1 Thessalonicenzen 4:1-8
Hier hebben wij:
I. Ene vermaning om toe te nemen in heiligheid, daarin meer en meer overvloedig te worden, vers 1, 2.
1. De wijze, waarop de vermaning gegeven wordt, is zeer liefderijk. De apostel behandelt hen als broederen, hij noemt hen zo en heeft hen als zodanig lief. Omdat hij hen zo innig liefheeft, is zijne vermaning zo ernstig. Wij bidden en vermanen u. De apostel wenste geen weigering te ontvangen en herhaalt daarom zijne vermaning telkens en telkens.
2. De reden van deze vermaning, dat zij meer overvloedig mogen worden in heiligen wandel, of uitnemend in alle dingen, die goed zijn. Hun geloof was terecht alom beroemd, en zij waren reeds voorbeelden der gemeenten, toch wenste de apostel dat zij nog uitnemender mochten worden en nog groter vorderingen in heiligheid maken.
A. Ook de uitnemendsten komen tekort in volmaking. Juist de besten onder ons moeten de dingen vergeten, die achter zijn, en zich uitstrekken naar de dingen, die voor zijn.
B. Het is niet genoeg dat wij blijven in het geloof des Evangelies, wij moeten overvloedig worden in de werken des geloofs. Wij moeten niet alleen volharden tot het einde, maar wij moeten beter worden en meer en meer in gemeenschap met God wandelen.
3. De argumenten, waarmee Paulus deze vermaning aandringt.
A. Hun plicht is hun bekend gemaakt. Zij wisten den wil van hun hemelsen Meester en konden ter verontschuldiging gene onwetendheid voorwenden. Evenals het geloof is de kennis dood zonder de werken. Zij hadden van degenen, die hen tot het Christendom gebracht of hen daarin onderwezen hadden, vernomen hoe zij moeten wandelen. De bedoeling van het Evangelie is niet enkel de mensen te leren wat zij hebben te geloven, maar ook hoe zij moeten leven, niet zozeer de hoofden der mensen op te vullen met regelen dan wel hun geest en gedrag te veranderen. De apostel leerde hen hoe te werken, niet hoe te praten. Mooi praten zonder goed werken zal ons niet nader tot den hemel brengen, de eigenaardigheid van hen, die in Christus Jezus zijn, is: Zij wandelen niet naar het vlees, maar naar den Geest.
B. Een andere beweegreden is dat de apostel hen geleerd en vermaand had in den naam en op gezag van den Heere Jezus Christus. Hij was Christus' dienaar en gezant, die hun verklaarde wat de wil en het bevel van den Heere Jezus was.
C. Verder: Hierdoor zouden zij God behagen. Heilige wandel is den heiligen God welbehaaglijk, want Hij is heerlijk in heiligheid. Dat moet het doel en het verlangen van iedere Christen zijn, Gode te behagen en door Hem aangenomen te worden. Wij moeten niet zijn mensenbehagers of behagers van het vlees, maar wij moeten zo wandelen dat wij God behagen. D. De regel naar welken zij moesten wandelen was: de bevelen, welke wij u gegeven hebben door den Heere Jezus, vers 2. Dat waren de bevelen van den Heere Jezus zelven, door zijn wil en gezag gegeven en derhalve hem aangenaam. De apostelen van Jezus Christus waren door Hem afgevaardigd alleen om de mensen te leren onderhouden alles, wat Hij hun geboden had, Mattheus 28:20. Ofschoon zij door Christus met groot gezag bekleed waren, was dat alleen om de mensen te leren wat Christus geboden had, niet om uit zich zelven bevelen te geven. Zij mochten niet handelen als heerschappij voerend over het erfdeel des Heeren. 1 Petrus 5:3, en dat mag niemand onder voorwendsel van hun opvolger te zijn. De apostel kon zich op de Thessalonicenzen beroepen, die wisten dat hij hun geen andere bevelen gegeven had, dan die hij van den Heere Jezus had ontvangen.
II. Ene waarschuwing tegen onzedelijkheid, een zonde, die zo lijnrecht tegenover heiligmaking staat en het tegenovergestelde is van den heiligen wandel, waartoe hij hen zo ernstig vermaande.
1. Zij is vervat in deze woorden: Dat gij u onthoudt van de hoererij, vers 3, waaronder wij te verstaan hebben alle onzedelijkheid zowel in den huwelijken staat als daarbuiten. Overspel is daarin natuurlijk ook begrepen, ofschoon alleen hoererij genoemd wordt. En alle andere soorten van onzedelijkheid worden hier evenzeer verboden, waarvan het zelfs schande is te spreken, ofschoon ze door maar al te velen in het geheim gepleegd worden. Al wat staat tegenover kuisheid van hart, mond en gedrag is tegen Gods gebod in de wet en tegen de heiligheid, die het Evangelie vordert.
2. Er zijn verscheidene redenen om deze vermaning te steunen.
A. Deze tak van heiligmaking is in het bijzonder de wil van God, vers 3. Het is in het algemeen Gods wil, dat wij heilig zullen zijn, omdat Hij die ons roept, heilig is, en omdat wij tot de zaligheid geroepen zijn door heiligmaking des Geestes. En niet alleen eist God heiligheid des harten, maar ook reinheid des lichaams, en dat wij ons zullen reinigen van alle onreinheid beide des lichaams en des geestes, 2 Corinthiërs 7:1. Waar het lichaam is, gelijk het behoort te zijn, gewijd aan God, en voor Hem en Zijn dienst afgezonderd, daar moet het rein en heilig voor Zijn dienst bewaard blijven. En gelijk de kuisheid een deel van onze heiligmaking is, zo is zij ook door God geboden in Zijne wet, en wordt zij door genade gewerkt in de harten Zijner gelovigen.
B. Dat zal ons grotelijks tot eer verstrekken, zoals duidelijk is aangetoond in vers 4. Het tegenovergestelde brengt ons zeer grote oneer. Zijn smaad zal niet uitgewist worden, Spreuken 6:33. Het lichaam wordt hier genoemd het vat der ziel, welke daarin woont, 1 Samuël 21:5, en het moet vrijgehouden worden van bezoedelende lusten. Ieder moet in dit opzicht zorgvuldig zijn, indien hij zijn eigen eer op prijs stelt en zich niet veroordelenswaardig maken wil, dat zijn lagere lusten en hartstochten niet de overhand verkrijgen, zijn reden en geweten tiranniseren en de betere vermogens zijner ziel tot hun slaven maken. Want wat kan voor een redelijke ziel groter oneer zijn dan dat ze slavin wordt van lichamelijke aandoeningen en dierlijke lusten?
C. De zonden der onzedelijkheid toelaten is leven en handelen gelijk de heidenen. Gelijk de heidenen, die God niet kennen, vers 5. De heidenen, en wel met name de Grieken, stonden schuldig aan verscheidene zonden van onzedelijkheid, die niet zo duidelijk door het licht der rede verboden zijn. Maar zij kenden God en Zijn wil en Zijn gebod niet, zoals de Christenen hem kennen en behoren te kennen, namelijk dat de zedelijkheid in hart en wandel een voornaam deel van onze heiligmaking is. Het wekt daarom niet zoveel verwondering indien de heidenen hun vleselijke lusten en begeerten inwilligen, maar Christenen mogen niet wandelen als onbekeerde heidenen in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen, 1 Petrus 4:3, omdat zij, die van Christus zijn, het vlees gekruisigd hebben met zijne lusten en begeerlijkheden.
D. De zonde van onzedelijkheid, vooral de hoererij, is een grote belediging van God, die er de wreker van is. Dat toch is de zin der woorden in vers 6. Dat dan niemand zijnen broeder vertrede of bedriege in zijne handeling, en tooi pragmati, in deze handeling, waarvan de apostel in het voorgaande en de volgende verzen spreekt, namelijk in de zonde der onzedelijkheid. Sommigen verstaan deze woorden als waarschuwing en vermaning tegen onrecht en verdrukking, bedrog en oneerlijkheid in onzen omgang met mensen, en deze zonden zijn ook zeker zeer boos en tegen het Evangelie. De Christenen mogen geen misbruik maken van de onwetendheid of de nooddruft van degenen, met wie zij in aanraking komen, en hen op die wijze onderdrukken, evenmin mogen zij door misleiding of leugen hun schade berokkenen. Ook moeten zij bedenken, dat een leugen soms lang verborgen blijven kan en daardoor niet door de mensen bestraft worden, maar dat in elk geval een rechtvaardig God de vergelding geven zal. Maar de bedoeling hier is, dat er dikwijls onrecht en vertreding plaatsvindt door de zonden van onzedelijkheid. Niet alleen zijn hoererij en andere zonden van onzedelijkheid misdrijven tegen het lichaam van hem, die ze begaat, 1 Corinthiërs 6:18, niet alleen zijn ze zeer nadelig voor lichaam en ziel beide van den zondaar zelf, maar ze zijn niet minder beledigend en onrechtvaardig jegens anderen, voornamelijk jegens de echtgenoten en de nakomelingschap van de overtreders. En daar deze zonde van zo kwaadaardigen aard is, zal God als wreker optreden. Hoereerders en overspelers zal God oordelen, Hebreeën 13:4. Dit had de apostel gewaarschuwd en vastgesteld door zijn Evangelie, hetwelk, evenals het grote en heerlijke beloften bevatte, zo ook van den hemel openbaarde den toorn Gods tegen alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, Romeinen 1:18.
E. De zonde der onzedelijkheid is tegen de natuur en het doel van onze Christelijke roeping: Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking, vers 7. De wet van God verbiedt alle onreinheid, en het Evangelie eist de hoogste reinheid, het roept ons van onreinigheid tot heiligmaking.
F. De toorn Gods wordt daarover zowel in wet als in Evangelie geopenbaard. Hij, die dat veracht, veracht God. Sommigen mogen het wellicht niet zo nauw nemen met de voorschriften van reinheid en heiligheid, omdat zij die van mensen vernamen, die met hen gelijk staan, maar de apostel brengt hun ter kennis dat het Gods geboden zijn, en dat de verkrachting daarvan gelijk stond met het verwerpen van God zelven. Hij voegt er aan toe: God heeft ons Zijn Heiligen Geest gegeven, en duidt daarmee aan dat alle onreinheid in bijzondere mate den Heiligen Geest beledigt, en Hem tergt om zich aan ons te onttrekken. De Heilige Geest werd ons gegeven om ons te wapenen tegen deze zonde en ons te helpen in het doden van deze daden des lichaams, opdat wij mogen leven, Romeinen 8:13.