1 Samuël 12:6-15
Nadat Samuël aldus zijn eigen goede naam beveiligd heeft, heeft hij, inplaats van het volk hun onvriendelijkheid jegens hem te verwijten, er zich toe begeven om hen te onderrichten en hen in de weg huns plichts te houden, dan zal de verandering in de regering hun het minst schadelijk zijn.
I. Hij herinnert hen aan Gods grote goedertierenheid jegens hen en hun vaderen, geeft hun een kort overzicht van de geschiedenis van hun volk, opdat zij uit overweging van de grote dingen die God voor hen gedaan heeft, zich voor altijd zouden verbinden om Hem lief te hebben en te dienen. "Komt," zegt hij, vers 7, "staat stil, ten teken van eerbied, als God tot u spreekt, staat stil, ten teken van oplettendheid en kalmte des geestes, en vergunt mij met u te redeneren."
De godsdienst heeft de rede aan zijn zijde, Jesaja 1:18. Het werk van de leraren is met het volk te redeneren, niet alleen te vermanen en te besturen, maar te overreden, van de mensen verstand te overtuigen, en aldus hun wil en genegenheid te winnen. Laat het verstand de mensen regeren, en zij zullen goed zijn.
Hij spreekt van de rechtvaardige daden des HEEREN, dat is van "de weldaden, die Hij u geschonken heeft ter vervulling van Zijn beloften, en de straffen, die Hij u opgelegd heeft voor uw zonden." Zijn gunsten worden Zijn gerechtigheden genoemd, Richteren 5:11, omdat Hij er rechtvaardig in is tot Zijn eigen eer.
Hij herinnert hen niet slechts aan hetgeen God voor hen gedaan heeft in hun dagen, maar aan hetgeen Hij vanouds gedaan heeft, in de dagen hunner vaderen, omdat de tegenwoordige tijd de weldaden geniet van Gods vroegere gunsten. Wij kunnen onderstellen, dat zijn rede veel uitvoeriger was, dan zij hier vermeld staat.
1. Hij herinnert hen aan hun bevrijding uit Egypte, in dat diensthuis zijn Jakob en zijn gezin arm en gering gekomen. Toen zij er verdrukt werden, riepen zij tot God, die Mozes en Aäron van een gering begin bevorderd heeft om hun verlossers te zijn en de grondleggers van hun staat en vestiging in Kanaän, vers 6, 8.
2. Hij herinnert hen aan de ellende en de rampen, die hun vaderen over zich gebracht hadden door God te vergeten en andere goden te dienen, vers 9, zij hebben zich tot slavernij gebracht, want zij werden als misdadigers en gevangenen verkocht in de hand van verdrukkers, zij stelden zich bloot aan de verwoestingen van de krijg, hun naburen streden tegen hen.
3. Hij herinnert hen aan hunner vaderen berouw en verootmoediging voor God vanwege hun afgoderijen. Zij zeiden: Wij hebben gezondigd, vers 10. Laat hen de zonden hunner vaderen niet navolgen, want zij hebben menigmaal gewenst wat zij verkeerds gedaan hebben ongedaan te maken. In de dagen hunner benauwdheid hebben zij God gezocht, en beloofd Hem te zullen dienen, laat hun kinderen dus datgene goed achten ten allen tijde, wat zij goedgevonden hebben in slechte tijden.
4. Hij herinnert hen aan de heerlijke verlossingen, die God voor hen gewrocht heeft, aan de overwinningen, waarmee Hij hen heeft gezegend, en aan hun gelukkige vestiging, menigmaal, na dagen van kommer en benauwdheid, vers 11. Hij noemt enige van hun richters, Gideon en Jeftha, grote overwinnaars in hun tijd, onder de overigen noemt hij Bedan, van wie wij nergens lezen, misschien was hij een uitnemend persoon, die het middel was geweest voor verlossing van hen, hoewel hij in het boek Richteren niet voorkomt, iemand als Samgar, van wie gezegd is, dat hij Israël heeft verlost, maar niet dat hij Israël heeft gericht, Richteren 3:31. Misschien heeft deze Bedan hen verlost en beschut aan de ene zijde, terwijl een ander van de richteren aan de andere zijde verscheen en voor hen optrad.
Sommigen denken dat hij dezelfde is als Jaïr, dat is de mening van de geleerde Dr. Poole, anderen denken dat Simson met hem wordt bedoeld, die Ben Dan was, een zoon van Dan, van die stam, en de Geest des Heeren kwam over hem, Be-Dan, in het leger van Daniël Samuël noemt zichzelf, niet tot zijn eigen lof, maar tot eer van God, die hem tot een werktuig had gemaakt om de Filistijnen tenonder te brengen.
5. Eindelijk herinnert hij hen aan de gunst die God aan het tegenwoordig geslacht had bewezen door hun wens naar een koning in te willigen, toen zij God wilden voorschrijven dat Hij hen door de hand van zo'n uit de hand van Nahas, koning van Ammon, zou verlossen, vers 12, 13.
Nu blijkt het dat dit de onmiddellijke aanleiding was van hun begeerte om een koning te hebben. Nahas bedreigde hen, zij bewogen Samuël om een legerhoofd te benoemen, hij zei hun dat in al hun oorlogen God hun opperbevelhebber was, en dat zij geen anderen nodig hadden, wat in hen ontbrak zou door Zijn macht worden vergoed zo toch de HEERE, uw God uw Koning was, maar zij bleven er bij "Neen, maar daar zal een koning over ons zijn." En nu, zegt hij, "ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt, en ziet de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.
Laat dit gezegd zijn tot uw schande, maar een koning, die God gemaakt heeft, laat dit gezegd zijn tot Zijn eer en de roem van Zijn genade." God heeft hen niet verworpen, toen zij feitelijk Hem verworpen hebben.
II. Hij toont hun dat zij en hun koning zich nu goed hadden te gedragen. Laat hen niet denken dat zij zich nu geheel en al onafhankelijk hebben gemaakt van God, en dat zij, daar zij een koning hebben, nu zelf wel hun fortuin kunnen maken (zoals de mensen dit dwaselijk noemen), neen, hun voorspoed moet nog van de Heere komen. Hij zegt hun rond en duidelijk:
1. Dat hun gehoorzaamheid aan God hun heil zou wezen, vers 14.
Indien zij niet van God afvallen naar afgoden, en niet weerspannig tegen Hem zullen zijn door Zijn geboden te overtreden, maar in hun trouw aan Hem zullen volharden, Zijn toorn zullen vrezen, Zijn belangen zullen dienen, Zijn wil zullen gehoorzamen, dan zullen zij en hun koning voorzeker gelukkig zijn. Maar let er op, hoe die belofte wordt uitgedrukt: gij zult achter de Heere uw God zijn, dat is:
a. "Gij zult blijven op de weg uws plichts jegens God, hetgeen uw eer zal wezen en uw welvaart." Aan hen, die oprecht zijn in hun Godsdienst, zal God genade geven om er in te volharden, hen, die God getrouwelijk volgen, zal God bekwaam maken om Hem te blijven volgen. En merk op: God te volgen is een werk dat zichzelf beloont. Het is een belofte, zowel als een gebod. b. "Gij zult onder de Goddelijke leiding en bescherming zijn." Gij zult achter den HEERE, uw God, zijn, dat is: "Hij zal voor u heengaan om u te leiden en voorspoedig te maken, en uw weg te effenen, de HEERE is met u, zolang gij met Hem zijt."
2. Dat hun ongehoorzaamheid even gewis hun verderf zal wezen, vers 15. "Zo gij wederspannig zijt, denkt niet dat gij door een koning te hebben tegen Gods oordelen veilig zijt, en dat gij, u hierin aan andere volken gelijk gemaakt hebbende even goedkoop als zij kunt zondigen. zo zal de hand des HEEREN, tegen u zijn, als tegen uw vaders.
Toen zij tegen Hem overtraden in de dagen van de richteren." Wij bedriegen ons, als wij denken aan Gods oordelen te kunnen ontkomen, door ons Zijn heerschappij van de schouders te werpen. Indien God ons niet regeert, zal Hij ons toch oordelen.