Maleachi 2:1-9
Wat in het vorige hoofdstuk gezegd is, gold de priesters, Hoofdstuk 1:6:Zegt de Here van de heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Aan de daar genoemde euveldaden waren zij schuldig als offeraars, en als zodanig konden zij het als verontschuldiging aanvoeren, dat zij offerden wat het volk bracht, en dat dus, als de offerdienst niet was wat ze wezen moest, het niet hun schuld was maar die des volks. Daarom wordt hier onderzocht naar de grond van die gewraakte verdorvenheid: de ontrouw waaraan de priesters schuldig waren als leraars des volks, als uitleggers van de wet en van de levende orakelen, en dit deel hunner bediening ligt nog op de schouders des Evangelie-bedienaren, die tot herders en leraars gesteld zijn zodat de vermaning van dit hoofdstuk in bijzondere zin hen aangaat. Indien de priesters het volk beter onderricht hadden zou het volk betere offeranden gebracht hebben, en daarom komt de blaam op het hoofd des priesters terug: "En nu, gij priesters! tot u alleen wordt dit gebod gezonden, vers 1, tot u, die het volk de rechte kennis moest geleerd hebben en gezegd, hoe het God behoorde te dienen." Zie, zij, die de kerken besturen, staan zelf onder Gods bestuur en zijn Hem verantwoording schuldig. Zelfs voor degenen, die bevelen, heeft God bevelen. Ja, vers 4, dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb. Zij zullen het weten,
1. Door de leiding des Geestes, die met het Woord medewerkt tot overtuiging en bekering, "gij zult zijn goddelijke oorsprong weten door Zijn uitwerking, vanwaar het komt door hetgeen het uitwerkt". Wanneer het Woord Gods het werk Gods in ons tot stand brengt en voortzet, dan worden wij overtuigd, dat Hij het heeft gezonden, dat het niet is het woord van Maleachi, Godsgezant, maar inderdaad Gods Woord, en niet alleen in het algemeen een roeping heeft maar ook bepaaldelijk ons bedoelt. Of,
2. Door de vervulling van de daarin uitgesproken bedreigingen: "Gij zult weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb, en Mijn gebod keert niet ledig weder."
Laat ons nu zien, wat dit gebod voor de priesters is, dat zij moesten kennen als tot hen gezonden, laat ons achtereenvolgens de artikelen van dit gebod nagaan.
I. Hier is een verhaal van het verbond, dat God met dat heilige volk gemaakt had, de zendbrief voor hun werk en de waarborg hunner eer: De Here van de heirscharen had tot hen een gebod gezonden, om Zijn verbond met hen te bevestigen, vers 4, want dit verbond wordt gezegd, het woord te zijn, "dat Hij ingesteld had" Psalm 105:8. En nu zendt Hij dit gebod door de profeet, om het andermaal te bevestigen opdat het niet, tot straf voor hun ontheiliging, afgesneden werde. Laat dus de zonen van Levi en vooral die van Aaron, weten, welke eer God hun toevertrouwd en op hen gelegd had, vers 5:Mijn verbond met hem was het leven en de vrede. Naast dit bijzonder verbond, met het huis Israëls gemaakt, bestond er nog een verbond van priesterschap met een familie, die de dienst zou waarnemen, en, als loon, alle voorrechten van dat priesterschap genieten. Gelijk Israël een bijzonder volk, een priesterlijk koninkrijk zou zijn, zo was het huis van Aaron, als een familie van priesters, ten deel gevallen, Zijn naam te dragen te midden van het volk gelijk dat volk Zijn naam moest dragen te midden van de natiën, beide. maar in verschillende graad, om de Naam des Heren ere te geven vers 2. God had een verbond met hen gemaakt als Zijn huisbedienden, hun de priesterlijke bediening opgedragen en beloofd, hen daarin te zullen erkennen en aan te nemen. Dit heet Zijn verbond van leven en vrede, omdat het tot steun van de godsdienst moest strekken, leven en vrede brengende aan de zielen van de mensen, het leven aan de doden en de vrede aan de ellendigen. Eveneens: wijl vrede en leven alle priesters beloofd waren, die hun plicht trouw en nauwgezet zouden vervullen, zij zouden vrede genieten, wat bewaring voor alle leed, en leven, wat de somma van alle goed beduidt. Wat hier van het verbond des priesterschaps gezegd wordt, is waar van het genadeverbond voor alle gelovigen, als geestelijke priesters, het is een verbond van leven en vrede, het verzekert alle gelovigen leven en vrede, eeuwig leven en eeuwige vrede, alle geluk beide in deze wereld en in de toekomende. Dit verbond werd gesloten met de gehele stam van Levi, die daardoor van de overige stammen werd afgezonderd en niet met hen geteld. Die stam werd "uit hunne broederen verkozen en gesteld over de tabernakel van de getuigenis," Numeri 1:49, 50 en krachtens deze verkiezing zegt God, Numeri 3:12:"de Levieten zullen Mijne zijn." Het werd gesloten met Aaron, toen hij en zijn zonen werden genomen "om Mij het priesterambt te bedienen," Exodus 28:1. Aaron wordt daarom genaamd " de heilige des Heren," Psalm 106:16. Het werd gesloten met Pinehas en zijn huis, een tak van dat van Aaron, bij een bijzondere gelegenheid, Numeri 25:12, 13. Daar, gelijk hier heet dat verbond des priesterschaps een verbond des vredes, omdat daardoor vrede tussen God en Israël werd gemaakt en bewaard. Deze grote zegeningen van vrede en leven, in dit verbond begrepen, gaf God hem, Levi, Aaron Pinehas, Hij beloofde hun en hun nakomelingschap leven en vrede, vertrouwde hun deze zegeningen hoe ten bate en ten diepste van Gods Israël, wij ontvingen, opdat wij mochten geven, gelijk Christus zelf, Psalm 68:19. Tot nadere beschouwing van dit verbond moeten wij opmerken
1. Op welke overwegingen het gegrond was. Ik gaf hem die, leven en vrede, tot een vreze, en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt, vers 5. De stam van Levi had een duidelijk bewijs van heilige vreze Gods en eerbied voor Zijn Naam gegeven, daar hij zo manmoedig tegen de aanbidders van het gouden kalf optrad, Exodus 32:26, om zijn ijver in deze zaak schonk God hem deze zegen en nodigde hem uit, zich aan God te wijden. Pinehas betoonde zich ijverig voor de eer des Heren en van Zijn oordelen, toen hij, om de plaag te doen ophouden, Zimri en Kozbi doorstak, Psalm 106:30, 31. Zie, zij en zij alleen, die Gods Naam vrezen, kunnen de zegeningen van het verbond van leven en vrede verwachten. En degenen, die bewijs geven van hun ijver voor God, zullen ongetwijfeld met de heerlijke voorrechten van het priesterschap van de gelovigen beloond worden. Sommigen lezen hierin niet een beschouwing, maar een voorwaarde van zegen: Ik gaf hun dat verbond, mits zij voor Mijn aangezicht vreesden. Als God ons leven en vrede schenkt, verwacht Hij, dat wij voor Hem vrezen zullen.
2. Wat de priesters door dit verbond was toevertrouwd, vers 7. Daar worden zij genoemd engelen (boodschappers) des Heren der heirscharen, boodschappers van dat verbond van leven en vrede, geen middelaars ervan, maar alleen boodschappers, gezanten, gebruikt om over de artikelen des vredes met Israël te spreken. De priesters waren de mond Gods voor het volk, van wie men het onderricht moest ontvangen overeenkomstig de levende Godsspraken. Deze bediening was Levi geschonken, omdat hij in zijn ijver voor God, "zijn broederen niet kende en zijn zonen niet achtte," daarom "zou hij Jacob Gods rechten leren," Deuteronomium 33:9-10. Zie, het is een eer voor Gods dienaren als Zijn gezanten gebruikt te worden om Zijn boodschappers te zijn. Haggai wordt Gods boodschapper genoemd. Wijl dit hun bediening was, merken wij op,
a. Wat de plicht van de predikanten is: de lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren, ze het volk niet onthouden maar voor het volk aanwenden. Predikanten moeten kundige mannen zijn, want hoe zijn degenen bekwaam, de dingen Gods te onderwijzen, die er zelf slecht mee op de hoogte zijn? Zij moeten de wetenschap bewaren, zich daarmede toerusten en niet verliezen wat ze zelf geleerd hebben, als goede uitdelers, die uit hun schat oude en nieuwe dingen voortbrengen. Niet alleen hun hoofd, maar ook hun lippen moeten de wetenschap bewaren, zij moeten ze niet alleen bezitten, maar ook gereed bij de hand hebben, als op hun lippen, om ze, wanneer de gelegenheid zich aanbiedt, dadelijk aan anderen te kunnen mededelen. zo lezen wij van "de wijsheid, die in de lippen des verstandigen wordt gevonden en velen' voedt, Spreuk. 10:13, 21.
b. Wat de plicht des volks is, het zal uit hun mond de wet zoeken, vers 7. Het volk moet de priesters, als Gods boodschappers, ondervragen, niet alleen naar hen luisteren, maar ook vragen doen, opdat het die woorden beter versta, en verkeerd verstaan voorkomen worde. Wij hebben er allen groot belang bij de wil des Heren te kennen, die nauwkeurig en zeker te weten, wij moeten naar die kennis verlangen en begerig zijn, er in toe toenemen. Here, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Wij moeten niet alleen het geschreven woord: de wet en de getuigenis, raadplegen, maar ook onderricht zoeken bij Gods boodschappers en raad van hen vragen in dingen, die onze ziel aangaan, gelijk wij geneesheren en rechtsgeleerden raadplegen, wanneer wij ziek zijn of rechtskundige bijstand behoeven. Niet, dat de predikanten niet gehouden zouden zijn, de wet Gods mee te delen ook aan degenen, die er geen belang in stellen en dit kennen niet begeren (zij moeten "met zachtmoedigheid onderwijzen degenen, die tegenstaan," 2 Timotheus 2:25, zowel als degenen, die zelf komen), maar het is tegelijkertijd de plicht van de schare, dat onderwijs te zoeken en om nadere inlichting te vragen. "Wachter, wat is er van de nacht? Wilt gijlieden vragen, vraagt," Jesaja 21:8, 11. 12. De gemeente moet niet alleen naar troost horen uit de mond harer predikanten, maar daar ook de wet leren kennen, want als wij in de weg van het gebod wandelen, dan zullen wij ook de weg van de troost vinden.
II. Hier is een gedenkschrift van de trouw en de ijver hunner voorgangers in de priesterlijke bediening, vermeld om hun zonde in te schriller kleuren te doen uitkomen, nu zij zozeer van hun eerwaardige voorvaderen ontaard en zo ver van die roemvolle voorbeelden verwijderd zijn. Tevens is het een rechtvaardiging van God, als Hij die tekenen van Zijn tegenwoordigheid van hen wegneemt, die Hij geschonken had aan degenen, die dicht bij Hem leefden. Zie hier, vers 6, hoe goed de godzalige priester was, in wiens voetstappen zij moesten gewandeld hebben, en wat voor goed hij, door Gods genade, gedaan had.
1. Zie, hoe goed hij was. Hij was bekwaam en machtig in de Schriften: de wet van de waarheid was in zijn mond, ten bate dergenen die uit zijn mond de wet zochten. In al zijn redenen blonk min of meer de wet van de waarheid door. Alles wat hij zeide stond onder de regel van de wet, en daarmede regeerde hij anderen. Hij sprak als gezaghebbende (ieder woord was een wet), en als iemand, die zowel wijsheid als godsvrucht bezat, het was de wet van de waarheid, en de waarheid is een wet, ze heeft gebiedende kracht. Door de waarheid regeert Christus. De wet van de waarheid was in zijn mond, want op zijn beslissingen in consciëntie zaken kon men zich verlaten, zijn mening was zo goed als wet. Daar werd geen onrecht in zijn lippen gevonden, hij vervalste het woord Gods niet om mensen te behagen of eigen voordeel te zoeken, maar deelde allen, die hem kwamen raadplegen, mee wat de wet zeide, aangenaam of onaangenaam. Hij noemde niet rein wat onrein was, gelijk een van de rabbijnen zich uitdrukt. En zijn wandel stemde met zijn leer overeen. God zelf geeft hem dit eervol getuigenis: Hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid. Hij achtte het niet genoeg, van God te spreken, maar Hij wandelde met Hem. Zijn gemoedstoestand en zijn openbare wandel beantwoordden aan zijn leer en belijdenis, hij leefde een leven van gemeenschap met God, en het was zijn aanhoudende zorg, Hem welgevallig te zijn. Hij leefde als een priester, die verkozen is om "voor Gods aangezicht te wandelen" 1 Samuël 2:30. Zijn wandel was in vrede, was zachtmoedig en vriendelijk jegens alle mensen, als een voorbeeld en bevorderaar van de liefde. Hij wandelde met God in vrede, was zelf vreedzaam en een vredemaker. Zijn wandel was ook eerlijk, hij deed niemand onrecht, maar gaf nauwgezet ieder het zijne: hij wandelde met Mij in rechtmatigheid. Wij mogen niet, om des vredes wil, de wetten van de rechtmatigheid overtreden, maar vrede houden zover het met het recht bestaanbaar is. De wijsheid van boven is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam. Meer dan alle andere mensen moeten predikanten met God wandelen in vrede en rechtmatigheid, opdat zij voorbeelden van de kudde mogen zijn.
2. Zie, wat voor goed hij deed, hij beantwoordde aan de eis van zijn bediening: Hij bekeerde er velen van ongerechtigheid, het was zijn aanhoudende zorg, goed te doen, en God kroonde zijn pogingen met wonderlijke voorspoed. Menige ziel redde hij van de dood, en er zijn er velen in de hemel, die God zegenen, omdat zij die goede priester in hun leven op aarde gekend hebben. Predikanten moeten hun uiterste best doen om zondaren tot bekering te brengen, zelfs onder belijdende leden van de gemeente valt nog bekeringswerk te doen, velen moeten van hun ongerechtigheid afgekeerd worden, en predikers mogen het zich een eer, een rijke beloning op hun arbeid rekenen, als die tot dat einde dienen mag. Alleen God kan door Zijn genade de mens van diens ongerechtigheid bekeren, en toch wordt van een vrome prediker getuigd, dat hij een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, namelijk als een werktuig in Gods hand, een medewerker met God. "Die er velen rechtvaardigen, zullen zijn gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk," Daniël 12:3. Zie, de predikers en zij alleen hebben kans, zondaars te bekeren, die de zuivere leer verkondigen en godzaliglijk leven, beide overeenkomstig de Schrift, want, gelijk een rabbijn opmerkt, als de priester oprecht is, zullen velen oprecht zijn.
III. Hier wordt een zware aanklacht tegen de priesters van de toenmalige tijd ingebracht, die het verbond des priesterschaps verbraken en in strijd handelden beide met de voorschriften en de voorbeelden, hun gegeven. Meer bijzonderheden omtrent hun zonde hebben wij in het voorgaande hoofdstuk gevonden, en in Nehemia 13 lezen wij, dat toen ter tijd veel bederf in de Joodse kerk was geslopen, gemengde huwelijken, toelating van vreemden in Gods huis, ontheiliging van de Sabbatdag, alles de schuld van de slordigheid en de ontrouw van de priesters. Hier worden zij in het algemeen beschuldigd,
1. Dat ze de regel overtraden: Gij zijt van de weg afgeweken, vers 8, van de goede weg, die God u had voorgeschreven en waarin uw godzalige voorvaderen voor u hebben gewandeld. Het staat slecht met een volk als zij, wier taak het is, het op de goede weg te leiden, zelf die weg te verlaten. Gij hebt Mijn weg niet gehouden, noch zelf die bewandeld noch anderen daarop doen wandelen, vers 9.
2. Zij hebben het vertrouwen geschonden: Gij hebt het verbond van Levi verdorven, gij hebt het geschonden, de grote bedoelingen van dat verbond uit het oog verloren en gedaan wat gij kondet om die te verijdelen en te voorkomen. Gij hebt uw ambt waargenomen als ware het alleen bestemd om u vet en groot te maken, en niet om God te verheerlijken en mensen ten zegen te zijn. Dat was het verbond van Levi verderven, het doel des verbonds miskennen en het ondergeschikt maken aan die zinnelijke, aardse dingen, waarover gij moest geheerst hebben. Zo hebt gij ook de zegen des verbonds verbeurd en voor u zelf verdorven, gij hebt het ijdel gemaakt en leven en vrede verloren, die ermee verbonden waren. Wij hebben geen reden van God te verwachten, dat Hij Zijn deel van het verbond zal houden, als wij niet nauwgezet ons deel gestand doen. Een ander voorbeeld van geschonden vertrouwen was, dat zij het aangezicht aannamen in de wet, vers 9. In de hun gegeven wet konden zij hun plicht vinden, dit wilden zij doen, maar dat niet, juist naar hun smaak, naar de wijze van de huichelaars, terwijl zij, wier hart oprecht is voor God, de ganse wet onderhouden. Of eer: in de wet die zij het volk bekend moesten maken, kenden zij het aangezicht (gelijk het letterlijk heet), zij namen de persoon aan, opzettelijk verklaarden zij de wet verkeerd en pasten die partijdig toe, hetzij om degenen te treffen, die zij niet mochten lijden, hetzij om anderen in het gevlij te komen, die zij liefhebben. In de een zagen zij de zonde door de vingers, die zij in de ander streng berispten, als naar hun eigen belang of voorkeur hen dreef. God is geen aannemer des persoons, als Hij Zijn wet geeft, noch ook als Hij de overtreding van Zijn wet straft, Hij trekt de rijke niet bij de arme voor, en daarom onteren Zijn dienaren hem, wanneer zij, in leer of tucht, de persoon aannemen. Zie 1 Timotheus 5:21.
3. Dat zij de zielen van de mensen veel kwaad deden, die zij hadden moeten redden. Gij hebt er velen doen struikelen in de wet, niet alleen doen overtreden, geleerd en door uw voorbeeld aangemoedigd om in strijd met de wet te handelen, maar doen struikelen in de wet, door het zo voor te stellen, alsof de wet de zonde moet dienen en ze bevorderen. zo maakten Hofni en Pinehas, door hun goddeloosheid, dat "de lieden het spijsoffer des Heren verachtten," 1 Samuël 2:17. Er zijn er velen, voor wie de wet des Heren een struikelblok is, het Evangelie van Christus een reuke des doods ten dode, en, Christus zelf een rots van de ergernis. Niets werkt daartoe meer mee dan het goddeloze leven dergenen, die de godzaligheid belijden, die aanleiding geven tot de spot: "Het is alles bedrog " Dit is inderdaad een ergernis, een steen des aanstoots. Dat moest nimmer zo zijn, daarom wee dengenen, door wie de ergernis komt.
4. Dat zij, wanneer bestraffingen door woord of lotgeval van Gods wege over hen komen, niet wilden horen, dat is: er geen acht op gaven, het niet ter harte namen. Zij hadden geen berouw noch schaamte over hun zonden, en de tekenen van Gods misnoegen troffen hen niet. Wat wij horen, doet ons geen goed, tenzij wij het ter harte nemen en op ons laten inwerken: Gij wilt het niet ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, door geloof en bekering. Daartoe moeten wij de dingen ter harte nemen, opdat wij Zijn Naam mogen verheerlijken en Hem prijzen om alles, wat Hij van Zichzelf heeft geopenbaard. Het is slecht, God Zijn eer te ontroven, maar het ergst in Zijn dienaren, wier ambt en taak het is, Zijn Naam groot te maken en Hem de rechte eer te brengen.
IV. Hier volgt een verslag van de oordelen, die God over deze priesters bracht om hun ontheiliging van de heilige dingen.
1. Zij hadden hun aardse goed verloren, vers 2:Ik zal uw zegeningen vervloeken. Zij hadden geen zegen op hun werk, geen voldoening van goed doen, want op de zegen, waarmede zij als priesters het volk zegenden, was God wel verre van Zijn amen te zeggen, zodat die in vloek verkeerde, gelijk Hij Bileams vloek in zegen omgezet had. Dat onheilige volk zou de gunst van Gods zegen niet ontvangen, noch deze onheilige priesters de gunst van die zegen over te brengen, beide zouden onder de tekenen van Zijn vloek liggen. Ook hun loon zou geen hulp verlenen, want de zegen, waarmede God hen gezegend had, zou door hun misbruik in vloek veranderen. Zij konden die niet ontvangen als de gave van Zijn gunst, wanneer zij zich Zijn ongenoegen op de hals hadden gehaald, door Zijn kastijding niet aan te nemen.
2. Zij hadden hun achting verloren, vers 9:Daarom heb Ik u ook verachtelijk en onwaardig gemaakt voor het ganse volk. Toen zij God verheerlijkten, gaf Hij hun eer en steunde Hij hen, zij hadden er belang bij, dat het volk hen achtte en liefhad, zolang zij recht deden en met God in vrede en rechtmatigheid wandelden. Toen waardeerde en eerde iedereen hen, terecht noemde men hen: Weleerwaarde, priester! Maar toen zij de wegen des Heren verlieten en het verbond van Levi verdierven, maakten zij zich in de ogen des volks niet alleen geminacht, maar veracht, zelfs in het oog van de geringsten, die naarmate zij het ambt hoger schatten, de ambtsdragers, die het schandvlekten, te dieper verfoeiden. Hun gedrag, hun misdragen, leidde daar onvermijdelijk toe en God noemt dat Zijn werk, een rechtvaardig oordeel over hen, door hun eigen zonde veroorzaakt en daaraan beantwoordende. Zij maakten, dat God gelasterd werd, des Heren tafel verontreinigd, en haar inkomen, haar spijs verachtelijk, Hoofdstuk 1:12. Daarom stort God met recht meer over hen uit en geeft ze aan versmaadheid prijs, zij stellen zich zelf ten toon, en daarom stelt God ze ten toon. Zie als de zonde een schandvlek van het volk is, is ze dat in bijzondere zin van de priesters, er is geen verachtelijker wezen op aarde dan een onheilig, goddeloos, schandelijk prediker.
V. Hier wordt een oordeel des toorns over hen uitgesproken, vers 2,3 Maar het is voorwaardelijk: Indien gij het niet zult horen, en indien gij het niet zult ter harte nemen, dat wil zeggen:, indien wel, dan wordt Gods toorn afgekeerd, en alles is goed, maar indien gij voortgaat, indien gij in deze boze wegen volhardt, dan hoort uw vonnis: Uw zonde zal uw ondergang zijn."
1. Zij zullen vasten en liggen onder Gods vloek: Ik zal de vloek onder u zenden. De toorn Gods zal over hen geopenbaard worden, volgens de bedreigingen van het geschreven woord. Zie, zij, die de geboden van de wet overtreden, stellen zich onder de vloek van de wet.
2. Noch hun bediening noch hun genot zal rein zijn. "Ik zal uw zegeningen vervloeken, zodat ge noch zelf gezegend zijt noch het volk zegenen zult, zelfs uw overvloed zal u een plaag en gij zelf de plaag van uw geslacht zijn".
3. De vruchten van de aarde, waarvan zij de tienden ontvingen, zouden hun geen voordeel aanbrengen. "Ziet, Ik zal u het zaad verderven, het koren, dat gij zaait, zal in de grond verrotten en nimmer opkomen, en het gevolg zal zijn hongersnood en schaarste van levensmiddelen, zodat geen spijsoffers op het altaar kunnen gebracht worden, en de priesters hun inkomsten derven." Het kan ook van het zaad des Woords verstaan worden, God dreigt hun de zegen van het onderwijs te weren, dat ze het volk geven, zodat al hun arbeid vergeefs is, gelijk die van de landman, die slecht zaad in de grond stopt. Die dreiging stemt overeen met Jeremia 23:32:Zij doen dit volk gans geen nut.
4. Zij zullen met hun dienst door God verworpen worden, Hij is zo ver van welbehagen in hen te scheppen, dat Hij ze veeleer verafschuwt, Ik zal drek op uw aangezichten strooien. de drek uwer feesten. Hij zinspeelt op de offers, die op die feesten gebracht werden. In plaats van een welgevallen te nemen aan het vet hunner offers, zal Hij Zijn ongenoegen tonen door hen slijk in hun aangezichten te werpen, hetgeen Hij werkelijk doet, als Hij zegt: "Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel," Jesaja 1:13. Zie, degenen, die op hun uiterlijke godsdienst vertrouwen, die zij slechts drek moesten achten om Christus te gewinnen, zullen niet alleen ervaren, dat God die niet aanneemt, maar ook met schaamte en schande vervuld worden vanwege der zelver dwaasheid.
5. Alles zal tenslotte op hun algehele ondergang uitlopen: Zodat men u met die wegnemen zal, vers 3. Zij zullen zozeer bestrooid worden met de drek hunner feesten dat zij met die drek naar de mesthoop gebracht worden. Iedereen zal daaraan meehelpen zelfs de straatloper. "Men noemt ze een verworpen zilver, want de Here heeft hen verworpen," Jeremia 6:30.