1 Samuël 9:3-10
Hier is:
I. Een groot man, uit een klein begin tot hoog aanzien gekomen. Het blijkt niet dat Saul enigerlei ambt of waardigheid bekleedde vóór hij tot koning van Israël was verkoren. De meesten, die tot aanzien komen, klimmen langzamerhand op, maar Saul is, op gelijke voet met zijn naburen, zijnde, opeens ten troon verheven, overeenkomstig het woord van Hanna, Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, 1 Samuël 2:8. Saul scheen, hoewel hij gehuwd was en volwassen kinderen had, in het huis zijns vaders te hebben gewoond en aan hem onderworpen te zijn geweest. De bevordering komt niet bij geval, noch naar menselijke berekening, maar God is Rechter.
II. Een grote gebeurtenis, voortkomende uit nietige voorvallen. Hoe laag begint de geschiedenis! Ga Saul na totdat hij op de troon komt, en wij vinden hem bezig met zo gering een werk als waar wij ooit iemand mee bezig gevonden hebben, die tot groot aanzien stond te komen.
1. Sauls vader zendt hem met een van zijn knechten om enige ezelinnen te gaan zoeken, die hij verloren had. Zij hadden toen wellicht geen middel om openlijk kennis te geven van zulk of zo'n aantal ezelinnen verdwaald, of gestolen van het erf van Kis, de Benjaminiet.
Zij hadden een zeer goede wet, die de mensen verplichtte om een os, of een ezel, die verdwaald was, terug te brengen aan de eigenaar, maar het is te vrezen dat die wet, evenals andere goede wetten, veronachtzaamd werd, of in vergetelheid was geraakt.
Het is gemakkelijk hier op te merken dat zij, die hebben, moeten verwachten te verliezen, dat het verstandig is het verlorene te zoeken, dat niemand het beneden zich moet achten om de staat of toestand van zijn kudde te kennen, dat kinderen ijverig gezind moeten zijn om de belangen hunner ouders te dienen en te bevorderen.
Saul ging bereidwillig heen om de ezelinnen zijns vaders te zoeken, vers 3, 4.
Zijn zorg voor de ezelinnen wordt toegeschreven, niet zozeer aan de nederigheid van zijn aard, als wel aan de eenvoudigheid van zeden in die tijd. Maar zijn gehoorzaamheid aan zijn vader is zeer prijzenswaardig. Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is, gehoorzaam en eerbiedig is Jegens zijn meerderen, bereid om zich neer te buigen en zich moeite te geven?
Hij zal, zoals Saul, op weg zijn naar bevordering. De dienaar van Kis zal getrouw zijn, doch slechts als dienaar, maar Saul als een zoon, in zijn eigen zaak, zijn eigen bedrijf, en daarom heeft Kis hem mee gezonden.
Saul en zijn knecht hebben waarschijnlijk te voet gereisd, en zijn ver gegaan om de ezelinnen te zoeken, maar tevergeefs, zij vonden ze niet. Wat hij zocht, ontging hem, maar hij had geen reden van klagen over de teleurstelling, want hij vond een koninkrijk, waarvan hij nooit gedroomd had. Toen hij ze niet kon vinden, besloot hij om terug te gaan tot zijn vader, vers 5, uit aanmerking van zijns vaders bezorgdheid over hem, denkende dat zo zij langer uitbleven, zijn vader zou beginnen te vrezen, zoals Jakob betreffende Jozef, dat een wild dier hen had verslonden of dat hun een ander ongeluk overkomen was dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate en voor ons bekommerd zij, hoe bezorgd hij ook om de ezelinnen geweest is. Kinderen moeten zorgdragen, dat zij niets doen om hun ouders te kwellen of te beangstigen, en hun tederheid met gelijke tederheid belonen.
2. Zijn dienaar stelde voor, (want het schijnt dat hij Godsdienstiger gezind was dan zijn meester) dat zij, nu te Rama zijnde, tot Samuël zouden gaan, om zijn raad nopens deze gewichtige zaak in te winnen.
Merk hier op:
A. Dat zij dicht bij de stad waren, waar Samuël woonde, en dat dit het hun in de gedachten bracht om hem te raadplegen, vers 6. Daar is een man Gods in deze stad. Waar wij ook zijn, overal moeten wij van de gelegenheid gebruik maken, om bekend te worden met hen, die wijs en Godvruchtig zijn. Maar er zijn velen, die wel een man Gods willen raadplegen als hij zich op hun weg bevindt, maar geen stap buiten hun weg zouden gaan om wijsheid te verkrijgen.
B. De dienaar sprak met zeer veel eerbied van Samuël hoewel hij hem persoonlijk niet kende maar slechts van hem gehoord had. Hij is een man Gods, en hij is een geëerd man.
Mannen Gods zijn geëerde, eerbare mannen, en behoren dit te wezen in onze ogen. Bekendheid met de dingen Gods, en het dienstig zijn in het koninkrijk Gods maken de mensen eerwaardig en groot. Dit was de eer van Samuël als man Gods, dat al wat hij spreekt zeker komt. Dit werd opgemerkt omtrent hem, toen hij een profeet was geworden, Hoofdstuk 3:19. De HEERE liet niet een van al zijn woorden op de aarde vallen, en zo was het nu nog.
3. Zij komen overeen om hem te raadplegen betreffende de weg, waarop zij gaan zullen misschien zal hij ons onze weg aanwijzen. Al het gebruik dat zij van de man Gods wilden maken, was, zich door hem raad te laten geven, of zij naar huis zouden terugkeren, of, zo er hoop was de ezelinnen te vinden, welke weg zij dan moesten inslaan-een armzalige zaak om er een profeet voor te gebruiken!
Hadden zij gezegd: "Laat ons de ezelinnen nu maar als verloren beschouwen, doch nu wij zo in de nabijheid van de man Gods zijn, laat ons tot hem gaan om van hem de goede kennis Gods te leren, laat ons hem om raad vragen hoe onze weg wèl aan te stellen, en de wet uit zijn mond vragen, daar wij misschien nooit meer zo'n gelegenheid hiertoe zullen hebben, en dan zullen wij onze reis niet tevergeefs hebben gedaan."
Zulk een voorstel zou Israëlieten betaamd hebben, maar de profetie, deze heerlijkheid en roem van Israël, tot zo laag en gering een doeleinde te doen dienen, toonde maar al te zeer van wat geest en gezindheid zij waren. De meeste mensen zouden zich liever de toekomst laten voorspellen, dan dat men hun zegt wat hun plicht is, zouden liever willen horen hoe rijk te worden, dan hoe zalig te worden.
Indien het het werk ware van mannen Gods om raad te geven hoe verloren ezelinnen weer te vinden, zij zouden veel meer geraadpleegd worden, dan nu het hun roeping is verloren zielen te zoeken-zo dwaas, zo ongerijmd is de zorg van de meeste mensen!
4. Saul dacht er over na welk geschenk zij de man Gods zouden brengen, welk loon zij hem zouden geven voor zijn raad, vers 7. Wat zullen wij toch die man brengen? Zij konden hem geen broden en koeken brengen, zoals Jerobeams huisvrouw aan Ahia heeft gebracht, 1 Koningen 14:3, want hun brood was op.
Maar de dienaar bedacht, dat hij het vierde van een zilveren sikkel in zijn zak had (omstreeks f 0.375 van ons geld), en dat wilde hij de man Gods geven, om hun de weg te wijzen, vers 8. "Dat is genoeg", zegt Saul, "laat ons gaan, vers 10.
Sommigen denken dat toen Saul er sprak om aan Samuël een beloning te geven, hij hem afmat naar zichzelf, of naar zijne, dat is Samuëls zonen, alsof hij ervoor betaald moest worden, om aan een eerzaam Israëliet een dienst te bewijzen, en was gelijk de valse profeten, "die waarzeggen om geld", Micha 3:11. Hij kwam tot hem als tot een waarzegger, veeleer dan als tot een profeet, en daarom dacht hij, dat het vierde deel van een sikkel genoeg was om hem te geven.
Maar het schijnt veeleer in overeenstemming te zijn met het algemeen gebruik van die tijd, evenals met de natuurlijke billijkheid, dat zij die geestelijke dingen zaaiden, niet slechts eeuwige dingen zouden oogsten van Hem, die hen in Zijn dienst gebruikt, maar ook tijdelijke dingen van hen ten wier behoeve zij gebruikt worden.
1 Samuël had hun geld niet nodig, en hij zou hun ook zijn raad niet geweigerd hebben, al hadden zij het hem niet gebracht (waarschijnlijk heeft hij het, toen hij het had aan de armen gegeven), maar zij brachten het hem als een teken van hun eerbied en van de waarde, die zij aan zijn ambt hechtten, en hij heeft ook niet geweigerd het aan te nemen, want zij konden het geven, en hoewel het weinig was, het was als het penningske van de weduwe, alles wat zij hadden.
Maar gelijk Saul er niet aan gedacht zou hebben, om tot de man Gods te gaan als zijn knecht het niet had voorgeslagen, zo schijnt hij het ontbreken van een geschenk als een bezwaar te opperen tegen hun gaan, hij wilde niet erkennen, dat hij geen geld bij zich had, maar toen zijn dienaar edelmoedig aanbood de kosten te dragen, toen zei Saul: uw woord is goed, kom, laat ons gaan. De meeste mensen houden van een goedkoper Godsdienst, en houden er het meest van, als zij de onkosten er van op anderen kunnen schuiven.
5. De geschiedschrijver neemt hier nota van de naam, die toen aan de profeten gegeven werd, zij noemden hen zieners of ziende mannen, vers 9, de naam profeet werd toen ook wel aan die personen gegeven, maar zieners was meer algemeen in gebruik. Zij, die profeten zijn, moeten eerst zieners wezen, zij, die tot anderer van de dingen Gods spreken, moeten zelf een inzicht hebben in die dingen.