2 Samuël 3:1-6
1. Hier is Davids worsteling met het huis van Saul, eer hij voor goed op de troon bevestigd was, vers 1..
a. Beide zijden streden. Sauls huis, hoewel zonder hoofd en verminderd, wilde toch niet gedwee vallen. Het was niet vreemd dat er krijg tussen hen was, maar wel kan men zich er over verwonderen, dat die krijg zolang duurde, als toch Davids huis het recht en dus God aan zijn zijde had, maar hoewel de waarheid en het recht ten laatste zullen zegevieren, kan God toch om wijze en heilige doeleinden de strijd verlengen. De langdurigheid van deze krijg was een beproeving van het geloof en het geduld van David, en maakte hem zijn vestiging ten laatste des te meer lieflijk en welkom.
b. Davids zijde won veld. Het huis van Saul werd al zwakker en zwakker, verloor plaatsen, verloor mannen nam af in vermaardheid, werd van minder gewicht en betekenis, en werd teleurgesteld in elke onderneming. Maar het huis van David werd al sterker en sterker, velen verlieten de zaak, die aan het afnemen was, en omhelsden wijselijk Davids belangen, daar zij de overtuiging hadden dat hij ten laatste zou zegevieren. De strijd tussen de genade en het bederf in het hart van de gelovigen, die slechts ten dele geheiligd zijn, kan gevoegelijk vergeleken worden bij de strijd, die hier vermeld is. Er is een lange krijg tussen hen, het vlees begerende tegen de geest, en de geest tegen het vlees, maar als het werk van de heiligmaking voortgaat, dan wordt het bederf, gelijk het huis van Saul, al zwakker en zwakker, terwijl de genade, evenals het huis van David, al sterker en sterker wordt, totdat de mens Gods volmaakt is, en het oordeel uitgebracht wordt tot overwinning.
2. De toeneming van zijn eigen huis. Hier is een bericht van zes zonen, die hij had bij zes vrouwen, in de zeven jaren, die hij te Hebron geregeerd heeft. Misschien wordt dit hier vermeld als hetgeen, waardoor zijn invloed versterkt werd. Ieder kind, welks welzijn samenhing met de algemene veiligheid, was een nieuwe waarborg aan het koninkrijk van zijn zorg er voor. Hij wiens pijlkoker gevuld is met deze pijlen, zal met de vijanden spreken in de poort, Psalm 127:5. Gelijk de dood van Sauls zonen zijn invloed verzwakt heeft, zo heeft de geboorte van Davids zonen zijn invloed versterkt.
a. Het was Davids gebrek, om aldus in tegenspraak met de wet, Deuteronomium 17:17, de vrouwen te vermenigvuldigen, en het was een slecht voorbeeld voor zijn opvolgers.
b. Het blijkt niet, dat hij in deze zeven jaren meer dan een zoon bij iedere vrouw gehad heeft, sommigen hebben een even talrijk kroost gehad, maar met veel meer eer en lieflijkheid, bij een vrouw.
c. Wij lezen niet dat een van deze zonen beroemd is geworden, drie hunner waren eerloos, Amnon Absalom en Adonia, wij hebben dus reden om ons te verheugen met beving over de opbouwing van ons gezin.
d. Zijn zoon bij Abigail wordt Chileab genoemd, vers 3, terwijl hij in 1 Kronieken 3:1. Daniël wordt genoemd. Bisschop Patrick deelt ons de reden mede, die de Hebreeuwse geleerden opgeven voor deze namen: dat zijn eerste naam was Daniël. God heeft mij gericht, namelijk tegen Nabal, maar Davids vijanden smaadden hem, en zeiden: "Het was Nabals, niet Davids, zoon." Om die laster te weerleggen, heeft Gods voorzienigheid het zo beschikt dat het kind, naarmate het opgroeide in zijn trekken een buitengewone gelijkenis toonde met die van David, hem meer geleek dan iemand van zijn andere kinderen, waarop hij hem de naam Chileab gaf, waarvan de betekenis is: gelijk zijn vader, of het beeld zijns vaders.
e. Absaloms moeder wordt gezegd de dochter te zijn van Thalmai, koning van Gesur een heidens vorst. Misschien hoopte Davidi hierdoor zijn invloed te versterken, maar de zoon, die uit dit huwelijk geboren werd, bleek hem tot smart en schande te zijn.
f. De laatste wordt Davids huisvrouw genoemd, weshalve sommigen denken dat het Michal, zijn eerste en wettige vrouw was, die hier bij een andere naam genoemd wordt, en hoewel zij geen kind had nadat zij David had bespot, kon zij er voor die tijd wel gehad hebben.
Aldus werd Davids huis versterkt maar het was Abner, die zich sterkte in het huis van Saul, hetgeen vermeld wordt, vers 6, om te tonen, dat zo hij hun faalde, zij als vanzelf en natuurlijkerwijs moesten vallen.