2 Petrus 1:5-11
In deze woorden komt de apostel tot den voornaamsten inhoud van den brief: hen aan te vuren en te verbinden tot toenemen in genade en heiligheid, daar zij reeds kostelijke genade ontvangen hebben en deelgenoten van de goddelijke natuur geworden zijn. Het is een zeer goed begin, maar wij mogen er niet in berusten alsof wij daardoor reeds volmaakt waren. De apostel had gebeden dat genade en vrede hun vermenigvuldigd mochten worden, en nu dringt hij er bij hen op aan om te maken dat zij meerdere genade mogen verkrijgen. Wij moeten, indien wij daartoe in de gelegenheid zijn, hen voor welken wij bidden vermanen en hen aanwakkeren tot het gebruiken van alle doelmatige middelen om te verkrijgen hetgeen wij verlangen dat God hun geven zal, en zij, die enigen voortgang in den godsdienst willen maken, moeten zeer ijverig en werkzaam in hun pogingen zijn. Zonder het toebrengen van alle naarstigheid, komen wij niet verder in het werk der heiligheid, zij, die slordig zijn in het beoefenen van den godsdienst, zullen er niet komen, wij moeten strijden om in te gaan door de enge poort, Lukas 13:24.
I. Hier kunnen wij opmerken hoe de weg van den gelovige stap voor stap is afgebakend.
1. Hij moet verkrijgen deugd, volgens sommigen moeten wij daaronder verstaan rechtvaardigheid. Daarna volgen kennis, matigheid en lijdzaamheid, die daarmee gepaard gaan. Men mag aannemen, dat de apostel deze als de vier hoofddeugden hun aanbeveelt, de vier grondbestanddelen, waaruit elke andere deugd of deugdzame handeling voortkomt. Maar aangezien het een getrouw woord is, en ernstig bevestigd, dat degenen, die aan God geloven, zorg moeten dragen om goede werken voor te staan, Titus 3:8, mogen wij hier onder deugd verstaan kracht en moed, zonder welke geen gelovige goede werken kan voorstaan of er in toenemen en uitmunten. De rechtvaardige behoort moedig te zijn als een jonge leeuw, Spreuken 28:1, een laf Christen, die bevreesd is om de leer en praktijk van het Evangelie te belijden en te betrachten, moet verwachten dat Christus zich ten jongsten dage voor hem schamen zal. Laat uw harten u niet ontzinken in den kwaden dag, maar toont u dapper in het tegenstaan van allen weerstand en van alle vijanden, wereld, vlees, duivel, ja den dood. Wij hebben behoefte aan deugd gedurende ons leven, en zij zal ons van uitnemend nut zijn in ons sterven.
2. De gelovige moet bij zijn deugd kennis voegen, voorzichtigheid bij zijn moed. Er is een kennis van Gods naam, die voor het geloof gaat, Psalm 9:11, en wij kunnen niet weten welke de goede, aangename en volmaakte wil van God is, tenzij wij die kennis bezitten, maar er zijn eigenaardige omstandigheden voor onze plichten, welke gekend en waargenomen moeten worden, wij moeten de aangewezen middelen gebruiken en dat op den bekwamen tijd. Christelijke voorzichtigheid let op de mensen, met welken wij te doen hebben, en op de plaats waar en het gezelschap waarin wij zijn. Iedere gelovige moet staan naar de kennis en de wijsheid, die nodig zijn om hem te besturen, zowel als naar de eigenaardige wijze en orde, waarin de Christelijke deugden moeten beoefend worden.
3. Bij onze kennis moeten wij matigheid voegen. Wij moeten kalm en gematigd zijn in onze liefde tot en ons gebruik van de goederen dezes levens, en indien wij een recht verstand en de ware kennis van uitwendige gemakken hebben, zullen wij zien dat hun waarde zeer veel lager staat dan die van geestelijke goederen. Lichamelijke oefeningen en lichamelijke voorrechten doen slechts weinig nut en moeten daarom ook naar dien maatstaf geacht en gebruikt worden, het Evangelie leert ons matigheid zowel als bescheidenheid, Titus 2:12. Wij moeten gematigd zijn in het begeren en gebruiken van de goederen dezes levens, zoals spijs en drank, klederen, slaap, uitspanningen en eer, een bovenmatige begeerte naar deze dingen is onbestaanbaar met een ernstige begeerte naar God en Christus. En zij, die van deze dingen meer nemen dan betaamt, kunnen Gode noch den mensen geven wat hun toekomt.
4. Voegt bij de matigheid lijdzaamheid, welke een volmaakt werk moet hebben, want wij kunnen niet volmaakt en geheel oprecht en in geen ding gebrekkelijk zijn, Jakobus 1:4, zonder zulke lijdzaamheid, omdat wij tot moeite geboren zijn en door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen. En het zijn deze verdrukkingen, die de lijdzaamheid werken, Romeinen 5:3. Daardoor verkrijgen wij de oefening en de gelegenheden om in de genade te wassen, waardoor wij alle onheilen en kruisen dragen met stilte en onderwerping, zonder tegen God te murmureren of ons over Hem te beklagen, maar Hem rechtvaardigende, die alle droefenis over ons doet komen, erkennende dat ons lijden altijd veel minder is dan wij door onze zonden verdiend hebben, en gelovende dat het niet zwaarder is dan ons nuttig kan zijn.
5. Bij de lijdzaamheid moeten wij godzaligheid voegen, en die wordt zelf door de lijdzaamheid gewerkt, want deze brengt bevinding voort, Romeinen 5:4. Wanneer de Christenen hun droefenissen lijdzaam dragen, verkrijgen zij een bevindelijke kennis van de liefhebbende vriendelijkheid van hun hemelsen Vader, die hun overtredingen met de roede bezoekt en hun ongerechtigheden met plagen, maar Zijne goedertierenheid van hen niet wegneemt en in Zijn getrouwheid niet feilt, Psalm 89:33, 34. En hierdoor worden zij gebracht tot kinderlijk ontzag en eerbiedige liefde, waarin de ware godzaligheid bestaat.
6. Bij deze moeten wij voegen broederlijke liefde, een tedere genegenheid voor al onze mede- Christenen, die kinderen zijn van dezelfden Vader en dienstknechten van dezelfden Meester, leden van hetzelfde gezin, reizigers naar hetzelfde vaderland, erfgenamen van dezelfde erfenis, en daarom bemind moeten worden met een rein hart en vurige liefde, met een liefde vol inschikkelijkheid, als dezulken die ons bijzonder na en dierbaar zijn en in welken wij buitengewoon behagen hebben, Psalm 16:3.
7. Liefde jegens allen, of liefdadigheid en goedgezindheid jegens alle mensen, moet gevoegd worden bij de liefde, die wij voor Gods kinderen koesteren. God heeft alle volken uit enen bloede gemaakt, en alle mensenkinderen zijn deelgenoten aan dezelfde menselijke natuur, vatbaar voor dezelfde barmhartigheden, onderworpen aan dezelfde droefenissen, en daarom, ofschoon de Christenen in geestelijk opzicht onderscheiden en verwaardigd zijn boven degenen die buiten Christus leven, moeten zij toch met anderen medelijden hebben in hun ongelukken en hen helpen in hun noden, zowel naar het lichaam als naar de ziel hun welvaart bevorderen, wanneer zij daartoe gelegenheid hebben. Daardoor moeten allen, die in Christus geloven, tonen dat zij kinderen zijn van den God, die allen goed is, maar meest het ware Israël.
II. Al de bovengenoemde deugden moeten wij bezitten, zullen wij instaat zijn tot alle goede werken, tot de plichten van de eerste en de tweede tafel, tot werkende en lijdzame gehoorzaamheid, en voor die diensten, waarin wij God moeten navolgen, zowel als voor die, waarin wij Hem alleen hebben te gehoorzamen. Teneinde ons dus op te wekken tot ijverig en onvermoeid najagen daarvan, houdt de apostel ons de voordelen voor ogen, die allen zullen genieten, welke deze deugden bezitten en die er overvloedig in zijn, vers 8-11. Zij worden ons voorgehouden: 1. Meer algemeen, vers 8. Het bezit van deze dingen zal ons niet ledig en onvruchtbaar laten (ledig dat is: lui, werkeloos). Daaronder moeten wij, volgens de bedoeling des Heiligen Geestes, meer verstaan dan hier onder woorden gebracht is. Wanneer ons van Achaz, den slechtsten en God meest-tergenden koning van Juda, bericht wordt dat hij deed wat niet recht was in de ogen des Heeren, 2 Koningen 16:2, moeten wij dat lezen alsof er stond: hij deed het meest beledigende en afschuwelijkste, want dat toont zijn levensgeschiedenis. Wanneer er dus hier gezegd wordt, dat de aanwezigheid en overvloed van deze Christelijke deugden ons niet ledig en onvruchtbaar zal laten, dan betekent dat: zij zal u zeer ijverig en levendig, krachtig en werkzaam maken in alle praktische Christendom, en buitengewoon vruchtbaar in alle werken der gerechtigheid. Zij zullen veel heerlijkheid aan God brengen, door onder de mensen u vruchtbaar te doen zijn in de kennis, of erkentenis, van onzen Heere Jezus Christus, door Hem te erkennen als Heere, en zelf u Zijn dienstknechten te doen zijn, overvloedig in het werk, dat Hij u te doen gegeven heeft. Dat is het noodzakelijk gevolg van het voegen van de ene deugd bij de andere, want indien alle Christelijke deugden in het hart zijn, verbeteren, versterken, bemoedigen en verlevendigen zij elkaar, zo groeien en bloeien zij, en waar de genade overvloedig is daar zal ook overvloed van goede werken zijn. Hoe begeerlijk is het in den toestand te verkeren, dien de apostel in vers 8 schetst! Dat blijkt uit vers 9. Daar doet hij ons zien hoe ellendig men is zonder deze verlevendigende, vruchtdragende genaden. Want hij, die de vorengenoemde deugden niet bezit, of voorgeeft ze te hebben en er den schijn van heeft, maar ze niet in praktijk brengt, is blind, namelijk voor geestelijke en hemelse dingen, zoals uit de volgende woorden blijkt: hij is van verre niet ziende. De tegenwoordige slechte wereld kan hij zien en daar verlaat hij zich op, maar hij onderscheidt hoegenaamd niets van de toekomende wereld, zodat hij geen genegenheid gevoelt voor de geestelijke voorrechten en hemelse zegeningen daarvan. Hij, die de uitnemendheid van het Christendom ziet, gevoelt de noodzaak om ijverig al deze genaden na te jagen, die volstrekt noodzakelijk zijn om heerlijkheid, eer en onsterflijkheid te verkrijgen. Maar wanneer deze genaden niet verkregen of nagejaagd worden, dan zijn de mensen niet instaat om de dingen te zien, die in werkelijkheid niet ver verwijderd zijn, ofschoon het naar hun schatting schijnt dat zij op groten afstand liggen, omdat zij zelven ze ver van zich vandaan houden. En hoe ellendig is de toestand van hen, die zo blind zijn voor de ontzagwekkend grote dingen van de toekomende wereld, die niets kunnen zien van de werkelijkheid en zekerheid, de grootheid en nabijheid der heerlijke vergelding, welke God den rechtvaardigen geven zal, en de vreeslijke straf, die Hij op de goddelozen zal toepassen. Maar dat is nog niet al de ellende van hen, die geen deugd, kennis enz. bij hun geloof voegen. Zij zijn evenmin instaat om achterwaarts als om voorwaarts te zien, hun geheugen is vergeetachtig en niet instaat om het verledene vast te houden, zij vergeten dat zij gedoopt zijn, dat zij de middelen hadden verkregen en de verplichting hun opgelegd was, tot heiligheid van hart en leven. Door den doop worden wij verplicht tot een heiligen oorlog tegen de zonde, en zijn plechtig gehouden tot een strijd tegen het vlees, de wereld en den duivel. Stelt u dikwijls voor den geest en overdenkt ernstig uw plechtige verbintenis om des Heeren te zijn, en uw eigen voordeel om af te leggen alle vuiligheid des vlezes en des geestes.
2. De apostel stelt twee bijzondere voordelen voor, die zullen samengaan met of volgen op ijver in het werk des Christens: standvastigheid in de genade en een zegevierende ingang in de heerlijkheid. Hij vlecht die in bij een herhaling van zijn vroegere vermaning, die hij in andere woorden geeft, want wat in vers 5 genoemd wordt naarstigheid toebrengen om bij het geloof deugd enz. te voegen, heet in vers 10 :zich benaarstigen om zijne roeping en verkiezing vast te maken. Hierbij kunnen wij opmerken: A. Het is de plicht der gelovigen hun verkiezing vast te maken, voor zich zelven tot helderheid te komen dat zij uitverkorenen van God zijn.
B. De weg om hun eeuwige verkiezing vast te maken is hun daadwerkelijke roeping te bevestigen, niemand kan inzien in het boek van Gods eeuwige raadsbesluiten en voornemens, maar voorzover God hen, die Hij geroepen heeft, ook heeft uitverkoren, mogen wij besluiten dat wij ter zaligheid verkoren zijn, wanneer wij vinden dat wij daadwerkelijk geroepen zijn.
C. Er is veel ijver en werk voor nodig om onze roeping en verkiezing vast te maken, wij moeten zeer nauwkeurig ons zelven onderzoeken, doorzoeken en ondervragen of wij krachtdadig bekeerd zijn, of ons verstand verlicht is, onze wil vernieuwd, onze ziel en haar begeerte werkelijk veranderd. En om in deze vragen tot zekerheid te komen, vereist den grootsten ijver, dat kan niet bereikt worden zonder goddelijke hulp, zoals wij zien in Psalm 139:23 en Romeinen 8:16. Maar hoe moeilijk en zwaar dat ook is, deinst er niet voor terug, want groot is het voordeel, dat gij er door behaalt, want:
a. Daardoor zult gij bewaard worden voor vallen, en dat wel ten allen tijde en onder alle omstandigheden, zelfs in uren van verzoeking, die over de aarde komen zullen. Wanneer anderen zullen vallen in boze en schandelijke zonden, zullen zij, die op die wijze naarstig zijn, bekrachtigd worden om voorzichtig te wandelen en den weg van hun plicht te blijven betreden. Wanneer velen in dwalingen vallen, zullen zij gezond blijven in het geloof en volmaakt staan in al den wil van God.
b. Zij, die naarstig zijn in het werk van den godsdienst, zullen een ruimen ingang hebben in de heerlijkheid, terwijl van de weinigen, die zalig worden, sommigen nauwelijks gered worden, 1 Pet. 4:18, met grote moeite als door vuur, 1 Corinthiërs 3:15. Zij, die wassen in de genade en overvloedig zijn in het werk des Heeren, zullen zich rijkelijk toegevoegd zien den ingang in het eeuwig koninkrijk, het koninkrijk waar Christus regeert, en zullen eeuwig met Hem regeren.