Richteren 12:8-15
Wij hebben hier een kort bericht van de regeringen van nog drie van de richters Israëls, van welke de eerste slechts zeven jaren regeerde, de tweede tien, en de derde acht. "Om de overtreding van het land zijn deszelfs vorsten velen," velen in korte tijd, achtereenvolgend, Spreuken 28:2. Godvruchtige mannen werden in het begin van hun nuttige loopbaan weggenomen op het ogenblik toen zij zich op hun werk en ambt gingen toeleggen.
I. Ebzan van Bethlehem, zeer waarschijnlijk Bethlehem-Juda, Davids stad, niet Bethlehem in Zebulon, dat slechts eenmaal genoemd wordt Jozua 19:15 s. Hij regeerde slechte zeven jaar maar te oordelen naar het getal van zijn kinderen, en naar de omstandigheid, dat hijzelf ze allen uitgehuwelijkt heeft, schijnt hij lang geleefd te hebben. Waarschijnlijk heeft de sterke toeneming van zijn gezin en de talrijke verbintenissen, die hij aanknoopte, aan zijn persoonlijke verdiensten nog meer waardigheid bijgezet, en hem zoveel geschikter gemaakt om hetzij, evenals Jeftha door het volk te worden verkozen, of om, evenals Gideon, onmiddellijk door God te worden geroepen om Israëls richter te zijn, en het werk van God onder hen voort te zetten. Hetgeen merkwaardig aan hem is, betreft zijn kinderen.
1. Dat hij vele kinderen had, met hun allen zestig, een pijlkoker vol van deze pijlen. Aldus was Bethlehem vanouds vermaard voor groeien en toenemen, de eigen stad, waarin Hij geboren moest worden, wiens geestelijk zaad "als de sterren des hemels" zal wezen.
2. Dat hij een gelijk aantal had van iedere sekse, dertig zonen en dertig dochteren, iets dat niet altijd in hetzelfde gezin voortkomt, maar in het grote gezin van het mensdom heeft Hij, die in de beginne twee gemaakt heeft, man en vrouw, door Zijn wijze voorzienigheid een soort van gelijkheid blijven bewaren in de opvolging van beide seksen, voorzover dit nodig is ter instandhouding van het menselijk geslacht op de aarde.
3. Dat hij er voor gezorgd heeft, dat zij allen huwden, zijn dochters zond hij uit, "et maritis dedit- (zoals de Vulgata er bijvoegt)" hij voorzag ze allen van een echtgenoot, en, in ruil als het ware, en op beide wijzen zijn invloed versterkende, bracht hij dertig dochteren van buiten als echtgenoten voor zijn zonen. De Joden zeggen: iedere vader is aan zijn zoon drie dingen verschuldigd-hem te leren de wet te lezen, hem een beroep of bedrijf te geven, en een vrouw voor hem te verkrijgen. Welk een verschil tussen het gezin van Ebzan en dat van zijn onmiddellijken voorganger Jeftha! Ebzan heeft zestig kinderen, en zij zijn allen gehuwd, Jeftha heeft slechts een dochter, die ongehuwd leeft en sterft. Sommigen worden vermeerderd, anderen verminderd, en beide is het doen des Heeren.
II. Elon, de Zebuloniet, uit het noorden van Kanaän, werd vervolgens opgewekt om de openbare zaken te leiden, het recht te bedelen, en misbruiken af te schaffen. Tien jaren lang is hij een zegen voor Israël geweest, en toen stierf hij, vers 11, 12. Dr. Lightfoot heeft uitgerekend, dat in het begin van zijn tijd de veertigjarige verdrukking door de Filistijnen een aanvang heeft genomen, waarvan gesproken wordt in Hoofdstuk 13:1, en dat omstreeks die tijd Simson geboren werd. Zijn woonplaats in het noorden zijnde, hebben de Filistijnen, wier land aan het zuidelijk deel van Kanaän grensde, de gelegenheid waargenomen om invallen te doen. III. Abdon, uit de stam van Efraïm, volgde hem op, en in hem begint deze doorluchtige stam zijn reputatie te herwinnen, daar sedert Jozua geen man van naam uit hem is voortgekomen: want Abimelech, de Sichemiet, was er veeleer een schandvlek voor. Deze Abdon was vermaard wegens de talrijkheid van zijn kroost, vers 14. Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen. die hij allen volwassen heeft gezien en zij reden op zeventig ezelsveulens, hetzij als rechters en beambten, of als personen van rang en aanzien. Het was hem een voldoening om aldus zijn kindskinderen te zien, maar het is te vrezen dat hij geen vrede heeft gezien over Israël, want omstreeks deze tijd waren de Filistijnen begonnen invallen te doen in hun land, en aldus hun vrede te verstoren.
Betreffende deze en de andere richters is, hoe kort zij ook geregeerd hebben, en hoe weinig er ook van hen gezegd wordt, toch nota genomen van de plaats, waar zij begraven werden, vers 7, 10, 12, 15-,misschien omdat de inscripties op hun graftekenen (want die waren vanouds in gebruik, 2 Koningen 23:17) konden dienen tot bevestiging en uitbreiding van hun geschiedenis, en geraadpleegd worden door hen, die nadere inlichting omtrent hen begeerden. Als Petrus spreekt van David, zegt hij: "zijn graf is onder ons tot op deze dag," Handelingen 2:29. Of misschien is dit bedoeld tot eer van de plaats, waar hun gebeente gelegd werd, maar het kan ook aangewend worden ter vermindering van de waarde, die wij hechten aan wereldlijke eer en heerlijkheid, waaraan de hovaardij door de dood en het graf ontnomen wordt. Deze richters, die voor Israël als goden waren, stierven als mensen, en al hun eer werd in het stof gelegd.
Het is vreemd dat in de geschiedenis van al deze richters, wier daden soms uitvoerig verhaald worden, geen enkele maal gewag wordt gemaakt van de hogepriester of van een andere priester of Leviet, optredende hetzij om raad te geven, of van aan een openbare handeling deel te nemen, van Pinehas, Hoofdstuk 20:28, tot Eli, een tijdsbestek, dat naar berekening twee honderd en vijftig jaar omvat, zijn alleen de namen van de hogepriesters van die tijd bewaard gebleven, 1 Kronieken 6:4-7 en Ezra 7:3-5. Hoe is dit vreemde in de schaduw blijven van dat priesterschap gedurende zo lange tijd, in de aanvang van zijn dagen, overeen te brengen met de pracht en luister, waarmee het was ingesteld, en de grootse, gewichtige plaats, die er in de wet van Mozes aan is toegekend? Voorzeker wordt er mee te kennen gegeven, dat de instelling voornamelijk typisch bedoeld was, en dat voor de grote zegeningen en weldaden, die erdoor beloofd werden, voornamelijk gezien moet worden op zijn antitype, het eeuwige priesterschap van onze Heere Jezus. In vergelijking met de uitnemende heerlijkheid daarvan, heeft dat priesterschap geen heerlijkheid gehad, 2 Corinthiers 3:10.