2 Samuël 11:1-5
I. Hier is Davids roem in zijn voortzetten van de krijg tegen de Ammonieten, vers 1. Wij kunnen nu het genoegen niet smaken in de beschouwing van dit grote krijgsbedrijf, dat wij tot nu toe gesmaakt hebben bij de beschouwing van Davids heldendaden, omdat de schoonheid er van bevlekt is door zonde, anders zouden wij Davids wijsheid en kloekmoedigheid opmerken, waarmee hij zijn slag heeft opgevolgd. Het leger van de Ammonieten op het veld verslagen hebbende, zond hij, zodra het jaargetijde er gunstig voor was, versterkingen om het land te verwoesten en de twist van zijn gezanten te wreken. Rabba, hun hoofdstad, bood weerstand en hield zich lang staande, Joab sloeg er het beleg voor, en het was gedurende de tijd dier belegering, dat David in deze zonde viel.
II. Davids schande door zelf overwonnen en gevankelijk gevoerd te zijn door zijn eigen lusten. De zonde, waaraan hij zich schuldig maakte, was overspel tegen de letter van het zevende gebod, en (naar het oordeel van de patriarchale tijd) een verfoeilijke misdaad, "een misdaad bij de rechters," Job 31:11, een zonde, die de ziel verderft en de man plaag en schande zal doen vinden, meer dan enigerlei andere zonde, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
1. Let op de gelegenheid, die aanleiding gaf tot die zonde.
A. Veronachtzaming van zijn zaken. Toen hij bij zijn leger in het veld had moeten zijn, de strijd des Heren strijdende, schoof hij die zorg op anderen en bleef zelf te Jeruzalem, vers 1. Naar de krijg met de Syriërs is David in eigen persoon heengegaan, Hoofdstuk 10:17. Indien hij nu op zijn post aan het hoofd van zijn krijgsmacht ware geweest. hij zou de verzoeking uit de weg zijn geweest. Als wij buiten de weg van onze plicht zijn, dan zijn wij in verzoeking.
B. Gemakzucht en het toegeven aan traagheid. Tegen de avondtijd stond hij op van zijn leger, vers 2. Daar had hij in luiheid de namiddag sluimerende doorgebracht, die hij had moeten doorbrengen in oefeningen tot zijn eigen nut of tot welzijn van anderen. Hij placht te bidden, niet slechts des morgens en des avonds, maar ook des middags, ten dage van zijn benauwdheid, het is te vrezen dat hij dit die middag heeft verzuimd. Luiheid geeft grote voordelen aan de verzoeker. Stilstaande wateren vergaderen vuil. Het bed van de luiheid blijkt dikwijls het bed van vleselijke lusten.
C. Een omdwalend oog. Hij zag een vrouw zich wassende, waarschijnlijk van de een of andere ceremoniële onreinheid overeenkomstig de wet. Evenals bij Eva kwam de zonde in door het oog. Misschien heeft hij gepoogd haar te zien, hij heeft tenminste niet gedaan naar zijn eigen gebed: Wend mijn ogen af dat zij geen ijdelheid zien, en de waarschuwing zijns zoons in een gelijk geval: Zie de wijn niet aan als hij zich rood vertoont. Hij had òf niet, zoals Job, een verbond gemaakt met zijn ogen, òf hij had het toen vergeten.
2. De trappen van de zonde. Toen hij haar zag, heeft de lust terstond ontvangen.
a. Hij vroeg wie zij was, vers 3, misschien alleen met het voornemen om, zo zij ongehuwd was, haar zich tot vrouw te nemen, zoals hij er verscheidene genomen had, maar geen bedoeling met haar hebbende, zo zij gehuwd was. b. De verdorven lust werd heftiger, hoewel hem gezegd werd dat zij gehuwd was, en wiens vrouw zij was, toch zond hij om haar, misschien alleen om genoegen te vinden in haar gezelschap en gesprek. Maar:
c. Toen zij kwam, lag hij bij haar, zij maar al te gemakkelijk toegevende, omdat hij een groot man was, die ook vermaard was om zijn Godsvrucht, voorzeker (denkt zij) het kan geen zonde wezen, wat door een man als David wordt voorgesteld. Zie, hoe de weg van de zonde bergafwaarts gaat, als de mensen beginnen te zondigen, kunnen zij zich niet tot staan brengen. Het begin van de lust is, evenals dat des krakeels, gelijk een die het water opening geeft, daarom is het verstandig om hem te verlaten, eer hij zich vermengt. De dwaze mug zengt haar vleugels en verspeelt haar leven ten laatste door rondom de kaars te fladderen.
3. De verzwaringen van de zonde.
a. Hij was nu al op jaren, vijftig jaar tenminste, sommigen denken dat hij al ouder was, wanneer deze lusten, die eigenlijk meer tot de jeugd behoren, naar men zou denken minder heftig in hem moesten zijn.
b. Hij had zelf veel vrouwen en bijwijven, hierop wordt nadruk gelegd, Hoofdstuk 12:8.
c. Uria, die hij onrecht deed, was een van zijn eigen helden, een achtbaar, deugdzaam man, die nu uitgetogen was in zijn dienst, zijn leven wagende op de hoogten des velds voor de eer en de veiligheid van hem en zijn rijk waar hij zelf had behoren te wezen.
d. Bathseba, die hij verleidde, was een vrouw van goede naam, en had, totdat zij door hem en zijn invloed tot die goddeloosheid was gekomen, ongetwijfeld haar reinheid bewaard. Weinig heeft zij gedacht dat zij ooit zo'n slechte daad zou doen als de leidsman harer jonkheid te verlaten en het verbond haars Gods te vergeten, en misschien zou, buiten David niemand ter wereld er haar toe gebracht kunnen hebben. De overspeler verongelijkt en verderft niet slechts zijn eigen ziel, maar zoveel hij kan ook de ziel van een andere.
e. David was een koning, aan wie God het zwaard van de gerechtigheid had toevertrouwd en de tenuitvoerlegging van de wet aan misdadigers, inzonderheid aan overspelers, die, volgens de wet, ter dood gebracht meesten worden. Als hij zich dus zelf aan die misdaden schuldig maakt, dan stelt hij zich ten voorbeeld, waar hij een schrik had moeten zijn, voor de kwaaddoeners. Hoe kon hij anderen bestraffen en straffen voor hetgeen waaraan hij wist zelf schuldig te zijn? Zie Romeinen 2:22.
Nog veel meer zou aangevoerd kunnen worden om de zonde verzwaren, en ik kan slechts aan een enkele verontschuldiging er van denken welke is, dat het slechts eenmaal gedaan werd, het was er ver vandaan, dat het zijn gewone praktijk was, het was door de overrompeling van de verzoeking, dat hij er in gevallen is. Hij behoorde niet tot hen, van wie de profeet klaagt: "Zij hunkeren een ieder naar zijns naasten huisvrouw." Jeremia 5:8, maar ditmaal heeft God hem aan zichzelf overgelaten, zoals Hij met Hizkia deed, "om te weten al wat in zijn hart was," 2 Kronieken 32:31. Indien men het hem tevoren gezegd had, hij zou met Hazaël geantwoord hebben: Wat! is uw knecht een hond? Maar door dit voorbeeld wordt ons geleerd hoe nodig het ons is dagelijks te bidden: Vader in de hemel, leid ons niet in verzoeking, en te waken, opdat wij niet in verzoeking komen.