1 Petrus 5:5-7
Nadat de apostel den plicht van de herders of geestelijke leidslieden der gemeente gesteld en verklaard heeft, gaat hij nu over tot het onderrichten van de kudde.
I. Hoe zij zich te gedragen hebben tegenover hun dienaren en jegens elkaar Hij noemt hen: gij jongen, omdat zij over het algemeen jonger zijn dan hun deftige herders, en drukt hun hun minderheid op het hart, de naam "jonger" wordt door den Zaligmaker gebruikt om een ondergeschikte aan te duiden, Lukas 22:26. Hij vermaant hen, die jonger en dus de minderen zijt: zijt den ouden onderdanig, geeft hun personen de hun toekomende eer en eerbied, onderwerpt u aan hun vermaningen, bestraffingen en gezag, overeenkomstig hetgeen Gods Woord u gebiedt, Hebreeën 13:17. Jegens elkaar is de regel: Zijt allen elkaar onderdanig, zowel om van elkaar vermaning en raad te ontvangen, als om bereid te zijn elkanders lasten te dragen en elkaar alle diensten van vriendschap en liefde te bewijzen, terwijl de enkele personen zich hebben te onderwerpen aan de regelen van de gehele maatschappij, Efeze 5:21, Johannes 5:16. Daar deze plichten van onderdanigheid aan meerderen in jaren of bediening, en van onderwerping aan elkaar, strijden met de trotse natuur en de zelfzuchtige belangen der mensen, raadt hij hun: zijt met de ootmoedigheid bekleed. Laat uw zielen, uw gedrag, uw kleding, geheel uw optreden, versierd zijn met nederigheid, als het schoonste kleed dat gij dragen kunt, dan zullen gehoorzaamheid en plichtsvervulling u gemakkelijk vallen. Maar zo gij ongehoorzaam en lankmoedig zijt, zal God zich tegen u stellen en u dwarsbomen, want God wederstaat den hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
1. Ootmoedigheid is de grote bewaardster van vrede en orde in alle Christelijke gemeenten en gezelschappen, terwijl hovaardij de voornaamste verstoordster daarvan is, en de oorzaak van de meeste onenigheden en breuken in de gemeente.
2. Er is wederzijdse tegenstand tussen God en den hovaardigen: dat betekent het woord, zij strijden met elkaar en God toornt tegen dien vijand, Hij wederstaat den hovaardige, want die is gelijk de duivel zelf een vijand van God en van Zijne heerschappij over de mensen. Spreuken 3:34.
3. Wanneer God genade geeft aan den nederigen, geeft Hij meer genade, meer wijsheid, geloof, heiligheid en nederigheid. Daarom voegt de apostel er bij: Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd, vers 6. Omdat God den hovaardigen wederstaat maar den nederigen genade geeft, vernedert daarom uzelven, niet alleen voor elkaar maar voor den groten God, wiens oordelen over de wereld komende zijn en beginnen moeten van het huis Gods, Hoofdstuk 4:17. Zijne hand is almachtig en kan u gemakkelijk neerwerpen indien gij hovaardig zijt, of u verhogen zo gij nederig zijt, hetzij in dit leven, indien Hij dat nut tig voor u acht, en anders in den groten dag der vergelding. Leer hieruit:
A. De gedachte aan de alvermogende hand Gods moet ons nederig en in alle dingen aan Hem onderworpen maken, wat Hij ook over ons brengt.
B. Ons zelven vernederen onder Gods hand is het beste middel voor verlossing en verhoging, geduld onder Zijn kastijdingen, onderwerping aan Zijn welbehagen, berouw, gebed en hoop op Zijn barmhartigheid zullen ons Zijn hulp en verlossing verzekeren te Zijner tijd, Jakobus 4:7. II. De apostel, wetende dat deze Christenen reeds in zeer moeilijke omstandigheden verkeerden, onderstelt terecht dat hetgeen hij hun heet voorzegd van nog groter ontberingen, die in aantocht zijn, hen zal vervullen met al te grote zorg en vrees voor de komst van deze moeilijkheden, omtrent den uitslag daarvan voor hen zelven, de hunnen en de gemeente Gods, en omdat hij voorziet dat deze angstige zorg een zware last en een gevaarlijke verzoeking kan zijn, geeft hij hun den besten raad en voegt er een goede reden bij. Zijn raad is: Werpt al uw bekommernissen op Hem, van uzelven af op God. Werpt uw zorgen, die zo snijdend en belemmerend zijn, die uw zielen wonden en uw harten verscheuren, op de wijze en genadige voorzienigheid Gods, vertrouwt op Hem met een vasten, wel besloten geest, want Hij zorgt voor u. Hij is gewillig om u van uw bezorgdheid te ontslaan door uw zorgen op zich te nemen. Hij zal afwenden wat gij vreest of u er onder sterken. Hij zal alle gebeurtenissen zo voor u bestieren, dat gij overtuigd zult worden van Zijn vaderlijke liefde en tederheid voor u, en alles zal zo geregeld worden, dat er voor u geen kwaad, maar goed uit voortkomt, Mattheus 6:25, Psalm 84:12, Romeinen 8:28. Wij leren hier:
1. De beste Christenen zijn er vatbaar voor om te zwoegen onder angstige en buitensporige bezorgdheid, de apostel noemt het: al uw bekommernis, en duidt daardoor aan dat de zorgen der Christenen van allerlei aard zijn, zorgen voor zich zelven, voor de hunnen, voor het tegenwoordige, voor de toekomst, voor anderen, voor de gemeente.
2. De zorgen ook der godvrezenden zijn zeer zwaar en al te dikwijls zeer zondig, wanneer zij uit ongeloof en wantrouwen voortkomen, wanneer zij het gemoed afleiden en pijnigen, ons voor onze roeping ongeschikt maken en ons hinderen in onzen verblijdenden dienst van God, en dan zijn zij zeer misdadig.
3. Het beste middel tegen onmatige bezorgdheid is al onze bekommernissen op God te werpen en te erkennen, dat alles geschiedt naar Zijn wijze en genadige beschikking. Een vast geloof in de rechtmatigheid van den goddelijken wil en raad brengt den geest tot kalmte. Wij hielden ons tevreden, zeggende: de wil des Heeren geschiede! Handelingen 21:14.