1 Samuël 25:18-31
Wij hebben hier een bericht van Abigails verstandige maatregelen om haar man en haar gezin te bewaren voor het verderf, dat over hen ging komen, en wij bevinden dat zij haar taak bewonderenswaardig goed volbracht heeft, geheel in overeenstemming met haar karakter. De hartstocht van dwazen doet in korten tijd breuken ontstaan, die de wijzen met al hun wijsheid slechts met grote moeite kunnen genezen.
Het is moeilijk te zeggen of Abigail ongelukkiger was in zo'n man te hebben of Nabal gelukkiger was in zo'n vrouw te bezitten. "Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren", Spreuken 12:4 , om hem te beschermen, zowel als te versieren, zij doet hem goed en geen kwaad. In een geval als dit was wijsheid beter dan krijgswapens.
I. Het was haar wijsheid, dat zij wat zij deed haastig deed en zonder uitstel, zij haastte zich, vers 18. Het was geen tijd van beuzelen of dralen, toen alles in gevaar was. Zij, "die begeren hetgeen tot vrede dient", moeten gezanten zenden, als de vijand nog verre is, Lukas 14:32.
II. Het was haar wijsheid, dat zij zelf deed wat zij deed, omdat zij, een vrouw zijnde van veel beleid en grote handigheid, die dingen beter dan enigerlei dienstknecht kon schikken en in orde brengen. De deugdelijke huisvrouw beschouwt de gangen van haar huis, en laat niet alles op anderen aankomen.
Nabal was op tweeërlei wijze hard en lomp geweest tegen Davids boden, en in hen jegens David zelf en nu moet Abigail die fouten van haar echtgenoot zien goed te maken.
a. Hij had hun de levensmiddelen geweigerd om welke zij gevraagd hebben.
b. Hij had beledigende woorden tot hen gesproken.
1. Door een zeer mild geschenk maakt Abigail zijn weigering van hun verzoek goed. Indien Nabal hun het eerste wat hem voor de hand kwam gegeven had, zij zouden dankbaar zijn heengegaan, maar Abigail bereidt het beste wat zij in huis had, en in ruime overvloed, vers 11, overeenkomstig het gebruik aller lijden.
Niet slechts tweehonderd broden en vijf toebereide schapen, maar honderd stukken rozijnen en tweehonderd klompen vijgen, die hun tot dessert dienden.
Nabal gunde hun geen water, maar zij nam twee lederzakken wijns, legde al die levensmiddelen op haar ezels en zond ze vooruit, want: "een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid", Spreuken 21:14.
Jakob heeft er Ezau mee bevredigd. Als "eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad, hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt", en verliest er niets bij, Jesaja 32:7, 8 "Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden". Abigail heeft niet slechts wettig, maar loffelijk over al dit goed van haar man beschikt, zonder zijn voorkennis, zelfs toen zij reden had te denken dat hij, zo hij het geweten had, er niet in toegestemd zou hebben, omdat zij het niet deed om aan haar eigen hoogmoed of ijdelheid te voldoen, maar ter noodzakelijke bescherming van hem en zijn gezin, dat anders onvermijdelijk te gronde zou zijn gegaan.
Echtgenoten hebben tot beider welzijn en voordeel een gemeenschappelijk belang in hun wereldlijke bezittingen, maar indien de een het goed verkwist, of het op onbehoorlijke wijze gebruikt, dan berooft hij de ander.
2. Door een zeer beleefde en voorkomende houding, en een bekoorlijke toespraak maakt zij de beledigende woorden goed, die Nabal tot hen gericht heeft.
Zij ontmoette David op de weg, toen hij vol van toorn was en Nabals verderf in de zin had, vers 20, maar met alle mogelijke uitdrukkingen van beleefdheid en achting vraagt zij ootmoedig om zijn gunst en bidt zij hem om de belediging voorbij te zien.
Haar houding was zeer onderdanig, zij boog zich ter aarde, vers 23, En zij viel aan zijn voeten en zeide: Och mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd, vers 24..
Onderworpenheid doet grote beledigingen voorbijzien. Zij stelt zich in de plaats en houding van een boetvaardige en een smekeling, en schaamde zich dit niet, nu het tot welzijn was van haar huis, al was het ook in de tegenwoordigheid van haar eigen dienstknechten en van Davids krijgsvolk. Ootmoedig verzoekt zij David haar gehoor te verlenen: laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken. Maar zij behoefde niet aldus om zijn aandacht en zijn geduld te vragen, wat zij zei volstond om ze te gebieden, want inderdaad, niets kon schoner of aandoenlijker wezen. Geen argument werd terzijde gelaten, alles is in goede orde geschikt en op even juiste als aandoenlijke wijze uitgedrukt, en met zoveel kracht van natuurlijke welsprekendheid, als niet licht geëvenaard kan worden.
1. Zij spreekt tot hem met de eerbied, die aan zo groot en goed een man toekomt, noemt hem telkens en nogmaals: mijn heer, om aldus goed te maken wat haar echtgenoot misdaan had in zijn zeggen: Wie is David? Zij verwijt hem zijn drift en toorn niet hoewel hij verdiende er om bestraft te worden, ook zegt zij hem niet, hoe slecht dit voegde aan zijn aard en karakter, maar doet haar best om hem zachter te stemmen en hem tot een betere gezindheid te brengen niet twijfelende, of zijn eigen consciëntie zal er hem dan over aanklagen.
2. Zij neemt de schuld van de slechte behandeling, die zijn boden hadden ondervonden op zich: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, vers 24. Indien gij vertoornd wilt zijn, zo wees vertoornd op mij, veeleer dan op mijn arme echtgenoot, en Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, vers 28.
Vrekkige lieden bekommeren er zich niet om, dat anderen om hun fouten moeten lijden. Abigail toonde hier de oprechtheid en kracht van haar huwelijksliefde en haar bezorgdheid voor haar gezin. Nabal mocht wezen wat hij wilde, hij was haar echtgenoot. 3. Zij verontschuldigt de fout van haar man door haar toe te schrijven aan zijn natuurlijke zwakheid en gebrek aan verstand, vers 23.
Mijn heer lette toch niet op zijn ruwheid en slechte manieren, want die zijn hem nu eenmaal eigen. Het is niet de eerste maal, dat hij zich zo lomp en vrekkig heeft gedragen, hij moet er mee geboren zijn, want het is gebrek aan verstand, Nabal is zijn naam, (wat een dwaas betekent) en dwaasheid is bij hem.
Het is dus de schuld van zijn dwaasheid, niet van zijn kwaadwilligheid. Hij is onnozel, niet boosaardig. Vergeef hem, want hij weet niet wat hij doet." Wat zij zei was maar al te waar, en zij zei het om zijn fout te verschonen en zijn verderf te voorkomen, anders zou zij er niet wel aan gedaan hebben om haar man in zulke slechte kleuren te schilderen, wiens fouten en gebreken zij moest trachten te bedekken, maar van wie zij geen kwaad moest spreken.
4. Zij voert aan dat zij onkundig was van het geval. en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die gij gezonden hebt", vers 25, anders zouden zij een beter antwoord hebben gehad, en niet met ledige handen zijn teruggekeerd, " hiermede te kennen gevende dat haar man wel dwaas was, en ongeschikt om zelf zijn zaken te besturen, maar toch wijs genoeg was om zich door haar te laten leiden en haar raad te volgen.
5. Zij neemt aan dat zij haar doel reeds heeft bereikt, misschien aan de uitdrukking van Davids gelaat bemerkende dat hij reeds van zin begon te veranderen, vers 26. Het is de HEERE, Die u verhinderd heeft te komen met bloedstorting".
Zij steunt niet op haar eigen redenering, maar op Gods genade om hem te verzachten, en twijfelt niet of die genade zal krachtige werking in hem doen, en nu: dat als Nabal worden uw vijanden, dat is: als gij aflaat van uzelf te wreken, dan zal God u ongetwijfeld op hem wreken, zoals Hij u wreken zal op al uw vijanden."
Of wel, het geeft te kennen dat het beneden hem was om wraak te oefenen aan zo zwak en onmachtig een vijand als Nabal was, die, gelijk hij hem geen goed wilde doen, hem ook geen kwaad kon doen, want hij behoefde betreffende zijn vijanden niets anders te wensen, dan dat zij even onmachtig zijn om hem tegen te staan als Nabal was.
Misschien doelt zij op zijn kort tevoren sparen van Saul, toen hij hem in zijn macht had.
"Hebt gij u er van onthouden om u te wreken op die leeuw, die u zocht te verslinden, en zult gij het broed vergieten van die hond, die u slechts kan aanblaffen?" De blote vermelding van hetgeen hij op het punt was te doen, namelijk bloed te vergieten om zich te wreken, was genoeg om op zo'n teder, Godvruchtig gemoed als dat van David invloed te oefenen, en uit zijn antwoord, vers 33, blijkt dat hij er door getroffen was.
6. Zij biedt hem het geschenk aan, dat zij had medegebracht, maar spreekt er van als onwaardig om door David aangenomen te worden en daarom verlangt zij dat het gegeven worde aan den jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen, vers 27, inzonderheid aan de tien, die zijn boden waren geweest bij Nabal, en die zo ruw door hem werden behandeld. 7. Zij looft David voor de goede diensten die hij tegen de gemene vijand van het land had bewezen, en zij hoopte dat hij zijn roem wegens die grote daden niet zou benevelen door een persoonlijke wraakoefening. mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, tegen de Filistijnen, en daarom zal hij het aan God overlaten om zijn strijd te strijden tegen hen, die hem beledigen, geen kwaad is bij u gevonden is van uw dagen af, vers 28.
Gij hebt nog nooit aan een uwer landgenoten onrecht gedaan, (al zijt gij ook vervolgd als een verrader) en daarom zult gij nu niet beginnen, zult gij niets doen dat door Saul gebruikt kan worden om zijn boosaardigheid tegen u te rechtvaardigen."
8. Zij voorzegt de heerlijke uitkomst van zijn tegenwoordige moeilijkheden. "Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God" vers 29 , (uit eerbied voor zijn tegenwoordige hoedanigheid als koning, noemt zij Saul niet) "maar gij behoeft niet met zo scherpe achterdocht een oog op iedereen te zien, die u beledigt, want al die stormen, die u thans ontrusten, zullen weldra voorbij zijn." Zij zegt het met verzekerdheid:
a. Dat God hem veilig zal bewaren: de ziel mijns heren zal ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God, dat is: God zal uw ziel in het leven behouden (zoals de uitdrukking is in Psalm 66:9, zoals wij de dingen vasthouden, die saamgebonden zijn, of die ons kostelijk zijn, Psalm 116:15.
Uwe ziel zal als een schat opgelegd worden in de schatkamer des levens, zo heeft het de Chaldeer, onder slot en grendel, zoals onze schatten bewaard worden. Gij zult onder de bijzondere bescherming van Gods voorzienigheid zijn." Het bundeltje der levenden bij de HEERE, uw God, want in Zijn hand is onze adem en zijn onze tijden.
Diegenen zijn veilig en kunnen gerust zijn, die Hem tot hun beschermer hebben. De Joden verstaan dit niet alleen van het tegenwoordige leven, maar ook van het toekomende leven, namelijk van de zaligheid van de afgescheiden zielen, en daarom gebruiken zij het gemeenlijk als een opschrift op hun grafstenen. Hier hebben wij het lichaam neergelegd, maar vertrouwen dat de ziel ingebonden is in het bundeltje van de levenden bij de HEERE, onze God. Daar is zij veilig, terwijl het stof des lichaams verstrooid wordt.
b. Dat God hem de overwinning kon geven over zijn vijanden. Hun zielen zal Hij uitslingeren, vers 29. De steen is ingebonden in de slinger maar met het doel om hem er weer uit te slingeren, zo zullen de zielen van de Godvruchtigen saamgebonden worden als koren voor de korenschuur, maar de zielen van de goddelozen als onkruid voor het vuur.
c. Dat God hem vestigen zal in rijkdom en macht, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, vers 28.
En geen vijand, die gij hebt, zal dit kunnen verhinderen, daarom "vergeef de overtreding", dat is: "betoon barmhartigheid, zoals gij hoopt barmhartigheid te zullen vinden". God zal u groot maken, en het is de roem van grote mannen overtredingen voorbij te zien. 9. Zij wenst dat hij zal bedenken hoeveel lieflijker en aangenamer het hem zijn zal bij de herinnering dat hij deze belediging heeft vergeven, dan haar te hebben gewroken, vers 30, 31. Zij heeft dit argument voor het laatst bewaard, als een argument, dat bij zo goed een man grote kracht zal hebben, dat hij, hoe minder hij toegeeft aan zijn hartstocht, hoe meer hij met zijn eigen vrede te rade gaat en met de rust van zijn geweten, waar ieder verstandig man voor zal zorgen.
a. Zij kan niet anders denken dan dat het hem, als hij zichzelf wreekt, later een grote smart en een overtreding des harten zal zijn. Velen hebben in drift datgene gedaan, dat zij later duizendmaal gewenst hebben ongedaan te kunnen maken. Het zoet van de wraak wordt spoedig in bitterheid verkeerd.
b. Zij vertrouwt dat, zo hij die belediging voorbijziet, het hem later geen smart zal zijn, maar dat het hem integendeel een grote voldoening zal wezen, dat zijn wijsheid en genade de bovenhand hebben gehad over zijn hartstocht. Als wij in verzoeking zijn om te zondigen, dan moeten wij bedenken hoe het ons bij de herinnering er aan te moede zal zijn. Laat ons toch nooit iets doen, dat onze consciëntie ons later verwijten zal, en waarop wij met leedwezen terug moeten zien.
Eindelijk. Zij beveelt zich aan in zijn gunst. als de HEERE mijn heer weldoen zal, zo zult gij uwer dienstmaagd gedenken, vers 31, als een, die u teruggehouden heeft van uw eer te bezwalken, uw geweten te ontrusten, een smet te werpen op uw geschiedenis." Wij hebben reden diegenen te gedenken, die het middel zijn geweest om ons terug te houden van zonde.