Richteren 6:11-24
Er wordt ons niet gezegd welke uitwerking de prediking van de profeet op het volk heeft gehad, maar wij kunnen hopen dat zij een goede uitwerking heeft gehad, en dat sommigen van hen tenminste tot berouw en bekering zijn gekomen, want nu hebben wij terstond daarna het aanbreken van de dag van hun verlossing door de krachtdadige roeping van Gideon om het bevel op zich te nemen over de krijgsmacht tegen de Midianieten.
I. De persoon, aan wie deze dienst werd opgedragen, was Gideon, de zoon van Joas, vers 11. De vader was nog wel in leven, maar hij werd voorbijgegaan, en deze eer gelegd op zijn zoon, want de vader heeft in zijn eigen gezin de dienst van Baäl opgehouden, vers 25 waartegen zijn zoon, naar wij kunnen onderstellen zoveel hij vermocht heeft getuigd. Hij behoorde tot de halve stam van Manasse, die in Kanaän was gevestigd, en was van het geslacht van Abiëzer, het oudste huis van die stam. Totnutoe werden de richteren verwekt uit de stam die het meest onder de verdrukking had te lijden, en zo was het waarschijnlijk ook hier.
II. De persoon, die hem deze opdracht gaf, was een engel des Heeren, het schijnt geen geschapen engel geweest te zijn, maar de Zoon van God zelf, het eeuwige Woord, de Heere van de engelen, die toen bij de een of andere grote gelegenheid in menselijke gedaante is verschenen, als een preludium (zegt de geleerde bisschop Patrick) van hetgeen Hij in de volheid des tijds doen zou, toen Hij onze natuur aangenomen heeft, eens voor altijd, zoals wij zeggen. Deze engel wordt hier JAHWEH genoemd, de onuitspreekbare naam van God, vers 14, 16, en Hij zei: Ik zal met u zijn. Deze Goddelijke persoon verscheen hier aan Gideon, en het is opmerkelijk hoe Hij hem vond.
1. Afgezonderd, geheel alleen. God openbaart zich dikwijls aan Zijn volk als zij buiten het rumoer en het gewoel van deze wereld zijn. Stilte en eenzaamheid bevorderen onze gemeenschap met God.
2. Bezig met tarwe te dorsen met een staf of stok, want dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord, zoals die waarmee zij wikke en komijn uitsloegen, Jesaja 28:27, maar die hier gebruikt werd om tarwe uit te slaan, waarschijnlijk omdat hij slechts weinig te dorsen had, en daarom had hij de ossen niet nodig om het koren uit te treden. Het werd toen niet als enigerlei verkleining voor hem beschouwd, hoewel hij een persoon was van enig aanzien, en een strijdbare held, om zijn hand te slaan aan het werk van de landman. Hij had veel dienstknechten, vers 27, en toch wilde hij zijn tijd niet in ledigheid doorbrengen. Wij stellen ons op de weg om Goddelijke bezoeken te ontvangen, als wij ons met eerlijken arbeid bezighouden. De tijding van Christus' geboorte werd aan de herders gebracht, toen zij de wacht hielden over hun kudden. Het werk, dat hij deed, was een embleem van het grotere werk, waartoe hij nu geroepen stond te worden, zoals het vissen dit voor de apostelen was. Van het dorsen van tarwe wordt hij weggehaald om de Midianieten te dorsen, Jesaja 41:15.
3. In benauwdheid. Hij dorste zijn tarwe, niet op de dorsvloer, de bestemde plaats er voor, maar bij de wijnpers, in de een of andere verborgen hoek, uit vrees voor de Midianieten. Hij zelf leed onder de algemene ramp, en nu kwam de Engel hem bezielen en aanmoedigen tegen de Midianieten, nu hij zelf uit eigen ervaring kon spreken over het harde en zware van hun juk. De dag van de grootste benauwdheid is Gods tijd om tot hulp van Zijn volk te verschijnen. Laat ons nu zien wat er tussen de Engel en Gideon is voorgevallen, die, eer Hij was heengegaan, niet met zekerheid wist dat Hij een engel was, maar dacht dat Hij een profeet was.
A. De Engel sprak hem aan met achting, en verzekerde hem, dat God met hem was, vers 12. Hij noemt hem strijdbare held, of-naar de Engelse overzetting-machtig man van kloekmoedigheid, misschien wel omdat hij zag dat hij uit alle macht zijn koren dorste, en hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? -waarin dat werk dan ook moge bestaan-hij zal voor het aangezicht van koningen gesteld worden. Die getrouw is over het weinige, zal over veel gezet worden. Gideon was een man van een kloeke, werkzame geest en toch was hij nu als begraven in onbekendheid vanwege de ongerechtigheid van de tijden, maar hier wordt hij nu aangemoedigd om iets groots te ondernemen, met dat woord: De Heere is met u, of, zoals de Chaleër het leest: `Het Woord des Heeren is uw hulp." Het was zeer waar, dat de Heere met hem was, toen deze Engel met hem was. Met dit woord:
a. Geeft Hij hem zijn opdracht. Als wij God met ons hebben, dan zal dit ons rechtvaardigen en doorhelpen in onze ondernemingen.
b. Bezielt Hij hem, maakt Hij hem bekwaam voor de volvoering van zijn opdracht. "De Heere is met u om u te besturen en te sterken, u te bemoedigen en te ondersteunen."
c. Verzekert Hij hem van voorspoed, want zo God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn ? Zo Hij met ons is, kan ons niets ontbreken. Gods tegenwoordigheid is het alles in alles van onze voorspoed, wat wij ook doen. Gideon was een strijdbare held, en toch kon hij zonder de tegenwoordigheid Gods niets tot stand brengen, en die tegenwoordigheid is genoeg om ieder man tot een strijdbare held te maken en een man ten allen tijde met moed te bezielen.
B. Gideon gaf een zeer neerslachtig antwoord op deze blijde begroeting, vers 13. "Och mijn Heer, zo de Heere met ons is" (waarvoor de Chaldeër leest: Is "de Shechina des Heeren onze hulp?" dit dus hetzelfde makende als het Woord des Heeren) waarom is ons dan dit alles wedervaren? Al die moeite en dat verdriet, veroorzaakt door de invallen van de Midianieten, waardoor ik genoodzaakt ben om tarwe te dorsen bij de wijnpers, al dit verlies, al die smart en verschrikking, en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben?
Merk op in dit antwoord, dat hij geen achtslaat op de hem toegekenden lof, dat die hem ook niet in het minst verheft, of hem bemoediging geeft, hoewel de Engel zeer waarschijnlijk wat Hij zei aangepast heeft aan hetgeen waaraan Gideon heeft gedacht, terwijl zijn ijverige handen bezig waren met zijn tarwe, hebben zijn werkzaam brein en zijn kloekmoedig hart Israëls verlossing en Midians ondergang bepeinsd, met welk peinzen Hij, die het hart kent, als het ware, instemt, hem een strijdbare held noemende om die kloekmoedige plannen en voornemens, en hem een weg openende, om ze ten uitvoer te brengen. Maar Gideon alsof hij zich niet bewust was van iets groots of bemoedigende in zijn eigen gemoed, blijft slechts staan bij de verzekering, die de Engel hem gaf van Gods tegenwoordigheid, als hetgeen voor hen alle vertroosting in zich sloot. Merk op: de Engel sprak tot hem persoonlijk: De Heere is met u, maar Gideon spreekt voor hen allen: zo de Heere met ons is, zich voegende bij de duizenden Israëls, en geen troost erkennende, of zij moeten er allen in delen, zó verre is van hem het denkbeeld om hem te monopoliseren, al werd hem daar nu ook zo mooi de gelegenheid toe aangeboden. Mannen, aan wie het openbare welzijn ter harte gaat, achten dat alleen een eer en blijdschap voor zichzelf, dat hun de gelegenheid geeft om de openbare belangen van de kerk Gods te dienen.
Gideon was een strijdbare held, maar vooralsnog zwak in geloof, waardoor het moeilijk voor hem was om de verzekeringen, die hem nu gegeven waren van de tegenwoordigheid Gods, in overeenstemming te brengen met:
a. De ellende, waarin Israël nu gedompeld was, waarom is ons dan dit alles (en dit alles was niet weinig) wedervaren? Het is soms moeilijk, maar nooit onmogelijk, onze tegenspoed en de rampen die ons treffen, overeen te brengen met de tegenwoordigheid Gods en Zijn gunst.
b. Het toeven van hun verlossing. Waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben? Waarom heeft niet dezelfde macht, die onze vaderen verlost heeft van het juk van de Egyptenaren, ons verlost van de hand van de Midianieten?" Alsof, omdat God niet onmiddellijk wonderen werkte tot hun verlossing, al hebben zij ook door hun zonde Zijn gunst en hulp verbeurd, het nu ook betwijfeld moest worden, of Hij wel ooit de wonderen had gewerkt, die hun vaders hun verteld hadden of, zo Hij ze toen ook al gewerkt had, Hij thans dezelfde wijsheid, en macht en liefde voor Zijn volk had, die Hij vroeger gehad heeft. Dit was zwakheid. Wij moeten niet verwachten dat de wonderen, die gewrocht werden, toen de kerk geformeerd werd, en grote waarheden aan het licht gebracht moesten worden, voortgezet en herhaald zullen worden, als die formatie geschied is, en deze waarheden volkomen bevestigd zijn, neen en ook niet, dat de zegeningen en weldadigheden, die God geschonken heeft aan onze vaderen, die Hem dienden en zich trouw aan Hem hielden, vernieuwd zullen worden aan ons, als wij ontaarden en van Hem afvallen. Gideon had niet moeten zeggen:
Ten eerste: dat God hen in de hand van de Midianieten had gegeven, want door hun ongerechtigheden hadden Zij zich verkocht, noch,
Ten tweede, Dat, nu zij in hun handen waren, Hij hen verlaten had, want Hij had hun nu onlangs een profeet gezonden, vers 8, hetgeen een stellige aanduiding was, dat Hij hen niet had verlaten.
C. De Engel gaf hem een afdoend antwoord op zijn tegenwerpingen door hem de opdracht te geven om Israël uit de hand van de Midianieten te verlossen, en hem van welslagen er in te verzekeren, vers 14. Nu wordt de Engel JAHWEH genoemd, want Hij spreekt als gezaghebbende en niet als een boodschapper.
a. Er was iets buitengewoons in de blik, waarmee Hij Gideon nu aanzag, het was een genadig, gunstrijk aanzien, dat zijn terneergeslagen moed verlevendigde en zijn vrees tot zwijgen bracht een blik als die, waarmee "Gods aangezicht de oprechte aanschouwt," Psalm 11:7. Hij zag hem aan en glimlachte over zijn tegenwerpingen die Hij niet direct beantwoordde of weerlegde maar Hij bekleedde hem met een macht, waardoor hij weldra instaat zal zijn er zelf op te antwoorden, en zich dan schamen zal van ze ooit gemaakt te hebben. Het was een sprekende blik, zoals die, waarmee Christus Petrus heeft aangezien, Lukas 22:61, een machtige blik, een blik, die op verwonderlijke wijze nieuw licht en nieuw leven deed doordringen tot Gideons hart, en hem bezielde met een edelmoedige ijver, veel groter dan die hij in het eerst had gevoeld. b. Maar er was nog veel meer in hetgeen Hij tot hem zei.
Ten eerste. Hij gaf hem de last om als Israëls verlosser op te treden en te handelen. De weinigen onder het volk, die nadachten-en onder deze was Gideon zelf-verwachtten dat hun zo'n verlosser verwekt zou worden overeenkomstig Gods vroegere methode, in antwoord op het geroep van het verdrukte Israël, en nu wordt aan Gideon gezegd: "Gij zijt de man: Ga henen in deze uw kracht, deze kracht waarmee gij thans tarwe dorst, ga heen en gebruik haar voor een edeler doeleinde: Ik zal u een dorser van mensen maken." Of liever: "Deze kracht, waarmee gij thans door deze blik ziet begiftigd." God gaf hem zijn opdracht door hem al de hoedanigheden te geven, die nodig waren voor de volvoering er van, hetgeen meer is dan de machtigste vorsten en potentaten op aarde doen kunnen voor hen aan wie zij een opdracht geven. Gods bekwaammaking van de mensen voor werk is een stellig en blijvend bewijs, dat Hij er hen toe roept. "Ga heen niet in uw kracht, die natuurlijk en van uzelf is, steun niet op uw eigen dapperheid, maar ga heen in deze uw kracht, deze, die gij thans hebt ontvangen, ga heen in de kracht van de Heere God, dat is de kracht, waarmee gij u moet versterken."
Ten tweede. Hij verzekerde hem van voorspoed, dit was genoeg om hem te bezielen met moed, hij kon vertrouwen dat zijn poging niet zal mislukken, zij zal niet uitlopen op zijn eigen schande, noch op schade en nadeel voor zijn volk (zoals dit met mislukte ondernemingen gewoonlijk het geval is) maar op zijn eer en hun geluk, gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen, en zo zult gij niet alleen een ooggetuige van, maar een heerlijk werktuig zijn voor zulke wonderen als die uw vaders u verteld hebben." Wij kunnen veronderstellen dat Gideon er uitzag als iemand, die verbaasd was over de verwonderlijke, verrassende kracht, die hem was meegedeeld, en zich afvroeg, of hij wel aan kan op hetgeen hij, hoorde. De Engel bekrachtigt zijn opdracht door een "teste meipso-een beroep op zijn eigen gezag," meer was niet nodig. "Heb Ik u niet gezonden? Ik, die alle macht heb in hemel en op aarde, en hier inzonderheid macht heb als Israëls Koning, om op onmiddellijke wijze orders en opdrachten te geven. "Ik, die ben die Ik ben, " dezelfde, die Mozes gezonden heeft." Exodus 3:14.
D. Gideon maakte een zeer bescheiden bezwaar tegen deze opdracht, vers 15. Och mijn Heer, waarmee zal ik Israël verlossen? Deze vraag duidt hem aan: of
a. Als wantrouwende God en Zijn macht. Alsof het onmogelijk voor hem was Israël te verlossen, al zou God ook met hem wezen. Oprecht geloof is dikwijls zwak, toch zal het niet afgewezen, maar aangemoedigd en versterkt worden. Of:
b. Als begerig te weten welke methode hij er voor gebruiken moet. "Heere, alles is tegen mij voor zo'n onderneming, als ik het doen moet, dan moet Gij er mij voor op de weg stellen." Zij, die een opdracht krijgen van God, moeten instructies er voor zoeken bij Hem, en ze dan ook van Hem verwachten. Of liever:
c. Als nederig, zichzelf wantrouwend, en zelfverloochenend. De Engel had hem geëerd, maar zie, hoe geringschattend hij van zichzelf spreekt. "Mijn duizend, dat is mijn geslacht is, vergelijkenderwijs, het armste in Manasse (misschien meer verarmd door de Midianieten dan andere geslachten) "en ik ben de kleinste, dat is de geringste, in mijns vaders huis, wat zou ik vermogen te doen? Ik ben volkomen ongeschikt voor de dienst, en de eer er van onwaardig. God verkiest dikwijls grote dingen te doen door hen, die klein zijn inzonderheid die klein zijn in eigen ogen. God schept er behagen in de nederigen te verhogen.
E. Deze tegenwerping werd spoedig beantwoord met een herhaling van de belofte, dat God met hem zijn zal, vers 16. "Voer uw armoede en geringheid niet aan als een bezwaar, zulke dingen hebben wel dikwijls de mensen in de weg gestaan bij grote ondernemingen, maar wat betekenen zij voor een man, met wie de Heere is? daar toch Zijn tegenwoordigheid ruimschoots opweegt tegen alle gebrek aan eer of bezitting! Ik zal voorzeker met u zijn, vers 16 om u te besturen en te bekrachtigen, en ik zal zo'n eer op u leggen, u zulk een naam maken, dat gij, hoe gering-uw persoonlijke invloed ook is, krijgsknechten genoeg zult hebben om u te volgen, en wees er van verzekerd: gij zult de Midianieten slaan als één enkele man, even gemakkelijk alsof zij slechts een enig man waren en even krachtig en afdoend. Al de duizenden van Midian zullen wezen, alsof zij slechts een hoofd, hadden, dat gij met uw zwaard zult afhouwen."
F. Gideon wenst zijn geloof bevestigd te zien betreffende deze opdracht, want hij wil niet gaarne lichtgelovig zijn ten opzichte van hetgeen zozeer tot zijn eigen lof is, zich niet gaarne tot een onderneming begeven, die zo ver boven zijn krachten is, en waarin hij dan ook vele anderen zou moeten betrekken, maar hij zou gaarne overtuigd willen zijn van zijn gezag, en instaat zijn om anderen te overtuigen van het gezag van Hem, van wie hij deze opdracht ontvangen had. Daarom richt hij tot die Goddelijken persoon-wie Hij ook moge wezen, het verzoek:
a. Dat Hij hem een teken zal doen, vers 17. En daar hem de op dracht gegeven was buiten de gewone weg van de voorzienigheid, kon hij redelijkerwijs verwachten, dat zij bevestigd zal worden door een daad of werking Gods buiten de gewone loop van de natuur. "Doe mij een teken om mij te overtuigen van de waarheid betreffende hetgeen waarover Gij tot mij spreekt, dat het iets meer dan spreken is, en dat Gij het ernstig meent." Thans, nu wij onder de bedeling des Geestes leven, moeten wij geen tekenen verwachten voor onze ogen, zoals Gideon ze hier begeerde, maar moeten wij vurig tot God bidden, dat Hij, zo wij genade hebben gevonden in zijn ogen, ons een teken zal geven in ons hart, door de machtige werkingen Zijns Geestes, verruilende het werk des geloofs, en volledig makende wat er aan ontbreekt.
b. Dat Hij, te dien einde, zich een geschenk of onthaal zou laten welgevallen, om zodoende nog langer de gelegenheid te hebben van met Hem te spreken, vers 18. Zij, die weten wat het is, gemeenschap te hebben met God, begeren haar te doen voortduren, zijn er wars van om van Hem weg te gaan, en met Gideon bidden zij: Wijk toch niet van hier. Met zijn verzoek dat Hij nog blijven zou, bedoelde Gideon enige spijs voor deze vreemdeling te halen, hij nam Hem niet mee in huis om Hem daar te onthalen, hetzij omdat zijns vaders huis hem en zijn vrienden niet zeer genegen was, of omdat hij liever nog alleen wilde zijn met deze vreemdeling, teneinde het gesprek nog onder vier ogen met hem voort te zetten. Daarom roept hij ook geen dienaar om de spijs tot hem naar buiten te brengen, maar gaat ze zelf halen, of wel, omdat zijn vader Abraham aldus, zonder het te weten, engelen heeft geherbergd, niet in zijn tent, maar onder een boom, Genesis 18:8. Op de belofte des Engels dat Hij zal blijven, haastte hij zich een geitebokje te bereiden, dat waarschijnlijk reeds op het vuur was om voor zijn eigen middagmaal te dienen, zodat hij het slechts in een korf behoefde te leggen (want er was geen saus bij, en geen schotel met randversiering om het sierlijk op te dienen) en het nat deed hij in een pot, en zo bood hij het de vreemdeling aan vers 19. Hiermede bedoelde hij: Ten eerste. Zijn dankbare achting te bewijzen aan deze vreemdeling, en in hem aan God, die hem gezonden had, als er zich op toeleggende om Hem vergelding te doen. Hij had de armoede van zijn geslacht aangevoerd, vers 15, om zich voor verontschuldigd te laten houden van een legerhoofd te zijn, maar niet om zich voor verontschuldigd te laten houden van gastvrijheid te betonen. Uit het weinige, dat de Midianieten hem gelaten hadden, wilde hij genoeg afzonderen om een vriend te onthalen, inzonderheid een bode des hemels.
Ten tweede. Om te zien wie en wat deze buitengewone persoon was. Wat hij naar buiten bracht, wordt een geschenk genoemd, vers 18. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt wordt om een spijsoffer aan te duiden, en wellicht wordt dit woord, dat beide betekenissen heeft, gebruikt omdat Gideon bedoelde om het aan deze Goddelijke persoon over te laten te bepalen, wat het zijn zou, als het voor Hem stond, een maaltijd of een spijsoffer, en daarnaar zal hij zich dan een oordeel over Hem kunnen vormen, indien Hij er van at als van gewone spijze, dan zal hij veronderstellen dat hij een man, een profeet, is, maar anders zal hij weten met een engel te doen te hebben.
G. De Engel doet hem een teken, in en door hetgeen hij zo vriendelijk voor Hem bereid had, want wat wij aan God offeren tot Zijn eer, en ten teken van onze dankbaarheid aan Hem, zal door Gods genade ons ter vertroosting en voldoening verkeerd worden. De Engel beval hem het vlees en brood uit de korf te nemen, en het op een harde, koude rotssteen te leggen, en er het vleesnat op te gieten, dat, zo hij het warm naar buiten heeft gebracht, daar spoedig koud zou zijn, en Gideon deed alzo, vers 20 gelovende dat de Engel het beval, niet in minachting van zijn beleefdheid, maar om hem een teken te doen, hetgeen Hij ook tot zijn volkomen voldoening gedaan heeft. Want:
a. Hij verkeerde de spijs in een vuuroffer ten lieflijken reuk voor zichzelf, hiermede tonende dat Hij geen mens was die spijs behoefde, maar de Zone Gods, die gediend en geëerd moest worden door offeranden, en die, in de volheid des tijde, zichzelf zou offeren.
b. Hij bracht uit de rotssteen vuur tevoorschijn om dit offer te verteren, niet door de rotssteen te slaan, zoals wij vuur slaan uit een vuursteen, maar door een zachte aanraking met het einde van Zijn staf, vers 21. Hiermede gaf Hij hem een teken, dat hij genade had gevonden in Zijn ogen, want God betuigde Zijn welbehagen in offeranden door ze, indien zij in het openbaar gebracht werden, met vuur van de hemel aan te steken zoals die van Mozes en Elia, en indien zij, zoals dit hier, in het verborgen gebracht werden, met vuur uit de aarde, hetgeen er aan gelijk was-beide waren de uitwerking van Goddelijke macht, en dit aannemen van zijn offer betekende de aanneming van hemzelf, bevestigde zijn opdracht, en was misschien bedoeld om een teken te zijn van zijn welslagen in de volvoering er van, dat hij en zijn leger een onverwachte verschrikking en verwoesting zullen zijn voor de Midianieten, zoals dit vuur uit de rotssteen.
c. De Engel des Heeren ging weg uit zijn ogen, onmiddellijk, hij ging niet weg zoals een man, maar verdween als een geest. Hier was dus zoveel van een teken, als hij kon begeren.
H. Hoewel Gideon ongetwijfeld wèl bevestigd was in zijn geloof omtrent de Goddelijkheid van de persoon, die met hem gesproken had, was hij er toch voor het ogenblik in grote ontsteltenis door gebracht, totdat God hem gestadiglijk geruststelde en zijn vrees wegnam. a. Gideon duchtte gevaar voor zichzelf, vers 22. Toen hij zag dat het een Engel des Heeren was (hij bespeurde het niet voordat de Engel wegkwam uit zijn ogen, zoals de twee discipelen niet wisten dat het Jezus was, met wie zij hadden gesproken, eer Hij was weggegaan, Lukas 24:31,) toen riep hij uit: Ach Heere Heere, ontferm U over mij, ik ben verloren, omdat ik een Engel des Heeren gezien heb", zoals Jakob, die zich verwonderde dat hij in het leven was gebleven, toen hij God had gezien, Genesis 32:30. Van dat de mens door de zonde zich aan Gods toorn en vloek had blootgesteld, is hem een bode uit de hemel altijd een verschrikking geweest, daar hij nauwelijks op goede tijding vandaar durft hopen, tenminste in deze wereld van de zinnen is het iets ontzaglijke en aangrijpende om een waarneembare gemeenschap te hebben met die wereld van geesten, voor welke wij zulke vreemdelingen zijn geworden. Nu ontzinkt de moed aan Gideon.
b. God spreekt van vrede tot hem, vers 23. Het zou noodlottig voor hem hebben kunnen wezen, maar Hij verzekert hem dat het dit niet zijn zal. De Heere ging weg uit zijn ogen, vers 21. Maar, hoewel hij niet langer moet wandelen door aanschouwen, kan hij nog leven door geloof, het geloof, hetwelk is uit het gehoor, want de Heere zei tot hem met hoorbare stem, (zoals bisschop Patrick denkt) "Vrede zij u, alles is wel, en wees gij er van overtuigd, dat het zo is, vrees niet Hij, die kwam om u te gebruiken in Zijn dienst bedoelde niet u te doden, gij zult niet sterven" Zie hoe bereid God is, het hart te bemoedigen van hen, die beven voor Zijn woord en Zijn tegenwoordigheid, en hun, die ontzag hebben voor Zijn majesteit, verzekeringen te geven van Zijn genade.
Eindelijk. Het gedenkteken, dat Gideon oprichtte van dit visioen, had de vorm van een altaar, temeer, omdat het door een soort van offerande op een rotssteen was, zonder de plechtigheid van een altaar, dat de Engel Zijn welbehagen in hem te kennen gaf. Toen was het altaar niet nodig, de staf van de Engel was voldoende om de gave te heiligen zonder een altaar, maar nu was het dienstig om er de herinnering aan te bewaren, hetgeen geschiedde door de naam die hij er aan gaf, JHWH- shalom, vers 24, de Heere is vrede. Dat is:
a. De titel van de Heere, die tot hem sprak, vergel. Genesis 16:13. Dezelfde, die de Heere onze Gerechtigheid is, is onze Vrede, Efeziers 2:14, onze Verzoener, en aldus onze Zaligmaker. Of:
b. De substantie van hetgeen Hij tot hem gezegd had, "De Heere sprak vrede, en schiep deze vrucht van de lippen, zei mij kalm en gerust te zijn, toen ik aldus ontroerd was." Of:
c. Een gebed, gegrond op hetgeen Hij gezegd had, zo verstaan het de kanttekenaren op de Engelse vertaling des Bijbels: De Heere zende vrede, dat is: rust van de tegenwoordige beroering, want nog lag hem het openbare welzijn het naast aan het hart.