2 Corinthiërs 7:5-11
In het vijfde vers schijnt de aanknoping te zijn aan Hoofdstuk 2:13, (waar de apostel zegt dat hij geen rust in zijn geest gehad had alvorens hij Titus gezien had te Troas). En zo groot was zijn toegenegenheid tot de Corinthiërs en zijn belangstelling in hun gedrag tegenover den hoereerder, dat hij op al zijn verdere reizen geen rust had gehad aleer hij nader van hen gehoord had. En nu zegt hij hun:
I. Hoe hij bedroefd was, vers 5. Hij was ontroerd toen hij Titus niet te Troas vond, en ook later toen hij hem gedurende enigen tijd niet in Macedonië ontmoette, dat was hem tot droefheid, want nu kon hij niet te weten komen hoe deze te Corinthe ontvangen was en hoe het met hun zaken ging. En bovendien overkwamen hem andere moeilijkheden door voortdurende uitbarstingen van vervolging, er was van buiten strijd, door aanhoudende twisten met en tegenstand van Joden en heidenen, en er was van binnen vrees, en grote bezorgdheid over hen, die het Christelijk geloof omhelsd hadden, dat die niet zouden verdorven of verleid worden, en aanstoot geven aan anderen of zelf te schande worden.
Il. Hoe hij vertroost was, vers 6, 7. Merk hier op:
1. De komst van Titus was hem enigszins troostend. Het was een reden van blijdschap hem te zien, naar wie hij lang verlangd en gewacht had. Alleen reeds de komst van Titus en zijn reisgenoten, van Titus die hem dierbaar was als zijn eigen zoon in het geloof, Titus 1:4, was een grote vertroosting voor den apostel in al zijn moeiten en tochten. Maar:
2. Het goede nieuws ten opzichte van de Corinthiërs, dat Titus hem bracht, was reden van nog groter vertroosting. Hij bevond dat Titus was vertroost geworden door hen, en dat vervulde hem met troost, vooral toen deze hem mededeelde hoe ernstig zij begeerden den apostel tevreden te stellen in de zaken, waarover hij hun geschreven had, en hoe bedroefd zij waren over het schandaal, dat in hun midden gebeurd was, en de grote ergernis, die zij anderen gegeven hadden, zowel als hoe vurig hun liefde voor den apostel was, die zo getrouw jegens hen gehandeld had door hun fouten te bestraffen. Zo juist is de opmerking van Salomo, Spreuken 28:23 : Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
3. Hij dankt al dezen troost aan God, als den bewerker ervan. Het was God, die hem vertroost had door de komst van Titus, de God aller vertroosting, de God, die de nederigen vertroost, vers 6. Wij moeten over alle middelen en werktuigen heen zien op God, als de oorzaak van alle vertroosting en van al het goede, waarin wij ons verheugen.
III. Hoe grotelijks hij verblijd is door hun berouw en de bewijzen daarvan. De apostel was bedroefd omdat hij hen bedroefd had, omdat het sommigen godvruchtigen onder hen zeer veel hartzeer gedaan had wat hij in den vorigen brief geschreven had, en omdat het nodig geweest was hen te bedroeven, die hij veel liever blijde gemaakt had, vers 8. Maar nu verheugde het hem, want hij bevond dat ze waren bedroefd geweest tot bekering, vers 9. Hun droefheid op zich zelve was hem geen reden van blijdschap, maar de natuur van die droefheid, en haar uitwerking (droefheid tot onberouwelijke bekering), vers 10, verheugde hem, want nu bleek dat zij in geen ding schade van hem geleden hadden. Hun droefheid was slechts voor een kleinen tijd, zij was veranderd in blijdschap, en die blijdschap was duurzaam. Merk hier op:
1. Wat aan waar berouw voorafgaat, is goddelijke droefheid, deze werkt berouw. Zij zelf is geen berouw, maar ze is de goede wegbereidster voor berouw, en in sommige gevallen de oorzaak, die berouw voortbrengt. De overtreder had grote droefheid, hij was in gevaar van door droefheid verslonden te worden, en de gemeente, die tevoren opgeblazen was, had grote droefheid, en dat was een droefheid naar God, of overeenkomstig God (zoals het oorspronkelijke luidt), dat is: overeenkomstig den wil van God, gericht tot de heerlijkheid van God, en gewrocht door den Geest van God. Het was goddelijke droefheid, want het was droefheid over de zonde, als een belediging van God, een daad van ondankbaarheid en een verbeuren van Gods gunst. Er is groot onderscheid tussen de droefheid naar God en de droefheid naar de wereld. Goddelijke droefheid brengt berouw en bekering teweeg en eindigt in behoudenis, maar droefheid naar de wereld werkt den dood. De droefheid van wereldse mensen over wereldse dingen zal hun grauwe haren des te spoediger ten grave doen dalen, en zelfs zulk een droefheid over de zonde kan noodlottige gevolgen hebben, gelijk bij Judas, dien ze den dood werkte. Merk op: Berouw gaat met behoudenis gepaard. En daarom zullen ware boetvaardigen nooit berouw gevoelen over hun berouw of over enig ding, dat daartoe leidde. Vernedering en goddelijke droefheid moeten noodzakelijk aan het berouw voorafgaan, en beide komen van God, den gever van alle genade.
2. De heerlijke vruchten en gevolgen van waar berouw worden genoemd, vers 11, en deze vruchten, die door het berouw gewrocht worden, zijn er de beste bewijzen voor. Wanneer het hart veranderd is, zullen handel en wandel evenzo veranderen. De Corinthiërs bewezen dat hun droefheid een droefheid naar God was, en ene die berouw werkte, doordien zij grote bezorgdheid voor hun zielen werkte, en begeerte om de zonde te vermijden en Gode te behagen. Zij wrocht daarbij grote naarstigheid in hen zelven, niet om te volharden in hun eigen rechtvaardiging voor God omdat ze wilden volharden in hun zonden, maar om te pogen de vervloekte zaak te verwijderen en zo zich zelven te vrijwaren van de rechtmatige verdenking, dat zij het bedreven kwaad goedkeurden. Zij wrocht verantwoording en onlust, verontwaardiging over de zonde, over hen zelven, over den overtreder en zijn werktuigen, zij wrocht vrees, vrees van ontzag, van waakzaamheid, van mistrouwen, niet mistrouwen van God maar van zich zelven, een zorgzame vrees voor de zonde en een ijverzuchtige vrees voor zich zelven. Zij wrocht verlangen, vurig verlangen naar grondige vernieuwing van hetgeen verkeerd was en naar verzoening met God, dien zij beledigd hadden. Zij wrocht ijver, een vereniging van liefde en haat, ijver voor plicht, tegen zonde. Zij wrocht eindelijk wraak, tegen de zonde en hun eigen dwaasheid, met pogingen om alles in orde te herstellen en voldoening te geven voor begane onrechtvaardigheid. En daardoor hadden zij zich in alles bewezen rein te zijn in deze zaak. Niet dat ze onschuldig waren, maar dat ze boetvaardig waren en daardoor van schuld door God verlost, zou hen genade doen vinden en voor straf vrijwaren, en ze behoefden niet langer berispt te worden, nog veel minder hadden ze langer verwijtingen verdiend van de mensen, voor hetgeen waarover zij oprecht berouw toonden.