Richteren 19:16-21
Hoewel er niet één van Gibea was, om deze in verlegenheid verkerenden Leviet vriendelijkheid te bewijzen, was er toch één in Gibea, die dit deed. Het was vreemd dat sommigen van die goddeloze lieden, die zoveel kwaad tegen hem en zijn bijvrouw op het oog hadden, als het geheel donker zou zijn, hen niet onder voorwendsel van vriendelijke gastvrijheid in hun huis genodigd hadden, ten einde nog betere gelegenheid te hebben, om hun schurkerij te volvoeren, maar zij waren òf niet vernuftig genoeg om zo listig te zijn, òf niet slecht genoeg om zo bedrieglijk te wezen. Of, misschien heeft niemand van hun afzonderlijk aan die goddeloosheid gedacht, vóór zij in de zwarte, donkere nacht bij elkaar kwamen om te beraadslagen over het kwaad, dat zij hun zouden aandoen. Als slechte mensen in verbond zijn met elkaar, dan maken zij elkaar nog slechter dan zij anders geweest zouden zijn. Toen de Leviet, zijn vrouw en zijn dienaar begonnen te vrezen, dat zij de hele nacht op straat zouden moeten blijven, (en even goed zou het geweest zijn om in een leeuwekuil te liggen) werden zij eindelijk genodigd in een huis te komen. En hier wordt ons gezegd:
I. Wie de vriendelijke oude man was, die hen nodigde. Hij was een man van het gebergte van Efraïm, en verkeerde slechts als vreemdeling te Gibea, vers 16. Van alle stammen Israëls was er voor de Benjaminieten de meeste reden om vriendelijk te zijn voor arme reizigers, want hun voorvader, Benjamin, was op de weg geboren, daar zijn moeder toen op reis was, en zich zeer dicht bij deze plaats bevond, Genesis 35:16, 17. Maar zij waren hard voor een reiziger in kommer en verlegenheid, terwijl een eerlijk, rechtschapen Efraïmiet medelijden met hem had, en zeker nog te meer vriendelijk voor hem was, toen hij op zijn vraag vernam, dat hij een landgenoot was, evenals hij van het gebergte Efraïm. Hij, die zelf slechts als vreemdeling in Gibea verkeerde, had daarom te meer medelijden met een reiziger, want hij kende het gemoed van de vreemdeling, Exodus 23:9, Deuter. 10:19. Godvruchtige mensen, die zichzelf slechts als vreemdelingen en bijwoners in deze wereld beschouwen, moeten daarom meedogend zijn voor elkaar, want zij behoren allen tot het betere land, en zijn hier niet thuis.
1. Hij was een oud man, één die nog iets van de wegstervende deugd van een Israëliet had behouden, het opkomend geslacht was geheel verdorven, zo er nog iets goeds onder hen was, dan was het alleen in hen die oud waren en weldra heengegaan zouden zijn.
2. Hij kwam tegen de avond terug van zijn werk in het veld. De avond roept de arbeiders naar huis, Psalm 104:23. Maar het schijnt dat dit de enige arbeider was, die deze avond thuis bracht naar Gibea. De anderen hadden zich aan traagheid en weelderigheid overgegeven, en geen wonder dat er onder hen, evenals in Sodom, overvloed van onreinheid was, daar er evenals in Sodom, overvloedige ledigheid was, Ezechiël 16:49. Maar hij, die zich de gehele dag naarstig had toegelegd op zijn werk, was `s avonds geneigd om aan deze arme vreemdelingen edelmoedig gastvrijheid te betonen. Laat de mensen "arbeiden opdat zij hebben mee te delen degenen, die nood heeft," Efeziers 4:20. Uit vers 21 blijkt dat hij een man van enige welvaart was, en toch was hij zelf in het veld aan het werk geweest. De bezitting of het aanzien van een man geeft hem geen recht om lui of ledig te zijn.
II. Hoe gul hij was in zijn uitnodiging. Hij wachtte niet totdat zij hem om een nachtverblijf verzochten, maar toen hij hen zag, vers 17, vroeg hij naar hun omstandigheden, en kwam hun voor met zijn vriendelijkheid: aldus antwoordt onze God eer wij roepen. Een barmhartige gezindheid verwacht slechts gelegenheid, geen drang om goed te doen, en zal op het eerste gezicht helpen, zonder er toe aangezocht te worden. Vandaar dat wij lezen van "goed van oog" te zijn, Spreuken 22:9. Indien Gibea als Sodom was, dan was deze oude man als Lot in Sodom, die in de poort zet om vreemdelingen naar binnen te nodigen, Genesis 19:1. Aldus "opende Job zijn deuren voor de reiziger en wilde niet dat de vreemdeling op de straat zou overnachten," Job 31:32.
Merk op:
1. Hoe geredelijk hij geloof schonk aan hetgeen de Leviet hem omtrent zichzelf mededeelde, toen hij geen reden zag om aan de waarheid er van te twijfelen. De barmhartigheid is niet wantrouwig, "maar hoopt alle dingen," 1 Corinthiers 13:7, en zal geen gebruik maken van Nabals verontschuldiging voor zijn gierigheid jegens David: "Daar zijn heden vele knechten, die zich afscheuren elk van zijn heer," 1 Samuël 25:10. In zijn mededeling omtrent hemzelf zegt de Leviet, dat hij nu naar het huis des Heeren trok, vers 18, want daar was hij voornemens te komen, hetzij met een zondoffer voor de zonden van zijn gezin, of met een dankoffer voor de goedertierenheden over zijn gezin, of met beide, eer hij naar zijn eigen huis ging. En indien de mannen van Gibea er kennis van droegen, dat hij daarheen op weg was, dan waren zij daarom reeds niet geneigd hem gastvrijheid te verlenen. de Samaritanen wilden Christus niet ontvangen, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem, Lukas 9:53. Maar juist om die reden, dat hij een Leviet was en naar het huis des Heeren trok, was deze goede oude man nog zoveel vriendelijker voor hem. Aldus ontving hij een discipel in de naam van een discipel, een dienstknecht Gods om zijns Meesters wil.
2. Hoe gul hij was in zijn gastvrijheid. De Leviet was zelf voorzien van alle benodigdheden, vers 19, had niets nodig dan een nachtverblijf, maar zijn edelmoedige gastheer wilde zelf in zijn onderhoud voorzien, vers 20. Al wat u ontbreekt is bij mij, en hij bracht hem in zijn huis, vers 21. Aldus zal God op de een of andere wijze vrienden verwekken voor Zijn volk en Zijn dienstknechten, zelfs als zij geheel verlaten schijnen te zijn.