1 Samuël 7:3-5
Wij kunnen wel met verwondering vragen waar Samuël was, en wat hij gedurende al die tijd gedaan heeft, want wij zagen niet eens zijn naam vermeld sedert Hoofdstuk 4:1. Niet, alsof hem de dingen niet aangingen, maar van zijn arbeid onder het volk wordt geen melding gemaakt voordat de vruchten er van gezien werden. Toen hij bemerkte dat zij begonnen de HEERE achterna te klagen, smeedde hij het ijzer terwijl het heet was en als een getrouw dienstknecht Gods en een trouw vriend van het Israël Gods, trachtte hij twee dingen voor hen te doen.
I. Hij poogde scheiding te maken tussen hen en hun afgoden, want daarmee moet de hervorming, de bekering, beginnen. Hij sprak tot het gehele huis Israëls, vers 3, gaande, naar het schijnt, van plaats tot plaats als een reizend prediker, (want wij bevinden niet dat zij bijeenvergaderd werden tot aan vers 5) en overal waar hij kwam, luidde zijn vermaning: Indien gij ulieden met uw gehele hart tot de Heere bekeert, waartoe gij geneigd schijnt door uw treuren wegens uw afwijken van Hem, en Zijn afwijken van u, zo weet":
1. Dat gij uw afgoden moet verzaken en verlaten, de vreemde goden uit het midden van u moet wegdoen, want uw God duldt geen mededinger, doet ze van u weg, ieder van zich ja doet ze weg uit het midden van u, doet wat gij kunt in uw plaatsen om ze het land uit te krijgen. Doet de Baäls weg, de vreemde goden, en Astaroth, de vreemde godin", want ook deze hadden zij. Of, Astaroth wordt inzonderheid genoemd, omdat zij de meest beminde afgod was, waaraan zij het meest gehecht waren. Ware bekering treft de boezemzonde, en zal met bijzonderen ijver en vastberadenheid deze wegdoen, de zonde, die het meest lichtelijk omringt.
2. "Dat gij er heilig werk van moet maken om weer te keren tot God, dit moeten doen met ernstig nadenken en een standvastig besluit, want dit is begrepen in het hart te richten tot de HEERE. "
3. "Dat gij geheel en al voor God moet zijn voor Hem, en voor geen ander, dient Hem alleen, want anders dient gij Hem in het geheel niet, dient gij Hem niet op welbehaaglijke wijze."
4. "Dat dit de enige en zekere weg is om voorspoed en verlossing te verkrijgen. Neemt die maatregel, en Hij zal u uit de hand van de Filistijnen rukken, want het was omdat gij Hem hebt verlaten en andere goden zijt gaan dienen dat Hij u in hun handen heeft overgeleverd. Dit was de strekking van de prediking van Samuël, en zij had een verwonderlijk goede uitwerking, vers 4, zij deden de Baäls en de Astaroth weg, verlieten er niet slechts de aanbidding van, maar vernielden er de beelden van braken hun altaren af, en gaven ze geheel op, Wat hebben wij meer met de afgoden te doen? Hosea 14:9.
II. Hij poogde hen voor altijd aan God en Zijn dienst te verbinden. Nu hij hen in een goede gezindheid zag, deed hij al wat hij kon om er hen in te houden.
1. Hij roept geheel Israël op, tenminste door hun oudsten, als hun vertegenwoordigers om met hem samen te komen te Mizpa, vers 5, en hij beloofde daar voor hen te zullen bidden. En wel was het voor hen van de moeite waard om zelfs van de verst-verwijderde delen des lands te komen, om zich met Samuël te verenigen in het zoeken van Gods gunst. Leraren moeten bidden voor hen, voor wie zij prediken dat God door Zijn genade de prediking van kracht en uitwerking zal maken. En als wij in onze vergaderingen ter Godsverering bijeenkomen, dan moeten wij bedenken dat wij er evengoed samenkomen om ons te verenigen in het gebed tot God, als om de leerrede aan te horen. Hij wilde voor hen bidden dat zij door Gods genade van hun afgoden gescheiden zullen worden, en dat zij dan door Gods voorzienigheid verlost zullen worden van de Filistijnen. Leraren zouden hun gemeenten meer goed doen, als zij meer voor haar baden.
2. Zij gehoorzamen aan zijn oproeping, en komen niet slechts ter vergadering, maar komen er naar de bedoeling er van, en zij schijnen zeer welgezind te zijn, vers 6.
A. Zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN, hiermede te kennen gevende:
a. Hun verootmoediging en hun berouw over de zonde, erkennende als water te zijn, dat op de grond is uitgestort, en niet weer verzameld wordt, 2 Samuël 14:14. Zo gering, zo ellendig voor God, Psalm 22:15. De Chaldeër geeft hier de lezing: Zij stortten hun hart uit in berouw voor het aangezicht des HEEREN. Zij weenden stromen van tranen, en hadden droefheid naar God, want het was voor het aangezicht des Heeren, met het oog op Hem.
b. Hun vurige gebeden en smekingen tot God om genade. In het gebed wordt de ziel voor God uitgestort, Psalm 62:9.
c. Hun algemene bekering, aldus drukten zij hun bereidwilligheid uit om van al hun zonden te scheiden, en niets meer van de smaak of geur er van te behouden dan het vat behoudt van het water nadat dit er uit gestort is. Zij waren volledig in hun belijdenis van schuld en vastberaden in hun besluit om al hun overtredingen van zich te werpen. Israël werd hier als het ware door een doop van afgoderij gereinigd, zegt Dr. Lightfoot.
d. Sommigen denken dat het hun vreugde te kennen geeft in de hoop van Gods genade, waarvan Samuël hun had verzekerd. Deze plechtigheid werd in die betekenis verricht op het Loofhuttenfeest Johannes 7:37, 38, zie ook Jesaja 12:3. Als het in die betekenis wordt genomen, dan moet het aldus gelezen worden: Zij schepten water nadat zij hadden gevast. Aan het einde hunner verootmoediging hebben zij aldus hun hoop uitgedrukt op vergeving en verzoening.
B. Zij vastten, onthielden zich van spijs drank, zij verootmoedigden hun ziel, ten einde hun vromen ijver te meer op te wekken.
C. Zij deden een openbare belijdenis van hun zonde: wij hebben tegen de HEERE gezondigd, gevende de eer aan God en erkennende, dat hunner de beschaamdheid des aangezichts is. En indien wij aldus onze zonden belijden, dan zullen wij God getrouw en rechtvaardig bevinden om ons onze zonden te vergeven.
3. Samuël richtte hen te dier tijd te Mizpa dat is: hij verzekerde hun in de naam van God van de vergeving hunner zonden op hun berouw, en dat God met hen verzoend was. Het was een richten of oordelen van kwijtschelding. Of, hij ontving berichten nopens hen, die hun afgoden niet verlieten, en handelde met hen naar de wet. Hen, die zichzelf niet wilden richten, heeft hij gericht.
Of, nu vestigde hij gerechtshoven onder hen, en bepaalde de ommegangen, ter bedeling van het recht, die hij later volbracht, vers 16.
Thans bracht hij die raderen in beweging, en, terwijl hij tevoren slechts als profeet heeft gehandeld, begon hij nu als magistraat te handelen, om te voorkomen dat zij terugvielen in de zonden, die zij nu schenen verzaakt te hebben.