Richteren 21:1-15
In deze verzen kunnen wij opmerken:
I. De vuriger ijver, waaraan de Israëlieten uitdrukking hadden gegeven tegen de goddeloosheid van de mannen van Gibea, ondersteund en in bescherming genomen door de stam van Benjamin. Er is hier aanleiding om twee voorbeelden te noemen van hun ijver bij die gelegenheid, die wij tevoren niet ontmoet hebben.
1. Toen de algemene vergadering van de staten samenkwam, en wachtte tot zij voltallig was eer zij een besluit namen, verbonden zij zich met een zwaren eed, die zij gerem noemden om al de steden ten enenmale te verwoesten, die geen vertegenwoordigers en geen contingent van troepen naar de algemene vergadering had gezonden, of hen veroordeeld tot allen vloek, die dit geweigerd zouden hebben, vers 5, want die weigeraars zouden zij beschouwer als personen, die niet vertoornd of verontwaardigd waren over de gepleegde misdaad, geen zorg hadden om de natie te beveiligen tegen de oordelen Gods door de bedeling van het recht en geen acht sloegen op het gezag, dat hen met eenparigheid van stemmen ter vergadering opriep.
2. Toen zij bij elkaar waren en de zaak hadden onderzocht, hebben zij nog een plechtigen eed gezworen, dat niemand van al de duizenden Israëls, toen tegenwoordig, en niemand van hen, die zij vertegenwoordigden (daar zij niet bedoelden het nageslacht te binden) een dochter aan een Benjaminiet ten huwelijk zou geven, als hij het kon beletten, vers 1. Dit werd tot een artikel gemaakt van hun krijgswet, niet met het doel om de stam uit te roeien, maar omdat zij hen, die de bedrijvers en de medeplichtigen waren van deze schanddaad, in alle opzichten wilden behandelen zoals zij de gevloekte volken van Kanaän behandeld hebben, die zij niet slechts verplicht waren te verdelgen, maar met wie het hun verboden was een huwelijk aan te gaan, en inzonderheid omdat zij hen onwaardig achtten om een dochter Israëls te huwen, die zo barbaars en beledigend met een lid van de zwakkere kunne gehandeld hadden, daar niets meer laag en onmenselijk kon zijn en een stelliger aanduiding van een gemoed, dat voor alle eer en deugd gesloten was. Wij kunnen onderstellen dat het zenden van de delen van het lichaam aan de onderscheiden stammen door de Leviet zeer veel heeft bijgedragen om die toorn in hen te ontsteken, veel meer dan het blote verhaal van de feiten, al was het nog zo sterk bevestigd, gedaan zou hebben. Zo zeer doet het oog het hart aan.
II. De diepe smart, die de Israëlieten te kennen gaven wegens de verwoesting van de stam van Benjamin, toen zij geschied was. Hoe hoog de vloed van hun toorn over Benjamins misdaad tevoren ook gerezen was, de vloed hunner smart over zijn verderf rees even hoog.
Het berouwde de kinderen Israëls over Benjamin hun broeder, vers 6, 15. Zij hebben geen berouw gehad over hun ijver tegen de zonde, er is een heilige verontwaardiging tegen zonde, de vrucht van droefheid naar God, die "een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt", 2 Corinthiers 7:10, 11.
Maar het berouwde hun over de droeve gevolgen van hetgeen zij gedaan hadden, dat zij verder in de zaak gegaan waren dan rechtvaardig of noodzakelijk was. Het zou genoeg zijn geweest zo zij allen omgebracht hadden die zij vonden met de wapens in de hand, maar zij hadden de landbouwers en schaapherders niet behoeven te doden, noch de vrouwen en kinderen. Er kan zelfs in weldoen een te veel doen zijn. Er moet zeer veel zorg aangewend worden in het besturen van onze ijver, opdat hetgeen bovennatuurlijk scheen in de oorzaken niet onnatuurlijk zal blijken te zijn in de uitwerking. Het is geen goede Godsvrucht, die het menselijke verslindt. Menige oorlog, die goed was begonnen, is slecht geëindigd.
Zelfs het uitoefenen van noodzakelijke gerechtigheid moet nog met mededogen gepaard gaan. God verlustigt zich niet in te straffen, en dat moeten wij ook niet. Sterke hartstochten geven aanleiding tot berouw. Wat wij zeggen en doen in drift, zullen wij bij kalmer nadenken gewoonlijk ongedaan wensen.
Volgens het gebruik onder de Romeinen moesten in geen burgeroorlog overwinningen met een zegetocht gevierd worden, omdat, welke partij de bovenhand ook heeft behouden, de gemeenschap, het vaderland, er toch door verliest, zoals hier een stam van Israël gemist werd. Welk goed doet het aan het lichaam, als het ene lid het andere verplettert?
Hoe hebben zij nu hun smart te kennen gegeven?
A. Door hun rouw over de breuk, die gemaakt was. Zij kwamen in het huis Gods, want daarheen gingen zij met al hun twijfelingen al hun zorgen, al hun smart. Bij deze gelegenheid werd niet de stem van de vreugde en des loflieds gehoord, maar alleen die van rouwklaag en geween.
Zij hieven hun stem op en weenden met groot geween, vers 2, niet zozeer om de veertig duizend man, die zij zelf hadden verloren-deze zullen niet zo uit elf stammen gemist worden-maar om de algehele verwoesting van een hele stam, want dit was de klacht, die zij voor God uitstortten vers 3, een stam van Israël wordt gemist. God had zorggedragen voor iedere stam, hun getal twaalf was waarmee zij bekend waren, iedere stam had zijn bepaalde plaats in het leger, en zijn steen in de borstlap van de hogepriester. Iedere stam had zijn zegen, beide van Jakob en van Mozes, en het zou een ondraaglijke smaad voor hen zijn, wanneer een van dit doorluchtig twaalftal uitviel inzonderheid Benjamin, de jongste, die aan Jakob, hun aller stamvader zo bijzonder dierbaar was en voor wie alle anderer een bijzonder tedere zorg moesten hebben.
Benjamin is niet: wat zal er nu van Jakob worden? Benjamin een Benoni geworden, de zoon van de rechterhand een zoon van de smart! In deze droefheid des harten bouwden zij een altaar, niet in mededinging maar in gemeenschap met het verordineerde altaar aan de deur van de tabernakel, dat niet groot genoeg was om al de offers te bevatten die zij wilden brengen, want zij offerden brandoffers en dankoffers, om dankzegging te doen voor hun overwinning, en ook om verzoening te doen over hun eigen dwaasheid in het vervolgen er van, en de gunst van God af te smeken in hun tegenwoordige benauwdheid. Alles wat ons smart moet ons tot God brengen.
B. Door hun vriendelijk verdrag met de arme vluchtelingen, die zich bij de rotssteen van Rimmon schuil hielden, aan wie zij een acte van straffeloosheid zonden, hun verzekerende op de openbare trouw, dat zij hen niet langer als vijanden zouden behandelen, maar hen als broeders zouden ontvangen, vers 13. De onenigheid van vrienden behoort aldus te eindigen in de hernieuwing van de vriendschap. Zelfs zij, die gezondigd hebben, moeten, als zij eindelijk berouw tonen, vergeving erlangen en vertroost worden, 2 Corinthiers 2:7.
C. Door de zorg, die zij droegen om hen van vrouwen te voorzien, opdat hun stam wederom opgebouwd zou worden, en de bouwvallen er van hersteld zouden worden. Indien de mannen van Israël zichzelf hadden gezocht, zij zouden heimelijk vergenoegd zijn geweest met het uitsterven van Benjamins geslachten, want dan zou het hun toegewezen land aan de andere stammen zijn toegevallen, "ob defectum sanguinis-wegens gebrek aan erfgenamen", en gemakkelijk in bezit zijn genomen wegens gebrek aan bezitters, maar diegenen hebben de geest niet van ware Israëlieten, die hun eigen welstand willen opbouwen op de puinhopen van de welstand hunner naasten.
Zó ver was zo'n bedoeling van hen, dat alle hoofden zich inspanden om wegen en middelen te bedenken voor de wederopbouw van deze stam. Al de vrouwen en kinderen van Benjamin waren gedood, zij hadden gezworen hun dochters aan niemand hunner ten huwelijk te geven, het was door de wet Gods verboden, dat zij huwelijken zouden aangaan met de Kanaänieten, hen daartoe te noodzaken zou gelijk staan met hun te zeggen: gaat henen en dient andere goden.
Wat moeten zij dan doen om aan vrouwen voor hen te komen? Terwijl de arme, in benauwdheid verkerende Benjaminieten, die zich bij de rotssteen verborgen hielden, vreesden dat hun broederen hun verderf beraamden hebben deze een plan bedacht om hen te helpen, en wel dit:
a. Er moest een daad van noodzakelijke gerechtigheid geoefend worden op de stad Jabes in Gilead, die aan de stam van Gad behoorde, aan geen zijde van de Jordaan. Bij het nazien van de monsterrol (die opgemaakt was, Hoofdstuk 20:bleek dat na de algemenen oproep niemand uit die stad verschenen was, vers 8, 9, en er was besloten, vóór het nog bleek wie afwezig was, dat elke stad, die zich schuldig zou maken aan zo'n minachting van het openbaar gezag en belang als een anathema gehouden zou worden. Jabes in Gilead nu ligt onder dit strenge vonnis, dat volstrekt niet vernietigd mocht worden.
Zij, die in vele plaatsen de Kanaänieten hadden gespaard, die volgens Gods bevel aan het verderf overgegeven hadden moeten worden, konden het niet van zich verkrijgen, om hun broederen te sparen, die door hun eigen vloek aan het verderf waren gewijd. Waarom zonden zij geen mannen om de Jebusieten uit te roeien van Jeruzalem, om wie te mijden de arme Leviet genoodzaakt was naar Gibea te gaan? Hoofdstuk 19:11, 12.
De mensen zijn gewoonlijk ijveriger om hun eigen gezag dan om Gods gezag hoog te houden. Een afdeling krijgsvolk van twaalf duizend man wordt gezonden om het vonnis aan Jabes in Gilead ten uitvoer te leggen. Bevonden hebbende dat, toen heel het leger optrok naar Gibea, des volks door God te veel geacht werd, om hen in hun handen over te leveren, hebben zij nu op deze expeditie slechts weinigen uitgezonden, vers 10.
Hun opdracht luidt, dat zij allen verbannen moesten overeenkomstig de wet in Leviticus 27:29. Al "wat verbannen is, dat verbannen zal zijn van de mensen", die daartoe het gezag en de macht hebben, "zal niet gelost worden, het zal zeker gedood worden". b. Hierin wordt een middel gevonden om de Benjaminieten van vrouwen te voorzien. Toen Mozes hetzelfde aantal mannen uitzond om de wraak des Heeren aan Midian te doen, werden dezelfde orders gegeven als hier, namelijk dat alle gehuwde vrouwen met haar echtgenoten gedood moesten worden, als zijnde een met hen maar de maagden in het leven te laten, Numeri 31:17, 18.
Dit precedent volstond om het verschil te billijken, dat hier gemaakt werd tussen een gehuwde vrouw en een maagd, vers 11, 12. Vier honderd huwbare maagden werden te Jabes in Gilead gevonden, en deze werden aan even zovelen van de overlevende Benjaminieten gehuwd, vers 14.
Hare vaders waren niet tegenwoordig, toen de gelofte gedaan werd om geen Benjaminieten te huwen, zodat zij niet onder de verplichting er van waren, en behalve dat: oorlogsbuit ziende, waren zij ter beschikking van de overwinnaars.
Misschien was de verbintenis, die nu tussen Benjamin en Jabes in Gilead gemaakt werd, de reden waarom Saul, die een Benjaminiet was, zoveel belangstelling toonde voor die plaats, 1 Samuël 11:4, hoewel zij toen door nieuwe gezinnen bewoond was.