2 Koningen 16:1-4
Wij hebben hier een algemene schets van de regering van Achaz, weinig en kwaad waren zijn dagen, weinig, want hij stierf op zes en dertigjarige leeftijd, kwaad, want hier wordt ons gezegd:
1. Dat hij niet deed dat recht was, zoals David, vers 2, dat is: hij had de belangstellende zorg en genegenheid niet voor de voor God ingestelde eredienst, waar David zo vermaard om was. Hij had geen liefde voor de tempel, legde zich niet toe op zijn plicht jegens God, en gaf geen acht op Zijn wet. Hierin was hij ongelijk aan David. Het was hem tot eer, dat hij van het huis en geslacht Davids was, en hij had het aan Gods verbond met David te danken dat hij nu op de troon was, hetgeen zijn goddeloosheid verzwaarde, dat hij een schande was voor die eervoller naam en dat geslacht, en zo werd het in werkelijkheid een schande voor hemzelf, -Degeranti genus opprobrium-Een goede afkomst is een schande voor hem, die er van ontaardt-en dat hij hoewel de weldaad van Davids Godsvrucht genietende, toch niet in de voetstappen ervan trad.
2. Dat hij wandelde in de weg van de koningen Israëls, vers 3, die allen de kalveren aanbaden. Hij was niet aan hen verwant zoals Joram en Ahazia aan het huis van Achab verwant waren, maar ex mero motu-zonder enigerlei aansporing-wandelde hij in hun weg. De koningen van Israël voerden politiek en redenen van staat aan voor hun afgoderij, maar Achaz bezat zo'n voorwendsel niet, in hem was het zo onredelijk en zo onstaatkundig mogelijk. Zij waren zijn vijanden, en hadden met hun afgoderij bewezen vijanden te zijn van zichzelf, en toch wandelde hij in hun weg.
3. Hij deed ook zijn zonen door het vuur gaan ter ere van zijn afgoden. In 2 Kronieken 28:3 wordt uitdrukkelijk van hem gezegd dat hij hen brandde in het vuur: hij verbrandde sommigen van hen, en deed anderen van hen (Hizkia zelf niet uitgezonderd, hoewel het er hem later niet slechter om is gegaan) tussen twee vuren doorgaan, of hij liet hen door een vlam trekken, ten teken dat zij de afgod gewijd waren.
4. Dat hij deed naar de gruwelen van de heidenen, die de Heere voor de kinderen Israëls verdreven had. Het was een blijk van zijn grote dwaasheid, dat hij zich in zijn godsdienst wilde laten leiden door hen die hij voor zijn ogen in de gracht zag vallen, en van zijn grote goddeloosheid, dat hij de zeden en gewoonten wilde volgen, waarvan God gezegd had dat zij Hem een gruwel zijn, het voorbeeld dus wilde volgen van hen, die God uitgeworpen had, zodat hij bepaald in tegenheid wandelde met God.
5. Dat hij offerde en rookte op de hoogten vers 4. Als zijn vader slechts ijver genoeg had gehad om ze weg te nemen, het zou het bederf van zijn zonen hebben kunnen voorkomen, maar zij, die een zonde oogluikend toelaten, weten niet welke gevaarlijke strikken zij leggen voor hen, die na hen komen. Hij verliet Gods huis, was die plaats moede, waar hij, in zijns vaders tijd, dikwijls opgehouden was voor het aangezicht des Heeren, en ging nu zijn gebeden doen op hoge heuvelen, waar hij een beter uitzicht had, en onder groene bomen, waar hij van een aangenamer schaduw genoot. Het was een godsdienst van weinig waarde, die geleid werd door luim of gevoel, niet door geloof.