn voor een valse profeet, dat is: niet bevreesd te zijn voor de oordelen, die een zodanige zou aankondigen om het volk te verschrikken, noch bevreesd te zijn om de wet op hem toe te passen, indien het, na een streng en onpartijdig onderzoek, bleek dat hij een valse profeet was. In dit gebod om een valse profeet niet te vrezen, ligt opgesloten dat een waar profeet, die zijn zending door duidelijke en onmiskenbare tekenen bewijst wèl gevreesd moest worden, en dat het op hun gevaar was, zo zij geweld jegens hem pleegden of hem smaadheid aandeden.