2 Koningen 19:8-19
Rabsake, zijn boodschap overgeleverd en geen antwoord ontvangen hebbende of hij dit stilzwijgen voor toestemming hield, of voor minachting blijkt niet-liet zijn leger voor Jeruzalem onder het bevel van de andere generaals, en ging zelf tot de koning, zijn meester, om nadere orders. Hij vond hem Libna belegerende, een stad, die van Juda was afgevallen, Hoofdstuk 8:22.
Of hij al of niet Lachis heeft ingenomen, is niet zeker, sommigen denken dat hij er van weggetrokken is, omdat hij de inneming er van onuitvoerbaar achtte, vers 8.
Maar hij was nu verschrikt door het gerucht, dat de koning van Cusch, wiens land grensde aan dat van de Arabieren, met een groot heir tegen hem was uitgetrokken, vers 9.
Dit deed hem verlangen om zo spoedig mogelijk in het bezit van Jeruzalem te komen. Om de stad met geweld te nemen zou hem meer tijd en manschappen kosten dan hij te missen had, daarom vernieuwt hij zijn aanval op Hizkia om hem te bewegen de stad gedwee aan hem over te geven. Hem eens een inschikkelijk man gevonden hebbende, Hoofdstuk 18:14, toen hij zei: "Wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen", hoopte hij hem weer door schrikaanjaging tot onderwerping te brengen, maar tevergeefs.
I. Sanherib zond Hizkia een brief, een beledigende, Godlasterlijke brief, om hem te bewegen Jeruzalem over te geven, daar het toch geheel nutteloos voor hem zijn zou om weerstand te bieden. Zijn brief is van dezelfde strekking als Rabsake's redevoering, er wordt niets nieuws in aangevoerd.
Rabsake had tot het volk gezegd: "Laat Hizkia u niet bedriegen" Hoofdstuk 18:29.
Sanherib schrijft aan Hizkia. Laat u uw God niet bedriegen vers 10.
Zij, die "de God Jakobs tot hun hulp hebben, en wier verwachting op de Heere hun God is", behoeven niet te vrezen door Hem bedrogen te worden, zoals de heidenen door hun goden bedrogen werden. Om Hizkia te verschrikken en hem van zijn anker weg te drijven, maakt hij zich en zijn daden groot. Zie hoe trots hij roemt:
1. Op de landen, die hij veroverd heeft, vers 11, alle landen, en ten enenmale heeft verwoest! Hoe worden de molshopen van zijn overwinningen opgeblazen tot bergen! Zover was hij van alle landen verwoest te hebben dat op dit ogenblik het land van Cusch en Tirkaha, zijn koning, een verschrikking voor hem waren. Welke verbazende hyperbolen kan men verwachten in de lof, die hoogmoedige mensen zichzelf toezwaaien!
2. Van de goden, die hij overwonnen heeft, vers 12. "Ieder overwonnen volk had zijn goden, die zo weinig instaat waren ze te verlossen, dat zij met hen gevallen zijn, en zal dan uw God u verlossen?"
3. Van de koningen, die hij tenonder heeft gebracht vers 13, de koning van Hamath, en de koning van Arpad. Hetzij hij de vorst of de afgod bedoelt, hij wil zichzelf voorstellen als groter dan beide, en dus is hij zeer geducht, is hij de schrik van de machtigen in het land van de levenden. II. Hizkia sluit die brief in een andere, een biddende, een gelovige brief, en zendt hem aan de Koning van de koningen, die oordeelt in het midden van de goden. Hizkia was niet zo hooghartig om de brief niet te willen ontvangen, hoewel wij kunnen onderstellen dat het opschrift hem zijn rechtmatige titels niet gaf, toen hij hem ontvangen had, was hij niet zo achteloos dat hij hem niet las, toen hij hem gelezen had geraakte hij niet in drift, waardoor hij hem in dezelfde tergende, beledigende taal ging beantwoorden, neen, maar hij ging onmiddellijk naar de tempel, en breidde de brief uit voor het aangezicht des Heeren vers 14.
Niet alsof God het nodig had dat Hem brieven getoond worden, -Hij wist wat er in stond voordat Hizkia het wist, -maar hiermee gaf hij te kennen dat hij God erkende in al zijn wegen, dat hij de beledigingen die zijn vijanden hem aandeden, niet wenste te vergroten of te verzwaren, ze niet erger wilde voorstellen dan zij waren, maar ze in haar ware licht wenste te stellen, en dat hij zich ten opzichte van geheel de zaak aan God en Zijn rechtvaardig oordeel onderwierp.
Hiermee wilde hij zich ook opwekken tot het gebed, dat hij in de tempel kwam doen, en wij hebben ook alle mogelijke hulpmiddelen nodig om ons te sterken tot die plicht.
In het gebed, dat Hizkia nu deed, terwijl die brief daar open voor hem lag:
1. Aanbidt hij God, dat Sanherib had gelasterd, vers 15 noemt Hem de God Israels omdat Israël Zijn bijzonder volk was, en de God, die tussen de cherubim woont, omdat dit de bijzondere woonstede was van Zijn heerlijkheid op aarde, maar hij geeft Hem eer als "de God van de gehele aarde", en niet, zoals Sanherib zich verbeeldde dat Hij was, alleen "de God Israëls", beperkt tot de tempel.
Laat hen zeggen wat zij willen, Gij zijt de vrijmachtige Heere, want Gij zijt God, de God van de goden de enige Heere, Gij alleen, Heere van al de koninkrijken van de aarde, en rechtmatige Heere, want Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt. Schepper zijnde van alles zijt Gij door onbetwistbaar recht de eigenaar en regeerder van alles.
2. Hij doet een beroep op God betreffende de onbeschaamdheid en Godslastering van Sanherib, vers 16. O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen.
Hier is het met zijn handtekening voorzien, zwart op wit. Indien Hizkia alleen beledigd en gescholden was, hij zou het voorbij hebben laten gaan, maar het is God, de levende God, die gehoond is, de ijverige God. "Heere, wat zult Gij nu Uw groten naam doen?"
3. Hij erkent Sanheribs triomfen over de goden van de heidenen, maar onderscheidt tussen hen en de God Israëls, vers 17, 18.
Zij hebben hun goden in het vuur geworpen, want zij waren geen goden, niet instaat zichzelf te helpen of hun aanbidders bij te staan, en daarom is het geen wonder dat zij hen vernield hebben, en in hen te vernielen hebben zij, schoon zij het niet wisten, in werkelijkheid de gerechtigheid gediend van de God Israëls, die besloten heeft al de goden van de heidenen te verdelgen. Maar zij dwalen, die denken dat zij daarom ook Hem te sterk kunnen zijn. Hij is geen van de goden, die door mensenhanden gemaakt zijn, Hij zelf heeft alles gemaakt, Psalm 115:3, 4.
4. Hij bidt dat God zich nu zal verheerlijken in de nederlaag van Sanherib en de verlossing van Jeruzalem uit zijn handen, vers 18.
Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand, want als wij overwonnen worden ons land veroverd wordt zoals andere landen, dan zullen zij zeggen dat Gij overwonnen zijt zoals de goden dier landen overwonnen zijn, maar Heere, onderscheid U door ons te onderscheiden, en laat de gehele wereld weten, en tot de bekentenis gebracht worden, dat Gij, HEERE, alleen God zijt, de uit zichzelf bestaande, vrijmachtige God, en dat alle voorgewende goden ijdelheid en een leugen zijn.
De beste pleitgronden in het gebed zijn die, welke ontleend zijn aan Gods eer, en daarom begint ook het gebed onzes Heeren met: "Uw Naam worde geheiligd", en besluit met: "U is de heerlijkheid".
Wij hebben hier het genadig uitvoerige antwoord, dat God op het gebed van Hizkia heeft gegeven. De boodschap, die Hij hem door dezelfde hand had gezonden, vers 6, 7, zou, naar men kon denken, een voldoend antwoord op zijn gebed kunnen zijn, maar opdat hij een sterke vertroosting zou hebben, wordt hij bemoedigd door twee onveranderlijke dingen, "in welke het onmogelijk is, dat God liege", Hebreeën 6:18. God verzekert hem, in het algemeen dat zijn gebed tegen Sanherib gehoord is, vers 20. De toestand van hen, die de gebeden van Gods volk tegen zich hebben, is zeer rampzalig. Want als de verdrukten tot God roepen tegen de verdrukker, dan zal Hij hen verhoren, Exodus 22:23. God hoort en verhoort, en dan zal "het heil van Zijn rechterhand zijn met mogendheden", Psalm 20:7.
Deze boodschap spreekt van twee dingen:
I. Van schande over Sanherib en zijn krijgsmacht, hier wordt voorzegd dat hij vernederd en verbroken zal worden. De profeet richt op sierlijke wijze zijn rede tot hem, zoals in Jesaja 10:5. "O Assyriër, de roede Mijns toorns". Niet dat deze boodschap hem gezonden was maar wat hier tot hem gezegd wordt, werd hem bekend gemaakt door de gebeurtenis zelf. De Voorzienigheid sprak het tot hem met kracht en nadruk, en misschien werd zijn eigen hart genoodzaakt hem dit toe te fluisteren, want God heeft meer dan een middel om tot zondaars te spreken in Zijn toorn "en hen te verschrikken in Zijn grimmigheid", Psalm 2:5.
1. Sanherib wordt hier voorgesteld als de verachting van Jeruzalem, vers 21. Hij dacht de verschrikking te zijn van de dochter van Zion, deze kuise en schone maagd, en dat hij haar door zijn dreigementen zou dwingen zich aan hem te onderwerpen. Maar een maagd zijnde in haars Vaders huis en onder Zijn bescherming, trotseert, veracht, bespot zij u. Uw machteloze boosaardigheid is belachelijk. Hij die in de hemel zit, belacht u, en daarom doen ook zij het, die onder Zijn schaduw zijn gezeten. Met dit woord bedoelde God de vrees van Hizkia tot zwijgen te brengen, van hem en van zijn volk.
Hoewel de vijand voor het oog van de zinnen zeer geducht scheen, was hij voor het oog des geloofs geheel verachtelijk. 2. Als een vijand van God, en dat was genoeg om hem rampzalig te maken. Hizkia zei in zijn gebed: "Heere, hij heeft U gehoond", vers 16.. "Dat heeft hij, zegt God", en Ik neem het op als tegen Mijzelf", vers 22. "Wien hebt gij gehoond?" Is het niet de Heilige Israëls, wiens eer Hem dierbaar is, en die macht heeft haar te handhaven, welke macht de goden van de heidenen niet hebben? "Nemo me impune lacesset' -Niemand zal Mij ongestraft beledigen".
3. Als een hoogmoedige, verwaande dwaas die grote, opgeblazen woorden van de ijdelheid sprak, en zichzelf roemde over een valse gift, door zijn roemen, of snoeven, zowel als door zijn dreigen de Heere horende. Want
a. Hij verheerlijkte bovenmate zijn eigen daden, en verre boven hetgeen zij werkelijk waren, vers 23, 24. Dit was niet in de brief die hij schreef, maar God laat aan Hizkia weten dat Hij niet slechts zag wat daarin geschreven was maar ook hoorde wat hij elders zei, waarschijnlijk in zijn toespraken tot zijn raadslieden of tot zijn legers. God neemt nota van het roemen of snoeven van hoogmoedige mensen, en zal hen ter verantwoording roepen opdat "Hij hen ziet en tenonder brengt", Job 40:7.
Welk een prachtige, machtige figuur denkt Sanherib te maken! Zijn wagens drijvende naar de top van de hoogste bergen, zich een weg banende door bossen en stromen door alle beletselen heenbrekende, zich meester makende van alles wat hem aanstond, niets kon voor hem stand houden, niets hem worden onthouden, geen heuvels te hoog om door hem te worden beklommen, geen bomen te zwaar om door hem te worden geveld, geen wateren zo diep of hij zal ze uitdrogen, alsof hij de macht van God had, die spreekt en het geschiedt.
b. Hij eigende zich de eer toe van al deze grote dingen te doen, terwijl het in werkelijkheid alles des Heeren doen was, vers 25, 26.
In zijn brief had Sanherib zich beroepen op hetgeen Hizkia gehoord had, vers 11. Gij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië gedaan hebben, maar in antwoord hierop wordt hij herinnerd aan hetgeen God vanouds voor Israël gedaan heeft, de Rode Zee opdrogende, hen leidende door de woestijn, hen plantende in Kanaän.
Wat betekent, hiermede vergeleken, uw doen? En wat aangaat de verwoestingen, die gij op de aarde hebt aangericht, inzonderheid in Juda, gij zijt slechts het werktuig in Gods hand, een bloot stuk gereedschap. "Ik heb dat doen komen", Ik gaf u uw macht, gaf u uw voorspoed, en maakte u wat gij zijt, Ik heb u opgewekt, om vaste steden te verwoesten, ten einde de inwoners te straffen voor hun goddeloosheid. Daarom waren haar inwoners bandeloos. Hoe dwaas en onbeschaamd was het van hem om zich boven God te verheffen, op hetgeen hij door Hem en onder Hem gedaan heeft. Sanheribs snoeverijen hier worden verklaard in Jesaja 10:13 14. "Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid", enz, en zij worden beantwoord in vers 15 :"Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmee houwt?" Het is zeker ongerijmd voor de vlieg op het wiel om te zeggen: Welk een stof maak ik! of voor het zwaard in de hand, om te zeggen: Welk een slachting richt ik aan! Als God de eerste werker is in alles wat geschiedt, dan is roemen voor altijd uitgesloten. 4. Als onder de teugel en de bestraffing van die God, die hij gelasterd had. Al zijn bewegingen waren,
a. Onder de Goddelijke kennisneming, vers 27. "Ik weet uw zitten" en wat gij in het geheim beraadslaagt en bedoelt, "uw uitgaan en uw inkomen, uw heen en weer gaan, en uw woeden tegen Mij" en Mijn volk, het tumult uwer hartstochten, het tumult uwer toebereidselen, het geraas en getier, dat gij maakt, Ik weet het alles. Dat was meer dan Hizkia wist, die bericht wenste te hebben van de bewegingen des vijands, maar waartoe was het nodig als toch het oog van God hem voortdurend gadeslaat? 2 Kronieken 16:9.
b. Onder het Goddelijk toezicht, vers 28. Ik zal Mijn haak in uw neus leggen, gij grote leviathan, mijn gebit in uw lippen, gij grote behemoth. Ik zal u in bedwang houden, u richten en regelen, u heenwenden waarheen Ik wil en u naar huis terugzenden, "re infecta", onverrichter zake, teleurgesteld daar gij uw doel niet hebt bereikt. Het is voor alle de vrienden van de kerk een grote troost, dat God een haak in de neus en een gebit in de lippen heeft van al haar vijanden dat zelfs hun toorn Hem kan doen dienen en loffelijk maken, en dan het overblijfsel er van kan opbinden. Hier zal Hij zich stellen tegen de hoogmoed van de golven.
II. Van redding en blijdschap voor Hizkia en zijn volk. Dit zal hun een teken zijn van Gods gunst en dat Hij met hen verzoend is, en dat "Zijn toorn is afgekeerd", Jesaja 12:1, een wonder in hun ogen (want dat is soms de betekenis van een teken), een teken ten goede, en een onderpand van de verdere zegen, die God nog voor hen heeft weggelegd, dat aan hun tegenwoordige benauwdheid in elk opzicht een goed einde zal komen.
1. De levensmiddelen waren schaars en duur, en hoe zullen zij aan voedsel komen? De vruchten van de aarde waren verteerd door het leger van de Assyriërs, Jesaja 32:9, 10 en verv. Wel, zij zullen niet slechts in het land wonen, maar ook voorzeker gevoed worden. Als God hen verlost, zal Hij hen niet laten verhongeren, hen niet, als zij aan het zwaard zijn ontkomen van honger laten sterven.
"Eet in dit jaar dat vanzelf gewassen is", en gij zult er genoeg van vinden. Hebben de Assyriërs geoogst wat gij gezaaid hebt? Gij zult oogsten wat gij niet gezaaid hebt. Maar het volgende jaar was sabbatjaar, wanneer het land moest rusten en zij noch zaaien noch oogsten mochten. Wat moeten zij in dat jaar doen? Wel "Jehove-jireh", (de Heere zal voorzien). Gods zegen zal hun zaad en arbeid besparen en ook in dat jaar zal wat vanzelf groeit dienen om hen te onderhouden, om hen er aan te herinneren dat de aarde vruchten voortbracht, voordat er een mens was om haar te bebouwen, Genesis 1:11. En dan zal in het derde jaar hun landbouw als naar gewoonte zijn, dan zullen zij zaaien en oogsten zoals zij plachten te doen.
2. Het land was verwoest, de gezinnen waren verstrooid, alles was in verwarring, hoe kon het anders, als het vertreden was door zo'n heirleger? Wat dat nu betreft: er is beloofd dat "het ontkomene, dat overgebleven is van de huize Juda", dat is de landelijke bevolking, wederom in hun eigen woonsteden geplant zullen worden, op hun eigen bezittingen worden gevestigd, er wortelen zullen schieten, zich zullen vermenigvuldigen en rijk worden, vers 30.
Zie hoe hun voorspoed beschreven wordt, het is een "nederwaarts" wortelen, en een "opwaarts" vrucht dragen, wèl gevestigd zijnde, en wèl voorzien voor zichzelf en dan goed doende aan anderen. Zodanig is de voorspoed van de ziel, het is een nederwaarts wortelen door geloof in Christus, en dan een vruchtbaar zijn in de vruchten van de gerechtigheid.
3. De stad was ingesloten, niemand ging uit of kwam in, maar nu zal het overblijfsel in Jeruzalem en Zion vrijelijk uitgaan, en niemand zal hen hinderen of verschrikken, vers 31.
Grote verwoesting is aangericht geworden in de stad en op het land, maar zowel in de stad als op het land was een overblijfsel, dat ontkomen is, een type van het behouden overblijfsel van hen, die waarlijk Israëlieten zijn, zoals blijkt uit de vergelijking van Jesaja 10:22, 23 (waar van deze zelfde gebeurtenis gesproken wordt) met Romeinen 9:27, 28. Zij zullen uitgaan in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods.
4. De Assyriërs rukten voorwaarts naar Jeruzalem en zouden het binnen weinig tijds formeel belegerd hebben, en het liep groot gevaar hun in handen te vallen. Maar hier wordt beloofd dat het beleg, dat zij vreesden, voorkomen zal worden, hoewel de vijand thans (naar het schijnt) voor de stad gelegerd was, zullen zij toch nooit "in de stad komen", ja, zij zullen er niet eens een pijl in schieten, vers 32, 33.
Hij zal genoodzaakt zijn zich met schande terug te trekken en zal geheel zijn onderonderneming duizend maal berouwen. God zelf neemt de verdediging van de stad op zich vers 34, en die persoon, die plaats, moet wel veilig wezen, waarvan Hij de bescherming op zich genomen heeft.
5. De eer en de trouw van God zijn verpand voor het doen van dit alles. Dat zijn grote dingen, maar hoe zullen zij tot stand komen? Wel, de ijver des Heeren van de heirscharen zal dit doen, vers 31.
Hij is de Heere van de heirscharen, heeft alle schepselen onder Zijn bevel, tot Zijn dienst, daarom is Hij instaat om het te doen. "Hij ijvert over Jeruzalem en over Zion met een grote ijver", Zacheria 1:14, haar als een kuise maagd ondertrouwd hebbende, zal Hij haar niet laten beledigen of mishandelen, vers 21.
"Gij hebt reden te denken dat gij het niet waardig zijt, dat zulke grote dingen voor u gedaan worden, maar Gods ijver zal het doen." Zijn ijver:
a. Voor zijn eigen eer, vers 34. "Ik zal het doen om Mijnentwil, om Mij een eeuwige naam te maken." Gods redenen om genadig te zijn vloeien voort uit Hemzelf.
b. Om Zijn waarheid: "Ik zal het doen om Mijns knechts Davids wil, niet om de wille van zijn verdienste, maar om de belofte aan hem gedaan en het verbond, dat met hem gemaakt is deze gewisse weldadigheden Davids." Zo worden al de verlossingen van de kerk gewerkt om der wille van Christus, de Zone Davids.