2 Koningen 15:1-7
Dit is een kort bericht van de regering van Azaria.
1. Het meeste ervan is algemeen, en hetzelfde, dat van anderen werd meegedeeld. Hij begon jong en regeerde lang, vers 2, deed meestal wat recht was, vers 3. Het was gelukkig voor het rijk dat een goede regering een langdurige was, maar hij had geen ijver en moed genoeg om de hoogten weg te nemen, vers 4.
2. Hetgeen bijzonder is, vers 5, (dat God hem sloeg met melaatsheid) is met de reden ervan uitvoeriger vermeld in 2 Kronieken 26:16 en verv, waar wij ook een vollediger bericht vinden van het roemrijke van het eerste gedeelte van zijn regering, zowel als van het smadelijke van het laatste gedeelte ervan. Hij deed wat recht was, zoals Amazia, evenals hij begon hij goed, maar schoot tekort vóór hij eindigde.
a. Hier wordt ons gezegd dat hij melaats werd. De grootste en voornaamste mannen zijn niet alleen onderhevig aan de gewone rampen, maar ook aan de gewone zwakheden en gebreken van de menselijke natuur, en als zij zich schuldig maken aan snode zonden, dan zijn zij zo goed als de geringsten blootgesteld aan de zwaarste slagen van de Goddelijke wraak.
b. God sloeg hem met deze melaatsheid om hem te kastijden wegens zijn hovaardig inbreuk maken op het priesterambt. Als voorname mensen hoogmoedige mensen zijn, dan zal God hen op de een of andere wijze vernederen, en hen doen weten dat Hij boven hen is, en tegen hen is, want Hij weerstaat de hovaardigen.
c. Dat hij melaats was tot de dag van zijn dood, hoewel wij reden hebben te geloven dat hij er berouw van heeft gehad en de zonde hem vergeven was, maar ter waarschuwing van anderen bleef hij onder dit teken van Gods misnoegen zolang als hij leefde, en misschien strekte dit tot welzijn van zijn ziel..
d. Dat hij woonde in een afgezonderd huis, daar hij door de wet ceremonieel onrein was, en aan deze tucht moest hij hoewel hij koning was, zich onderwerpen, hij, die hoogmoedig Gods tempel binnendrong en priester wilde zijn, wordt rechtvaardig buitengesloten uit zijn eigen paleis en voor altijd als een gevangene, of een kluizenaar, opgesloten. Wij veronderstellen dat zijn afgezonderd huis zo gerieflijk en aangenaam mogelijk voor hem was ingericht. Sommigen vertalen het woord door een vrij huis, waarin hij vrijheid had voor vermaak of genoegen, maar toch was het een grote vernedering voor iemand, die zozeer een man van eer is geweest, en ook een bedrijvig man, om zo van de samenleving te zijn buitengesloten, en altijd in een afgezonderd huis te wonen, het zou het leven tot een last maken, zelfs voor koningen, al gaan deze ook altijd slechts met hun minderen om, zelfs de meest bespiegelende, nadenkende mensen zouden het spoedig moede worden.
e. Dat zijn zoon als zijn onderkoning optrad zowel voor de zaken van zijn hof, want hij was over het huis, als van het rijk, want hij richtte het volk des lands, en het was een troost voor hem, en een zegen voor zijn rijk, dat hij zo'n zoon had, die zijn plaats kon innemen.