2 Corinthiërs 13:11-13
I. Een afscheidsgroet. Hij zegt hun vaarwel, en neemt voor het heden afscheid van hen, met hartelijke wensen voor hun geestelijk welzijn.
1. Hij geeft hun verscheidene goede vermaningen.
A. Wordt volmaakt, wordt een door de liefde jegens elkaar, welke grotelijks zal bijdragen tot uw voordeel als gemeente van Christus.
B. Zijt getroost, onder al het lijden en de vervolgingen, die gij te verduren mocht hebben om de zaak van Christus, of alle onheilen en teleurstellingen, die gij in deze wereld ontmoeten mocht.
C. Zijt eensgezind, hetgeen uw vertroosting zeer bevorderen zal, want hoe meer vrede wij met onze broederen hebben, des te meer vrede zal in onze harten wonen. De apostel verlangde van hen, dat zij, zoveel in hen was, van een gemoed en van een gevoelen zouden zijn. Maar kon dat niet bereikt worden, dan tenminste:
D. Leeft in vrede, laat verschil van inzicht geen ontbinding van den band des vredes veroorzaken, houdt vrede met elkaar. Hij wenste dat er geen scheuringen meer onder hen zouden zijn, dat er geen verdeeldheid en wrok meer heersen zouden, en dat op die wijze twist, nijdigheid en toorn vermeden zouden worden, en al dergelijke vijanden van den vrede.
2. Hij bemoedigt hen met de belofte van de tegenwoordigheid Gods. De God der liefde en des vredes zal met u zijn, vers 11.
A. God is de God der liefde en des vredes. Hij is de bewerker des vredes en de beminnaar van eensgezindheid. Hij heeft ons liefgehad en wil vrede met ons hebben, Hij gebiedt ons Hem lief te hebben en ons met Hem te laten verzoenen, en evenzo dat wij elkaar liefhebben zullen en vrede met elkaar hebben.
B. God zal zijn met hen, die in liefde en vrede leven. Hij zal liefhebben hen, die den vrede liefhebben, Hij zal hier met hen wonen en zij zullen eeuwig met Hem wonen. Zij zullen hier Zijn genadige tegenwoordigheid genieten en hiernamaals in Zijn heerlijke tegenwoordigheid toegelaten worden.
II. De apostolische zegen, vers 13. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen, Amen. Daarmee besluit de apostel zijn brief, en het is de gewoonte en zeer geschikt om daarmee godsdienstige vergaderingen te besluiten. Hierin komt de gehele inhoud van het Evangelie uit, het is de erkenning dat Vader, Zoon en Heilige Geest drie onderscheiden personen zijn, en toch een God. Evenzo dat zij zijn de fontein van alle zegening voor de mensen. Het houdt ons onze verplichting voor om het oog des geloofs te slaan op Vader, Zoon en Heiligen Geest, te leven in onophoudelijke verbinding met de drie personen in de Drie-eenheid, in wiens naam wij gedoopt en gezegend zijn. Dit is een zeer plechtige zegening en wij moeten al onzen ijver inspannen om erfgenamen van dezen zegen te worden. De genade van Christus, de liefde van God, de gemeenschap (of mededeling) van den Heiligen Geest: de genade van Christus als Verlosser, de liefde van God die den Verlosser zond, en al de mededelingen van deze genade en liefde, welke tot ons komen door den Heiligen Geest, die ons bekwaam maakt om deel te hebben aan de genade van Christus en de liefde van God. Niets meer of anders kunnen wij begeren om ons gelukkig te maken dan de genade van Christus, de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes. Amen.