23. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met allen (
Romeinen 16:24.
1 Corinthiërs 16:23. Ro 16. 24 1Co
Galaten 6:18.
Efeze 6:24 Colossenzen 4:18.
1 Thessalonicenzen 5:28. 2 Thessalonicenzen. 3:18 Amen.
Bij de uitdrukking "die van het huis van de keizer zijn" is de vraag of het woord "huis" in de eigenlijke zin moet worden verstaan en dus aan het Palatium, het keizerlijk paleis op de Palatijnse heuvel (Handelingen 28:16) moet worden gedacht, of dat wij het woord in figuurlijke zin en nu weer van de keizers betrekkingen, of van zijn familie, zijn bloedverwanten moeten opvatten. Het laatste is wel niet mogelijk, omdat de familie van Nero toen zeer weggesmolten was en het op zichzelf reeds zeer onwaarschijnlijk is, dat iemand uit deze zich tot Christus zou hebben bekeerd, terwijl een enkele uitzondering niet voldoende zou zijn, om de uitdrukking te verklaren, die meerdere personen bedoelt. Wat de beide andere gevallen aangaat, blijft het in de grond van de zaak hetzelfde, of wij het woord "huis" in de ene of andere zin opvatten. In beide gevallen zijn onder "die van het huis van de keizer zijn" mindere keizerlijke dienaren bedoeld, die, al hadden zij ook niet in het keizerlijk paleis hun woning, daar toch dienst deden. Zij zijn niet dezelfde als de pretorianen of soldaten van de keizerlijke lijfwacht in Hoofdstuk 1:13, maar waarschijnlijk door deze op de apostel opmerkzaam gemaakt en door de laatsten tot Christus gebracht, omdat ook zij hem in zijn gehuurde woning opzochten en daar de prediking van het Evangelie uit zijn mond vernamen (Handelingen 28:30 v.). Het is een bijzonder teken van Gods barmhartigheid, dat zelfs in die afgrond van alle verkeerdheden, in het huis van de keizer, een straal van het hemelse licht was doorgedrongen en het was zeker voor de apostel zeer verblijdend dat hij van deze heilige nog in het bijzonder groeten mocht overbrengen. Bij de kerkvaders wordt een verhaal gevonden, dat de schenken van de keizer en één van zijn bijwijven door Paulus bekeerd zouden zijn. Daardoor zou die dan in hevige mate tegen deze prediker van de gerechtigheid verstoord geworden zijn en zouden nu de tegenstanders aanleiding hebben gehad, om het lang gerekte proces eindelijk weer te doen aanvatten, zodat het met de veroordeling van Paulus eindigde.
Aan de Filippensen geschreven van Rome (en gezonden) door Epafroditus (Hoofdstuk 2:25).
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE FILIPPENSEN
De brief heeft daardoor zijn eigenaardig gewicht, dat ons daarin de heilige apostel van de meest verschillende kanten laat zien in zijn hart en ons zijn persoonlijk gevoel toont voor zijn vrienden en zijn vijanden, voor de wereld en voor God, voor het tegenwoordige en de toekomst. Hij ontsluit daarin voor ons zijn gehele binnenste en houdt ons dat voor als een heldere spiegel. Christus te kennen en beminnen, Hem na te volgen en te vertrouwen, dat moet de Filippensen evenals voor de apostel zelf de bron zijn van alle leven, van alle kracht en van alle deugd, een onverdroogbare bron onder alle lijden. Zoals men, zegt Starke, in de apostel het toonbeeld ziet van een trouwe leraar en in de Filippensen het toonbeeld van vrome toehoorders, zo leert men ook uit deze brief, hoe banden en gevangenis moeten dienen tot bevordering van het Evangelie, hoe God uit het kwade iets goeds geboren kan laten worden, namelijk bekering van anderen en hoe Hij de aanslagen van de vijanden kan keren en wenden tot welzijn van Zijn kerk.
De aard van de brief onderscheidt zich van die aan de Efeziërs en de Kolossensen zeer bepaald. Hier vinden wij niet als in die andere brieven een theoretisch en een paranetisch gedeelte. "Het is een ware uitstorting van het hart en heeft meer dan andere een familiair karakter" Het is een "ongezochte en ongekunstelde uiting van het hart zonder doctrinaire bedoeling en planmatige vorm" (Zäkler), hoewel het schone organisme van de brief niet te miskennen is. Terecht merkt Meijer op, dat de gehele inhoud innige en treffende liefde ademt voor de geliefde gemeente. Geen andere brief is zo rijk aan woorden van tedere betrekking, geen is zozeer een brief, zonder strenge dispositie, zonder doctrinale bewijsvoeringen, zonder Oud-Testamentische citaten en dialectische argumentaties. Geen is zozeer een brief van het gemoed, een uitvloeisel van het ogenblik uit innige behoefte van de liefde bij uitwendig verlaten zijn en bij droefheid en daarbij een toonbeeld van vereniging van tedere liefde, en gedeeltelijk bijna elegische vorm met verheven apostolische waardigheid en vrijmoedigheid. Het epistel is, hoewel van een die gevangen is en de dood nabij "krachtiger en liefelijker dan de andere" (Grotius), geschreven in het aangezicht van de dood vol ongeknakte levenshoop, onder zware druk vol ongebogen moed, bij sterke aanvechtingen vol frisse ijver. Hij gaat van tedere liefde tot de gemeente over tot harde, tot de hardste uitdrukkingen over verderfelijke tegenstanders, heeft naast plaatsen vol elegante achteloosheid (Hoofdstuk 1:29), evenals Seneca's dialogen en Cicero's brieven, plaatsen vol boeiende welsprekendheid en gaat van geheel uitwendige, bijzondere omstandigheden over tot verreikende gedachten en grootse beschouwingen. Zo ligt de bedoeling van de brief op ethisch levensgebied, zowel voor de verhouding van de dienaar van het Woord tot de gemeente en haar leden, als van deze tot de eersten, als ook voor de Christen in het algemeen ten opzichte van de besturing van zichzelf, van zijn gedrag in moeilijke omstandigheden en ervaringen en tegenover verschillende personen.
De brief is niet naar een vooraf ontworpen plan opgesteld, maar uit het hart en hoofd van de apostel gevloeid, zoals de denkbeelden onder het schrijven hem voor de geest kwamen, ofschoon het ons niet moeilijk valt na te gaan, hoe hij van het ene denkbeeld op het andere is gekomen. Zó gaat het als de vriend aan zijn vriend, als de vader schrijft aan zijn kinderen. Paulus had op de gemeente te Filippi een zeer nauwe, vaderlijke betrekking, hij had haar lief met zijn gehele hart. Zij was door hem op bijzondere, goddelijke aanwijzing, onder zware beproeving en buitengewone uittreding gesticht, zoals wij uit de Handelingen van de apostelen vernomen hebben (Handelingen 16:9). Ook was zij zijn liefde waardig, want zij muntte uit in geloof en godsvrucht en zij had hem overvloedige bewijzen van haar liefde en dankbaarheid geschonken, zoals wij uit de brief zelf zien kunnen. Geen wonder, dat hij met grote genegenheid aan haar schrijft, zijn hart voor haar uitstort en verschillende bijzonderheden haar mededeelt, wier kennis voor haar vooral belangrijk was. Maar ook voor ons is deze brief hoogst belangrijk, want hij maakt ons niet alleen bekend met de lotgevallen en de gemoedsgesteldheid van de apostel, gedurende zijn gevangenschap te Rome. Hij behelst niet alleen veel, dat van zijn ware, zedelijke grootheid getuigt en ons opwekt zijn voorbeeld na te volgen, maar is ook bij uitnemendheid geschikt om ons geloof in onze Heer te versterken, onze liefde tot Hem te vermeerderen, tot een wandel, zijn Evangelie waardig ons op te wekken, en met blijdschap te vervullen als Hij maar wordt gepredikt.