2 Thessalonicenzen 3:16-18
In dit besluit van den brief hebben wij des apostels zegen en gebeden voor hen. Laat ons die begeren voor ons en onze vrienden. Drie zegeningen worden over hen uitgesproken of begeerd.
I. Dat God hun vrede geve.
1. Vrede is de uitgesproken of begeerde zegen. Door vrede mogen wij hier verstaan alle soorten van voorspoed, voornamelijk vrede met God, vrede in hun eigen zielen en gewetens en vrede met alle mensen. 2 Deze vrede wordt voor hen begeerd te allen tijde, of in elke zaak, en hij wenst dat zij altijd alles goeds mogen hebben. 3.. Vrede in allerlei wijze, dat gelijk zij al de middelen der genade mochten genieten, zij ook alle middelen en vormen van vrede zouden hebben. Want vrede is dikwijls moeilijk, maar altijd begeerlijk. 4.. De God, die hun dien vrede geven moet, is de Heere des vredes. Indien wij enigen begeerlijken vrede zullen hebben, moet God dien geven, Hij is de bewerker van den vrede en heeft de eendracht lief. Wij zullen nooit zelven vredelievende gezindheid hebben, of ondervinden dat de mensen vrede met ons hebben, tenzij God hun en ons vrede geeft.
II. Dat Gods tegenwoordigheid altijd met hen zij. De Heere zij met u allen. Wij hebben niets meer nodig voor onze veiligheid en ons geluk, en kunnen ook niets beters begeren voor ons zelven of voor onze vrienden, dan dat Gods genadige tegenwoordigheid met ons en met hen zij. Die zal ons leiden en bewaren op al onze wegen, en ons in al onze omstandigheden vertroosten. Het is de tegenwoordigheid Gods, die den hemel tot hemel en de aarde gelijk den hemel maakt. Het doet er niet toe waar wij ons bevinden, indien God slechts met ons is, en wie van ons verwijderd is, indien Hij slechts tegenwoordig is.
III. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Daarmee besloot de apostel zijn eersten brief aan deze Thessalonicenzen, en het is door de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat wij veilig mogen hopen vrede met God te hebben en de tegenwoordigheid Gods te mogen genieten, want Hij heeft ons die verre waren nabij gebracht. Het is deze genade, die alles in allen is om ons gelukkig te maken. Deze is het, die de apostel bewonderde en verheerlijkte bij alle gelegenheden, waarin hij zich verheugde en waarop hij vertrouwde. Door deze groetenis en zegenbede, geschreven met zijn eigen hand, als een waarmerk voor elke brief (het overige was door een ander geschreven), nam hij voorzorg dat de gemeenten, aan welke hij schreef, niet zouden bedrogen worden met nagemaakte brieven, hetgeen hij wist dat gevaarlijke gevolgen hebben kon. Laat ons dankbaar zijn omdat wij den canon der Schrift in haar geheel hebben, en dat die door de wondervolle bijzondere zorg der goddelijke Voorzienigheid, zuiver en onverminkt door zo vele eeuwen heen bewaard gebleven is. Laat ons geloven in den goddelijken oorsprong van deze heilige geschriften, en ons geloof en onzen wandel regelen naar dezen genoegzamen en enigen regel, welke bekwaam is ons wijs te maken tot zaligheid, door het geloof, dat is in Jezus Christus. Amen.