2 Samuël 2:8-17
I. Hier is een mededinging tussen twee koningen: David, die God tot koning had gemaakt, en Isboseth, die door Abner tot koning was aangesteld. Men zou gedacht hebben dat toen Saul gedood was, en ook al zijn zonen, die verstand en moed genoeg hadden om met hem te velde te trekken, gedood waren, David zonder enige tegenstand te ontmoeten de troon had beklommen, daar toch geheel Israël wist, niet alleen hoe hij zich had onderscheiden, maar hoe blijkbaar God hem voor de troon heeft aangewezen, maar er is zo'n geest van tegenspraak in de raadslagen van de mensen tegen de raadsbesluiten Gods, dat een zwak, dwaas schepsel als Isboseth, die men niet geschikt achtte om met zijn vader ten strijde te trekken, wel geschikt wordt geacht om hem op te volgen in de regering, liever dan David er vreedzaam in het bezit van te laten komen. Hier was Davids koninkrijk een type van het rijk van de Messias, tegen hetwelk "de heidenen woeden, en de koningen van de aarde zich opstellen," Psalm 2:1, 2.
1. Abner was de man, die Isboseth in mededinging met David tot koning heeft gemaakt in zijn ijver misschien voor de opvolging in de rechte lijn, daar zij een koning moeten hebben gelijk de volken, moeten zij hierin aan hen gelijk zijn, dat de kroon van vader op zoon moet overgaan, of liever: in zijn genegenheid voor zijn eigen geslacht en zijn bloedverwanten (want hij was Sauls oom) en omdat hij geen ander middel had om de post van eer die hij bekleedde als krijgsoverste, te kunnen behouden. Zie hoeveel kwaad de hoogmoed en de eerzucht van een enkel man teweeg kan brengen. Isboseth zou nooit zichzelf opgeworpen hebben, indien Abner er hem niet toe aangespoord had, en hem niet tot het werktuig had gemaakt om zijn eigen doeleinden te dienen.
2. Mahanaim was de plaats, waar hij het eerst met zijn aanspraken voor de dag kwam. Aan de andere kant van de Jordaan, waar David, naar men dacht, de minste invloed had en men op een afstand was van zijn krijgsmacht, konden zij tijd hebben om zich te versterken. Aldaar zijn standaard opgericht hebbende, heeft het onnadenkende volk van al de stammen Israëls, dat is: de meerderheid van hen, zich aan hem onderworpen, vers 9, terwijl alleen Juda geheel voor David was. Dit was nog een verdere beproeving van Davids geloof in de belofte van God, en van zijn geduld, of hij Gods tijd voor de vervulling van die belofte kon afwachten.
3. Er bestaat enige moeilijkheid omtrent de duur van deze mededinging. David heeft alleen over Juda omstreeks zeven jaren geregeerd, vers 11, en toch heeft volgens vers 10 Isboseth slechts twee jaren geregeerd over Israël, maar hetzij voor of na die twee jaren, of wel beide voor en na deze, het was in het algemeen voor het huis van Saul, Hoofdstuk 3:6 en niet voor een bijzonder persoon uit dat huis, dat Abner zich verklaard had. Of wel, hij regeerde gedurende deze twee jaren voordat de krijg uitbrak, vers 12, die lang aanhield, namelijk gedurende de overige vijf jaren, Hoofdstuk 3:1.
II. Er had een ontmoeting plaats tussen de twee legers. Het blijkt niet dat de beide partijen hun gehele krijgsmacht te velde brachten want de verslagenen waren gering in aantal vers 30, 31. Het kan ons bevreemden:
1. Dat de mannen van Juda niet krachtiger zijn opgetreden voor David ten einde het gehele volk tot zijn gehoorzaamheid te brengen, maar waarschijnlijk heeft David hun niet willen toestaan om aanvallenderwijs te werk te gaan willende liever wachten totdat de zaak als vanzelf zou geschieden, of liever totdat God het voor hem doen zou, zonder dat er Israëlietisch bloed vergoten werd, want, als type van Christus, was hem dit dierbaar, Psalm 72:14. Zelfs hen, die zijn tegenstanders waren, beschouwde hij als zijn onderdanen, en dienovereenkomstig wilde hij hen behandelen.
2. Dat de mannen van Israël zich in zekere zin onzijdig konden houden, en zolang gedwee konden nederzitten onder Isboseth, inzonderheid als men daarbij in aanmerking neemt welke aard en karakter toen door vele stammen getoond werden, zoals wij bevinden in 1 Kronieken 12:21, "kloeke helden, oversten in het heir," en niet dubbelhartig, en toch schenen de meesten van hen, voorzoveel ons blijkt, er onverschillig voor te zijn, in wiens handen de regering was. De Goddelijke voorzienigheid doet de domheid van de mensen soms dienen om haar eigen doeleinden tot stand te brengen, evenals op andere tijden de werkzaamheid en ijver van dezelfde personen, zij zijn zichzelf niet gelijk, en toch zijn de leidingen van Gods voorzienigheid een en dezelfde.
A. In deze veldslag was Abner de aanvaller. David zat stil om te zien hoe de zaak verlopen zou, maar het huis van Saul, met Abner aan het hoofd, deed de uitdaging en leed de nederlaag. Daarom: "vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben," Spreuken 25, 8. "De lippen en de handen des zots komen in twist."
B. Het toneel van de oorlog was Gibeon. Abner koos die plaats, omdat zij in het lot van Benjamin was, waar Saul de meeste vrienden had. Daar hij nu de slag aanbond, wilde Joab Davids krijgsoverste, hem niet weigeren, maar heeft daar de strijd met hem aangebonden, en ontmoette hem bij de vijver van Gibeon vers 13. Davids zaak, gegrond zijnde op Gods beloften, vreesde de nadelen niet van het terrein. De vijver tussen hen gaf aan beide zijden tijd tot nadenken.
C. Abner stelde voor, en Joab nam het voorstel aan, dat het gevecht zou plaatshebben tussen twaalf man van iedere zijde.
a. Deze proeve van bekwaamheid schijnt in spel begonnen te zijn. Abner stelde voor, vers 14 :Laat nu de jongens zich opmaken en voor ons aangezicht spelen, als gladiatoren of zwaardvechters, Saul had zijn mannen misschien gewend aan dit barbaarse tijdverdrijf, als een waar tiran, en Abner had het van hem geleerd om met wonden en dood te schertsen, en zich met deze tonelen van bloed en afgrijzen te vermaken. Hij bedoelde: "Laat hen vechten voor ons aangezicht", toen hij zei: "Laat hen spelen voor ons aangezicht", aldus "zal elke dwaas de schuld verbloemen." Maar hij is de naam van mens onwaardig, die aldus mensenbloed kan verspillen, "vuursprankels, pijlen en dodelijke dingen werpt, en zegt: jok ik er niet mede?" Spreuken 26:18, 19. Joab, opgeleid zijnde onder David, had wijsheid genoeg om zo'n voorstel niet te doen, maar had geen vastberadenheid genoeg om het te weerstaan en tegen te spreken, als een ander het deed. Want hij stond op een punt van eer, en achtte het een smet op zijn reputatie om een uitdaging te weigeren, en daarom zei hij: Laat hen zich opmaken niet dat hij vermaak vond in dit spel of verwachtte dat tweegevechten beslissend zouden zijn, maar hij wilde door zijn tegenstander niet overbluft worden. Hoeveel kostbare levens zijn niet aldus aan de grillen van hoogmoedige mannen opgeofferd! Van iedere zijde werden alzo twaalf mannen opgeroepen om als kampioenen in het strijdperk te treden, een dubbele jury over het leven en de dood, niet van anderen maar van zichzelf, en de kampioenen aan Abners zijde schijnen het ijverigst geweest te zijn, want zij traden het eerst het strijdperk binnen, vers 15, daar zij wellicht opgeleid weren in de dwaze eerzucht, om aldus aan de luim van hun opperbevelhebber te voldoen. Maar: b. Hoe het ook in spel moge begonnen zijn het eindigde in bloed, vers 16. Zij stieten hun zwaard in elkanders zijde, aangevuurd door eer, niet door vijandschap, en zo vielen zij tezamen dat is: alle vier en twintig werden gedood, zozeer waren zij tegen elkaar opgewassen, en zo vastberaden waren zij, dat geen hunner lijfsgenade wilde vragen of ontvangen, zij hebben het als het ware bij onderlinge afspraak gedaan, zegt Josephus, elkaar met gelijke wonden de dood gevende. Zij, die anderen naar het leven staan, werpen dikwijls het hunne weg, en alleen de dood overwint en zegeviert. De verwonderlijke hardnekkigheid aan beide zijden werd in gedachtenis gehouden door de naam, die aan deze plaats werd gegeven, Helkath-Hazzurim, het volk van de rotsmannen, mannen, die niet slechts sterk van lichaam waren maar van onwankelbare standvastigheid, die onbewogen bleven op de aanblik van de dood. Maar "de stouthartigen zijn berooid geworden, zij hebben hun slaap gesluimerd," Psalm 76:6. Arme eer voor mensen, die tot zo duren prijs gekocht moet worden, zij, die hun leven verliezen voor Christus, zullen het vinden.
D. Het gehele leger bond ten laatste de strijd aan, en Abners krijgsmacht werd verslagen, vers 17. De vorige strijd bleef onbeslist, daar aan beide zijden allen gedood werden, en daarom moet nu een nieuwe proef genomen worden, waarin-zoals dikwijls gebeurt-zij, die de aanvallers waren, de nederlaag leden. David had God aan zijn zijde, en daarom heeft zijn zijde de overwinning behaald.