2 Koningen 7:1-2
1. Elisa voorzegt hier dat in weerwil van de grote nood, die in Samaria heerste, zij binnen vier en twintig uur overvloed zullen hebben, vers 1. De koning van Israël wanhoopte er aan en was het wachten moede geworden, Elisa zei dit toen de nood op het hoogst was de uiterste nood van de mens is Gods gelegenheid om Zijn macht te verheerlijken, Zijn tijd om voor Zijn volk te verschijnen is gekomen, als "hun kracht is weggegaan," Deuteronomium 32:36. Toen zij het hadden opgegeven om hulp te verwachten, kwam zij. "De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" Lukas 18:8. De koning zei: Wat zou ik verder op de Heere wachten? En misschien waren sommigen van de oudsten bereid om het met hem te zeggen. "Welnu", zegt Elisa, "gij hoort wat deze zeggen, zo hoort dan nu het woord des Heeren, hoort wat Hij zegt, hoort het en geeft er acht op, en gelooft het: morgen zal koren tegen de gewone prijs worden verkocht in de poort van Samaria", dat is:
a. Het beleg zal opgebroken zijn, want de poort van de stad zal open wezen en de markt zal er, evenals voorheen, gehouden worden, aldus wordt het terugkeren van de vrede uitgedrukt, Richteren 5:11. Dan zal des Heeren volk afgaan tot de poorten om er te kopen en te verkopen.
b. Een grote overvloed zal er het gevolg van wezen. Mettertijd zal dit als vanzelf het gevolg er van zijn, maar dat het koren in zo korte tijd zo goedkoop zal worden, dat was iets, waaraan men zelfs niet kon denken. Hoewel de koning van Israël zoëven nog Elisa's leven bedreigd heeft, belooft God zijn leven te zullen redden en het leven van zijn volk want waar de zonde overvloedig was is de genade nog veel meer overvloedig geweest.
2. Een hoofdman van Israël, die daarbij tegenwoordig was, sprak openlijk zijn ongeloof uit aan deze voorzegging, vers 2. Hij was een hoveling, voor wie de koning genegenheid had als de man van zijn rechterhand, op wie hij leunde, dat is: op wiens wijsheid hij steunde en in wie hij veel vertrouwen stelde. Hij achtte het onmogelijk tenzij God koren uit de wolken zou doen regenen, zoals eens het manna, met niets minder dan de herhaling van Mozes' wonder zal hij tevreden zijn, hoewel dat van Elia: het vermenigvuldigen van het meel in de kruik, ook aan het doel zou beantwoord hebben.
3:Het rechtvaardige oordeel over hem uitgesproken wegens zijn ongeloof, dat hij tot zijn overtuiging die grote overvloed zien zou, maar er tot zijn straf niet van zou eten. Ongeloof is een zonde, waardoor de mensen God grotelijks onteren en mishagen, en zichzelf van de gunsten beroven, die Hij voor hen bestemd had. De murmurerende Israëlieten zagen Kanaän, maar konden er niet ingaan vanwege hun ongeloof, zodanig zal het deel wezen, zegt bisschop Patrick, van hen, die de belofte van het eeuwige leven niet geloven, zij zullen het van verre zien, zullen Abraham zien van verre, maar het nooit smaken, want zij verbeuren de weldaad van de belofte, zo zij het niet van zich kunnen verkrijgen om God op Zijn woord te geloven.