Numeri 32:28-42
1. Mozes regelt hier deze zaak met Eleazar, en met Jozua, die zijn opvolger zal zijn, wetende dat hij zelf de tenuitvoerbrenging er van niet zal beleven, vers 28-30. Hij geeft hun een bezitting voorwaardelijk, het aan Jozua overlatende om, zo zij de voorwaarde nakwamen er hen in het volstrekte bezit van te stellen. "Indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken", dan zegt hij niet dat hij hun in het geheel geen erfdeel zal geven, maar dat hij hun dit erfdeel, dat zij begeren, niet moet geven. Indien hun strijders niet met u willen overtrekken, dan moet gij de gehele stammen noodzaken om met u over te trekken, laat hen dan deel en lot hebben met hun broederen zij zullen tot bezitters gesteld worden in Kanaän, en laat hen niet verwachten, dat het lot hen zal begunstigen. Hierop herhalen zij hun belofte, dat zij hun broederen trouw zullen zijn, vers 31, 32.
2. Mozes vestigt hen in het door hen begeerde land. Hij gaf het hun tot een bezitting vers 33. Hier wordt er nu voor het eerst melding van gemaakt, dat de halve stam van Manasse met hen dit land zal delen. Waarschijnlijk hadden zij zich niet bij hen gevoegd om het verzoek te doen, maar toen men er toe overging om het land te verdelen, bleek het te veel voor hen, en zo had dan deze halve stam deel en lot met hen, hetzij op hun eigen verzoek, of door Goddelijke aanwijzing, of omdat zij zich onderscheiden hadden in de verovering van dit land, want de kinderen Machirs een kloek, krijgshaftig geslacht, hadden Gilead genomen, en de Amorieten verdreven, vers 39. En daar zij zo vermaard waren wegens hun dapperheid en moed, was het voor de algemene veiligheid des volks goed en nuttig, dat zij in dit grensland gevestigd waren. Betreffende de vestiging van deze stammen hier hebben wij op te merken:
a. Dat zij de steden bouwden dat is, ze herstelden, of omdat zij geleden hadden door de strijd of omdat de Amorieten ze tot verval hadden laten komen.
b. Dat zij er de namen van veranderden, vers 38, hetzij om hun gezag te tonen, opdat de verandering van naam de betekenis zou hebben van verandering van bezitters, of wel omdat zij afgodische namen hadden ter ere van de drekgoden, die daar aangebeden werden. Nebo en Baäl waren namen van hun goden, en het was hun verboden die namen te gedenken of te noemen Exodus 23:13. Door nu de namen van die steden te veranderen, poogden zij ze in vergetelheid te brengen, en God belooft dat Hij de namen van de Baäls zal wegdoen uit de mond Zijns volks, Hosea 2:17.
Eindelijk. Het is opmerkelijk dat, gelijk deze stammen thans voor de andere stammen gevestigd waren, zij lang daarna ook vóór de andere stammen verdreven werden. Wij bevinden dat zij enige jaren vóór de andere stammen gevankelijk naar Assyrië gevoerd werden, 2 Koningen 15:29. K Zulk een verhouding neemt Gods voorzienigheid soms waar, om voorspoed en tegenspoed tegen elkaar te doen opwegen. Hij stelt de een tegenover de ander.