2 Koningen 4:1-7
Elisa's wonderen waren tot nut, niet tot vertoning, ook dit wonder was dit, het was een wezenlijke daad van barmhartigheid. Ook Christus' wonderen waren dit, het waren niet slechts grote wonderen, maar grote weldaden voor hen, ten behoeve waarvan zij gedaan werden. God verheerlijkt Zijn goedheid met Zijn macht.
I. Elisa hoort bereidwillig de klacht aan van een arme weduwe. Zij was de weduwe van een profeet, tot wie zal zij zich dan wenden dan tot hem, die een vader was van de zonen van de profeten, en dus belang stelde in het welvaren van hun gezin? Het schijnt dat de profeten vrouwen hadden, zowel als de priesters, hoewel de profetie niet zoals het priesterschap als erfrecht overging van vader op zoon. Het huwelijk is eerbaar onder allen, en ook met de heiligste roeping niet onbestaanbaar. Nu wordt ons door de klacht van deze arme vrouw, te verstaan gegeven:
1. Dat haar echtgenoot, één van de zonen van de profeten zijnde, aan Elisa wel bekend was. Leraren van uitnemende gaven en positie moeten zich bekendmaken met hen, die in alle opzichten hun minderen zijn, zich bekendmaken met hun karakter en toestand.
2. Dat hij de naam had van een Godvruchtig man te zijn geweest. Elisa wist dat hij iemand was, die de Heere vreesde, anders zou hij de eer van een profeet te zijn onwaardig, en voor het werk van een profeet onbekwaam zijn geweest. Hij was iemand, die in een tijd van algemene afval aan zijn oprechtheid had vastgehouden, een van de zeven duizend, die de knieën niet voor Baäl hadden gebogen.
3. Dat hij, hoewel hij een goed man en een Godvruchtig leraar was, gestorven was. De profeten, zullen die in eeuwigheid leven? Zij die bekleed waren met de Geest van de profetie, waren hierdoor niet gewapend tegen de slag van de dood.
4. Dat hij arm gestorven was, en meer schulden had nagelaten dan bezittingen, waaruit zij betaald konden worden. Hij heeft die schulden niet gemaakt door verkwisting of zich in weelde toe te geven, want hij was iemand, die de Heere vreesde, en dus niet zo'n handelwijze durfde volgen, ja meer, de Godsdienst legt de mensen de plicht op om niet boven hun vermogen te leven, meer uit te geven dan God hun geeft, zelfs niet aan dingen, die op zichzelf geoorloofd zijn, want daardoor moeten zij wel in een toestand komen waarin zij niet instaat zijn ieder het zijne te geven, en zich dus schuldig maken aan een voortdurende daad van ongerechtigheid. Toch kan het het lot wezen van hen, die God vrezen, schulden te hebben en onmachtig te zijn om ze te betalen, door beproevingen in de leidingen van Gods voorzienigheid, door verliezen op zee of door slechte schulden, of door hun eigen onvoorzichtigheid, want de kinderen van het licht zijn niet altijd wijs in de zaken van deze wereld. Misschien was deze profeet verarmd door vervolging, toen Izebel heerste, hadden profeten moeite genoeg om te leven, in het bijzonder zij, die een gezin hadden.
5. Dat de schuldeiser zeer streng voor haar was. Zij had twee zonen om haar ten steun te zijn in haar weduwstaat, en hun arbeid wordt gerekend als nagelaten goed, waarmee schulden betaald kunnen worden, en dus moeten deze zeven jaren dienen, Exodus 21:2, om met hun arbeid die schuld af te doen. Zij, die hun gezin onder een last van schuld achterlaten, niet evenredig aan hun bezittingen, weten niet welk een erfenis van last en verdriet zij hun nalaten. In deze benauwdheid gaat de arme weduwe tot Elisa, steunende op de belofte, dat het zaad van de rechtvaardige niet verlaten zal worden. Het geslacht van de oprechten kan hulp verwachten van Gods voorzienigheid en steun van Zijn profeten.
II. Hij verleent krachtige, afdoende hulp aan deze arme weduwe, stelt haar in de gelegenheid haar schuld te betalen en verder in het onderhoud van haar en haar gezin te voorzien. Hij zei niet: Wordt warm en wordt verzadigd. maar gaf haar wezenlijke hulp. Hij heeft haar geen kleinigheid gegeven voor haar ogenblikkelijke nood, maar zette haar in een zaak, zij moest olie verkopen, en hij bezorgde haar een voorraad er van om te beginnen. Dit deed hij door een wonder, maar voor ons is het een aanduiding van wat de beste manier is om liefdadigheid te bewijzen, en wat de grootste weldaad is, die wij aan armen doen kunnen, namelijk hen zo mogelijk te helpen om het weinige dat zij hebben te vermeerderen door hun eigen naarstigheid en verstand.
1. Hij zei haar wat zij doen moest. Hij overwoog haar toestand. Wat zal ik u doen? De zonen van de profeten waren arm, en het zou weinig betekenen om een collecte onder hen te houden voor haar, maar de God van de heilige profeten is machtig om in haar nood te voorzien, al haar nooddruft te vervullen, en als er een weinig onder haar beheer is, dan moet in haar nood voorzien worden door Zijn zegen en door dat weinige te vermeerderen. Elisa vraagt haar daarom wat zij heeft, dat verkocht kan worden, en bevindt dat zij niets heeft dan een kruik met olie, vers 2. Indien zij enig zilverwerk had gehad of meubelen, hij zou haar gezegd hebben die dingen te verkopen, om haar schulden te kunnen vereffenen. Wij kunnen datgene niet waarlijk, niet met gerustheid het onze noemen, dat het onze niet is als onze schulden betaald zijn. Indien zij deze kruik met olie niet had gehad, zou Gods macht voor haar hebben kunnen voorzien, maar die kruik met olie hebbende, zal Gods macht daarmee werken, om ons te leren, om zoveel mogelijk partij te trekken van hetgeen wij hebben. De profeet, wetende dat zij een goede naam heeft onder haar naburen, zegt haar lege vaten van hen te lenen, vers 3, want haar eigen vaten schijnen zij verkocht te hebben, om haar schuldeisers te betalen. Hij zegt haar de deur voor haar en haar zonen toe te sluiten, terwijl zij al die vaten vulde uit die een kruik. Zij moet de deur sluiten om te voorkomen, dat zij door haar schuldeisers of anderen gestoord zou worden terwijl zij er mee bezig was, opdat zij de schijn niet zou hebben van hoogmoedig te roemen op deze wonderdadige voorziening, en gelegenheid zou hebben om God bij deze buitengewone gelegenheid te loven en te danken.
Merk op:
a. De olie moest vermenigvuldigd worden bij het gieten in de vaten zoals het meel van de andere weduwe in het gebruiken. Het middel om wat wij hebben te vermeerderen, is het te gebruiken, wie heeft, aan die zal gegeven worden. Het is niet door de talenten op te garen, maar door er mee te handelen, dat zij verdubbeld worden.
b. De olie moet door haarzelf uitgegoten worden, niet door Elisa of door één van de zonen van de profeten, om te kennen te geven dat het na ons zorgvuldig naarstig streven is, dat wij moeten verwachten dat de zegen Gods ons zal verrijken beide voor deze en voor de andere wereld. Wat wij hebben zal het best in onze eigen hand toenemen.
2. Dienovereenkomstig deed zij. Zij heeft de profeet niet gezegd, dat hij slechts bedoelde met haar te schertsen, maar vast gelovende in de Goddelijke macht en goedheid, en in zuivere gehoorzaamheid aan de profeet, leende zij veel grote en kleine vaten van haar naburen, en goot er haar olie in, één van haar zonen werd gebruikt om haar de ledige vaten aan te geven, en de andere om de gevulde zorgvuldig weg te zetten, terwijl zij allen verbaasd waren hun kruik als een fontein van levend water te zien, altijd vloeiende, en toch altijd vol, zij zien de bron niet, waaruit de toevoer komt, maar geloven dat zij in Hem is "in wie al onze fonteinen zijn." Jobs gezegde is nu naar de letter bewaarheid: "de rots goot mij oliebeken uit," Job 29:6. Dit was misschien in de stam van Aser, een deel van wiens zegen was: hij dope zijn voet in olie, Deuteronomium 43:24.
3. De olie bleef vloeien zolang zij ledige vaten had om haar te ontvangen, toen elk vat gevuld was, stond de olie stil, want het betaamde niet dat deze kostbare vloeistof zou overlopen en als water op de grond uitgestort zou worden, dat niet weer verzameld wordt. Wij zijn nooit nauw in God en in Zijn macht en milddadigheid en de rijkdom van Zijn genade, al onze nauwheid is in onszelf. Het is ons geloof dat faalt, niet Zijn belofte. Hij geeft boven ons bidden, waren er meer vaten, er zou in God genoeg zijn om ze te vullen, genoeg voor allen, genoeg voor ieder. Was deze kruik met olie uitgeput, zolang er nog vaten waren om er mee gevuld te worden? En zullen wij dan vrezen dat de gouden olie, die uit de wortel en de vettigheid van de goede olijfboom vloeit, falen zal, zolang er nog lampen zijn, die er mee voorzien moeten worden? Zacheria 4:12.
4. De profeet zei haar wat zij doen moest met de olie, die zij had verkregen, vers 7. Zij moet haar niet voor haar eigen gebruik houden, om haar aangezicht te doen blinken. Zij, die door Gods voorzienigheid arm gemaakt werden moeten zich met armoedige gerieflijkheid voor zichzelf vergenoegen-dat is: weten gebrek te lijden, zij moeten niet denken dat, als zij iets krijgen, dat beter is dan het gewone, zij het gebruiken mogen, om hun eigen zucht tot weelde te voldoen. Neen:
A. Zij moet de olie verkopen aan de rijken die instaat zijn haar voor hun eigen gebruik te kopen. Wij kunnen veronderstellen dat die olie, voortgebracht zijnde door een wonder, de allerbeste was van haar soort, zoals de wijn, die door een wonder van Christus werd voortgebracht, Johannes 2:10, zodat zij er een goede prijs voor kon maken, en er spoedig kopers voor zou vinden. Waarschijnlijk hebben de kooplieden haar gekocht voor de uitvoer, want olie was een van de voortbrengselen van hun land, waarin de Israëlieten handel dreven, Ezechiël 27:17.
B. Met het geld, dat zij voor de olie ontving, moet zij haar schuld betalen. Al was haar schuldeiser ook te streng voor haar, moet hij het hem verschuldigde toch niet verliezen. Nu zij het kan, moet haar eerste zorg wezen, die schuld af te doen, zelfs eer zij nog enigerlei voorziening maakt voor haar kinderen. Het is een van de fundamentele wetten van onze Godsdienst, dat wij aan ieder het zijne geven, iedere rechtmatige schuld betalen, al blijft er dan ook nog zo weinig voor onszelf over, en dat wel niet uit dwang, maar gewillig en zonder murmureren, niet slechts om niet gemaand of in rechten te worden aangesproken, maar om des gewetens wil. Zij, die een eerlijk gemoed hebben, kunnen hun dagelijks brood niet met genoegen eten, of het moet hun eigen brood zijn.
C. Het overige moet niet bewaard worden, maar zij moet er met haar kinderen van leven, niet van de olie, maar van het geld, dat er voor ontvangen wordt, en waarmee zij zich instaat moeten stellen een eerlijk bestaan te hebben. Ongetwijfeld heeft zij gedaan wat de man Gods haar zei, en daarom:
a. Laat hen, die arm en in kommer zijn, aangemoedigd wezen om in de weg van de plicht op God te vertrouwen ter voorziening in hun nood. Gij zult "voorzeker gevoed worden," Psalm 37:3, al is het dan ook niet met een feestmaal. Weliswaar, wij kunnen thans geen wonderen verwachten, maar wij kunnen goedertierenheden verwachten, zo wij op God zien en Hem verbeiden. Laat in het bijzonder weduwen, en in zeer bijzondere zin, weduwen van profeten, op Hem bebouwen om haar en haar vaderloze kinderen in het leven te behouden, want Hij is de Rechter van de weduwen en de Vader van de wezen.
b. Laat hen, die door God met overvloed gezegend werden, hem gebruiken tot eer van God, en onder de leiding van Zijn woord, laat hen er rechtvaardig mee doen, zoals deze arme weduwe gedaan heeft, en God blijmoedig dienen in het gebruik er van, en, evenals Elisa bereid zijn om goed te doen aan hen, die hen nodig hebben, de blinden tot ogen, en de kreupelen tot voeten te zijn.