Handelingen 5:1-11
Het hoofdstuk begint met een treurig maar dat een einde maakt aan het liefelijke en aangename in het aanzien der dingen, dat wij in de vorige hoofdstukken gehad hebben, evenals iedere mens, zo heeft ook iedere kerk, ook in haren besten toestand, een maar.
1. De discipelen waren zeer heilig en hemelsgezind, en schenen allen zeer goed en vroom, maar er waren geveinsden onder hen, wier hart niet recht was voor God, die, toen zij gedoopt werden en ene gedaante van Godzaligheid hadden aangenomen, de kracht derzelve verloochend hadden, en daarin te kort schoten. Er is aan deze zijde van den hemel ook in de beste kringen of gezelschappen, ene vermenging van kwaad met goed, tot aan den dag des oogstes zal er altijd onkruid onder de tarwe groeien.
2. Het was tot lof der discipelen, dat zij tot die volkomenheid gekomen waren, die Christus den rijken jongeling had aanbevolen-zij verkochten alles wat zij hadden, en gaven het den armen, maar zelfs datgene bleek een dekmantel voor de geveinsdheid, hetwelk voor het grootste blijk en bewijs van oprechtheid gehouden werd.
3. De tekenen en wonderen, door de apostelen gewrocht, waren tot nu toe wonderen van barmhartigheid geweest, maar nu komt een wonder des oordeels, en hier volgt een voorbeeld van strengheid op een voorbeeld van goedheid, opdat God bemind en tevens gevreesd zal worden. Wij hebben hier te letten op:
I. De zonde van Ananias en Saffira, zijne huisvrouw. Het is kostelijk om man en vrouw verenigd te zien in hetgeen goed is, maar saamverbonden te zijn in kwaad, is gelijk te wezen aan Adam en Eva, toen zij overeenkwamen om van de verboden vrucht te eten, en een waren in hun ongehoorzaamheid. Nu bestond hun zonde daarin:
1. Dat zij de eerzucht koesterden om voor zeer uitnemende discipelen gehouden te worden, die, als het ware, op den eersten rang stonden, terwijl zij in werkelijkheid gene ware discipelen waren. Zij wilden doorgaan voor de vruchtbaarste wijnstokken in Christus' wijngaard, terwijl in werkelijkheid de wortel der zaak niet in hen gevonden werd. Zij verkochten ene have, ene bezitting, en brachten het geld, (zoals Barnabas gedaan had) aan de voeten der apostelen, opdat zij zouden schijnen niet achter te staan bij den voornaamste der gelovigen, maar geprezen en toegejuicht zouden worden, en dus zo veel te meer kans zouden hebben op bevordering in de kerk, die zij wellicht dachten, weldra in wereldse praal en pracht te zien schitteren. Het is mogelijk, dat geveinsden zich in ene zaak verloochenen, maar dan is het om zich zelven te dienen of te zoeken in ene andere zaak, zij kunnen hun werelds voordeel of gewin opgeven in het ene, met het doel om er in het andere hun rekening bij te vinden, dat is: er winst door te behalen. Ananias en Saffira wilden belijdenis doen van het Christendom, en er een schoon gelaat in tonen naar het vlees, en aldus spotten zij met God en hebben anderen bedrogen, daar zij wisten, dat zij met die Christelijke belijdenis niet konden doorgaan. Het was loffelijk, en in zoverre ook recht, in dien rijken jongeling, dat hij niet wilde voorwenden Christus te volgen, daar hij wist, dat hij, als het er op aan kwam, niet aan Zijne voorwaarden zou kunnen voldoen, maar bedroefd heenging. Ananias en Saffira gaven voor, dat zij aan die voorwaarden wèl zouden kunnen voldoen, ten einde den goeden naam te hebben van discipelen te zijn, terwijl zij het in werkelijkheid niet konden, en het discipelschap dus schande aandeden. Het is dikwijls van de noodlottigste gevolgen voor de mensen, als zij verder gaan in hun belijdenis, dan met hun innerlijk beginsel overeenkomt.
2. Dat zij geldgierig waren, en geen vertrouwen hadden in God en Zijne voorzienige zorg. Zij verkochten hun have, en hebben toen wellicht in ene vlaag van ijver gene andere bedoeling gehad dan de gehele opbrengst aan liefdadige doeleinden te wijden, en zo deden zij ene gelofte, of hadden ten minste het stellige voornemen, om dit te doen, maar toen het geld ontvangen was, ontzonk hun de moed, en onttrokken zij van den prijs, vers 2, omdat zij het geld liefhadden, en het te zwaar vonden om er terstond geheel en al van te scheiden en het den apostelen toe te vertrouwen, en zij konden ook niet weten, of zij zelven het niet nodig zouden hebben. Hoewel thans alle dingen onderling gemeen waren, zou dit wel niet lang duren, en wat zouden zij doen in tijd van nood, wanneer zij zelven niets meer hadden? Zij konden Gods woord niet vertrouwen, dat dan voor hen voorzien zou worden, neen zij zullen verstandiger handelen dan de anderen, en iets opleggen voor den kwaden dag. Aldus dachten zij God en den mammon te kunnen dienen-God, door een deel van het geld aan de voeten der apostelen te leggen, en den mammon door het andere deel in hun eigen zak te houden, alsof er in God gene algenoegzaamheid was, om het geheel voor hen goed te maken, tenzij zij een deel er van in handen hielden als waarborgfonds. Hun hart was verdeeld, en dus werden zij berispelijk gevonden, Hosea 10:2 1). Zij hinkten op twee gedachten, indien zij volslagen wereldlingen waren geweest, zij zouden hun bezitting niet verkocht hebben, en indien zij volkomen Christenen waren geweest, zij zouden geen deel van den prijs onttrokken hebben.
3. Dat zij dachten de apostelen te bedriegen, en hen te doen geloven dat zij den gehelen prijs hadden gebracht, terwijl zij in werkelijkheid er slechts een deel van brachten. Zij kwamen met even veel gerustheid en zekerheid, en met een schijn van evenveel vroomheid en toewijding als iemand van de anderen, en legden het geld aan de voeten der apostelen, alsof het hun alles was. Zij veinsden bij God en Zijn' Geest, bij Christus en Zijne kerk en Zijne dienstknechten, en dit was hun zonde.
II. De aanklacht tegen Ananias, die bleek zijne veroordeling en straf te zijn wegens deze zonde. Toen hij het geld bracht, en verwachtte geprezen en aangemoedigd te worden, zoals de anderen bestrafte Petrus hem hierover. Zonder navraag of getuigenverhoor hieromtrent, heeft hij hem rechtstreeks en bepaald van deze misdaad beschuldigd, en hij verzwaart haar door ze hem in hare eigene kleuren te tonen, vers 3, 4. De Geest Gods in Petrus heeft niet slechts de daad ontdekt, zonder dat er enigerlei mededeling van gedaan was (toen waarschijnlijk ook geen mens ter wereld er iets van wist buiten den man en de vrouw zelven) maar ook het beginsel van heersend ongeloof in het hart van Ananias, dat de oorzaak er van was, en daarom is hij zo snel en zo plotseling tegen hem opgetreden. Indien het ene zonde uit zwakheid ware geweest, overvallen zijnde door de verzoeking, Petrus zou Ananias ter zijde hebben genomen, onder vier ogen, om hem te zeggen naar huis te gaan en het overige geld te halen, berouw te hebben en zich te bekeren van zijne dwaasheid in zijne poging om hem te bedriegen, maar hij wist dat zijn hart vol was om dat kwaad te doen, en daarom heeft hij hem geen tijd toegestaan ter bekering. Hier toonde hij hem:
1. Den oorsprong van zijne zonde: Satan heeft zijn hart vervuld, hij heeft ze hem niet slechts ingeblazen, ze hem in het hoofd gebracht, maar hem er met vastheid toe voortgedreven, om haar te begaan. Alles, wat tegenovergesteld is aan den goeden Geest, komt voort uit den bozen geest, en die harten worden door Satan vervuld, waarin wereldsgezindheid heerst en de overhand heeft. Sommigen denken, dat Ananias een dergenen was, die den Heiligen Geest hebben ontvangen, en vervuld waren van Zijne gaven, maar dat hij Hem tot toorn had verwekt, zodat Hij zich van hem onttrok, en nu vervulde Satan zijn hart, zoals toen de Geest des Heeren week van Saul, een boze geest van den Heere hem verschrikte. Satan is een leugengeest, dit was hij in den mond van Achabs profeten, en dit was hij in den mond van Ananias, en hierdoor heeft hij doen blijken, dat hij zijn hart had vervuld.
2. De zonde zelf: hij heeft den Heiligen Geest gelogen, ene zonde van zo gruwelijken aard, dat hij er zich niet schuldig aan gemaakt had kunnen hebben, indien Satan zijn hart niet had vervuld.
A. De zinsnede, die wij overzetten door: den Heiligen Geest liegen - pseusasthai se to pneuma to hagion, wordt door sommigen gelezen: den Heiligen Geest beliegen, dat in tweeërlei zin genomen kan worden. Ten eerste. Dat hij den Heiligen Geest logenstrafte in zich zelven. Zo wordt het opgevat door Dr. Lightfoot, die veronderstelt, dat Ananias geen gewoon gelovige, maar een leraar, een Evangeliedienaar was, die de gave des Heiligen Geestes had ontvangen met de honderd en twintig (want er wordt onmiddellijk na Barnabas melding van hem gemaakt), en toch heeft hij door aldus te veinzen die gave gelogenstraft en beschaamd. Of wel zo: Zij, die hun have hadden verkocht, en het geld aan de voeten der apostelen hadden gelegd, deden dit onder den onmiddellijken aandrang des Heiligen Geestes, die hen bekwaam maakte zo grootmoedig ene daad te doen, en Ananias gaf voor, dat hij, evenals anderen, door den Heiligen Geest bewogen was om te doen wat hij deed, terwijl het uit zijne laagheid bleek, dat hij volstrekt niet onder den invloed was van den goeden Geest, want, zo dit Zijn werk ware geweest, het zou volkomen geweest zijn. Ten tweede. Dat hij den Heiligen Geest logenstrafte in de apostelen, aan wie hij het geld bracht. Hij gaf ene verkeerde voorstelling van den Heiligen Geest, door wie zij bewogen werden, hetzij door ene verdenking, dat zij hetgeen hun toevertrouwd werd, niet getrouwelijk zouden uitdelen, (hetgeen ene laaghartige onderstelling was, alsof zij ontrouw waren in hun beheer), of wel door de verzekerdheid te hebben, dat zij het bedrog niet zouden kunnen ontdekken. Hij logenstrafte den Heiligen Geest, toen hij door hetgeen hij deed wilde doen denken, dat zij, die met den Heiligen Geest begiftigd zijn, even gemakkelijk bedrogen kunnen worden als andere mensen, zoals Gehazi, dien zijn meester overtuigde van zijne dwaling door dat woord: Ging niet mijn hart mede? 2 Koningen 5:26. Aan het huis van Israël en van Juda wordt ten laste gelegd, dat zij, gelijk Ananias hier, trouwelooslijk handelden, den Heere verloochenden, of belogen, zeggende: Hij is het niet, Jeremia 5:11, 12. Zo heeft Ananias gedacht, dat de apostelen waren zoals hij was, en dit was, in hen, den Heiligen Geest belas- teren, of beliegen, alsof Hij in hen niet was een Oordeler der geesten, terwijl zij toch al de gaven des Geestes in zich hadden, die aan anderen onderscheidenlijk uitgedeeld waren, zie 1 Corinthiërs 12:8-11. Zij, die hun eigene bedenksels, hetzij van mening of van praktijk, bij de kerk voor ene ingeving des Geestes willen doen doorgaan-die zeggen, dat zij van Boven bewogen worden, terwijl zij door hun hoogmoed, geldgierigheid of heerszucht gedreven worden, beliegen, dat is: belasteren den Heiligen Geest.
B. Maar wij lezen die woorden: den Heiligen Geest liegen, en die lezing wordt ondersteund door vers 4 :Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode. Ananias sprak ene leugen, ene opzettelijke leugen, met de bedoeling van te bedriegen. Hij zei tot Petrus, dat hij ene have, ene bezitting, verkocht had (een huis of een akker) en dat dit het geld was, dat hij er voor ontvangen had. Hij heeft zich misschien uitgedrukt in termen, die voor tweeërlei uitlegging vatbaar waren, ene dubbelzinnigheid er voor gebruikt, waardoor, naar hij dacht, de zaak enigszins bemanteld werd, en hij voor ene bepaalde leugen zou behoed worden. Of wellicht heeft hij niets gezegd, maar het kwam alles op hetzelfde neer, hij deed zoals de anderen deden, die den vollen prijs brachten, en wilde, dat men het daarvoor zou houden, en hij verwachtte den lof te ontvangen, die aan anderen, welke dit gedaan hadden, gegeven was, en hetzelfde voorrecht van toegang tot het algemene fonds te zullen hebben, dat zij hadden, en daarom was het ene stilzwijgende betuiging, dat hij evenals zij den vollen prijs gebracht had, en dit was ene leugen, want hij heeft een deel er van teruggehouden. Velen worden door hoogmoed en om de toejuiching van mensen te verkrijgen, inzonderheid ten opzichte van werken van liefdadigheid jegens de armen, tot grof liegen gebracht. Opdat wij dus niet bevonden worden ons zelven te beroemen op ene valse gift, die ons gegeven is, of door ons gegeven is, Spreuken 25:14, moeten wij ons zelfs niet beroemen op ene ware gift, hetgeen de bedoeling is van de waarschuwing onzes Heilands ten opzichte van werken van liefdadigheid: Laat uwe linkerhand niet weten, wat uwe rechter doet. Zij, die zich beroemen op goede werken, die zij nooit hebben gedaan, of goede werken beloven, die zij nooit doen, of de goede werken, die zij doen, groter en beter voorstellen dan zij zijn, vallen onder de schuld van de leugen van Ananias, welke te vrezen, voor ons allen van het grootste belang is, zelfs de gedachte er aan moet ons doen huiveren. Die leugen heeft hij gezegd aan den Heiligen Geest. Het was niet zozeer aan de apostelen als wel, in hen, aan den Heiligen Geest, dat het geld gebracht werd, en gezegd werd wat er gezegd was, vers 4. Gij hebt den mensen niet gelogen, (den mensen niet alleen, niet voornamelijk, hoewel de apostelen slechts mensen waren), maar gij hebt Gode gelogen. Hieruit wordt met recht afgeleid, dat de Heilige Geest God is, want die den Heiligen Geest liegt, liegt Gode. "Zij, die den apostelen logen, den apostelen, die gedreven werden door den Geest Gods, en door Hem handelden, worden gezegd Gode te liegen, omdat de apostelen handelden door d e kracht en op het gezag van God, waaruit volgt (heeft Dr. Whitby terecht opgemerkt) dat de kracht en het gezag van den Geest de kracht en het gezag van God moeten wezen." En, zoals hij verder betoogt, "Ananias wordt gezegd Gode te liegen, omdat hij dien Geest loog in de apostelen, die hen in staat stelde om de geheimen van der mensen hart en handelingen te onderscheiden, en daar dit ene eigenschap is van God alleen, moet Hij, die Hem liegt, dus Gode liegen, omdat hij Enen liegt, die de onmededeelbare eigenschap van God heeft, en bij gevolg ook het Goddelijk wezen is".
3. Het verzwarende van de zonde, vers 4.
Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe? en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Hetgeen op tweeërlei wijze verstaan kan worden:
A. "Gij waart onder gene verzoeking om van den prijs des lands te onttrekken, eer het verkocht was, was het het uwe, er was geen hypotheek op, het was niet verpand voor enigerlei schuld, en toen het verkocht was, had gij het in uwe macht, om er naar welgevallen over te beschikken, zodat gij evengoed het geheel als een deel er van had kunnen brengen. Gij had gene schulden te betalen, misschien gene kinderen om voor te zorgen, zodat gij niet onder den invloed waart van ene bijzondere aanleiding om een deel van den prijs terug te houden. Gij waart zonder enigerlei oorzaak of aanleiding een overtreder,'. Of wel:
B. "Gij waart niet onder de noodzakelijkheid van uw land te verkopen, of iets van het geld aan de voeten der apostelen te leggen. Gij zoudt het geld hebben kunnen houden, zo u dit had behaagd, en het land ook, gij had nooit aanspraak behoeven te maken op zulk ene daad van volmaaktheid". Dezen regel voor liefdadigheid geeft de apostel, opdat de mensen er niet toe gedrongen of gedwongen zouden worden, als iets dat noodzakelijk is, want God heeft een blijmoedigen gever lief, 2 Corinthiërs 9:7, en Filemon moet een goed werk doen, niet als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid, Filemon 14. Gelijk het beter is gene gelofte te doen, dan ene gelofte te doen en niet te betalen, zo zou het voor hem beter geweest zijn, zijn land niet te verkopen, dan aldus een deel van den prijs er van te onttrekken, niet te hebben voorgegeven het goede werk te doen, dan het ten halve te doen. "Verkocht zijnde, was het in uwe macht, maar het was niet in uwe macht nadat gij de gelofte had gedaan van het te geven, toen hebt gij uwen mond open gedaan tot den Heere, en hebt niet kunnen teruggaan. En zo is het, als wij ons hart den Heere geven, ons niet vergund het te verdelen. Satan zou, evenals de moeder, van wie het kind niet was, wel met de helft tevreden zijn, maar God wil alles of niets.
4. Al die schuld, aldus verzwaard, wordt op hem gelegd: Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Merk op: Hoewel Satan zijn hart heeft vervuld om het te doen, wordt toch gezegd dat hij het in zijn hart heeft voorgenomen, hetgeen aantoont, dat wij onze zonden niet kunnen vergoelijken door de schuld er van op den duivel te werpen, hij verzoekt, maar hij kan niet dwingen, het is van onze eigene begeerlijkheid, dat wij afgetrokken en verlokt worden. Het boze, waarin het ook moge bestaan, dat gezegd, of gedaan wordt, de zondaar heeft het in zijn eigen hart voorgenomen, of opgevat, en daarom: zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen. Het slot of einde der beschuldiging is zeer zwaar, maar zeer rechtvaardig: gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode. Welk een nadruk wordt door den profeet niet gelegd op de zonde van Achaz: Gij maakt niet alleen de mensen moede, maar ook God, Jesaja 7:13, en door Mozes op die van Israël: uwe murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen den Heere, Exodus 16:8. Zo ook hier: Gij zoudt ons, die mensen zijn, zo als gij, kunnen bedriegen, maar, dwaal niet, God laat zich niet bespotten. Indien wij denken God te bedriegen, dan zal het in het einde blijken, dat wij noodlottig onze eigene ziel hebben bedrogen.
III. Den dood en de begrafenis van Ananias, vers 5, 6.
1. Hij stierf ter eigener stonde: Ananias, deze woorden horende, verstomde, evenals hij, die beschuldigd werd van de bruiloftszaal binnen te dringen zonder bruiloftskleed aan te hebben, had hij niets ter zijner verontschuldiging te zeggen. Maar dat was niet alles, hij viel neer en gaf den geest. Het blijkt niet of Petrus bedoeld en verwacht had, dat dit zou volgen op hetgeen hij tot hem gezegd had, wèl is het waarschijnlijk, want over Saffira, zijne vrouw, heeft Petrus dit doodvonnis uitgesproken, vers 9. Sommigen denken, dat een engel hem sloeg, dat hij stierf, zoals Herodes, Hoofdstuk 12:23. Of wel, zijn eigen geweten sloeg hem, vervulde hem met zulk ene ontzetting over zijne schuld, dat hij onder den last er van neerzonk en stierf. En wellicht kwam hem, toen hij overtuigd was van den Heiligen Geest gelogen te hebben, het onvergeeflijke te binnen van het lasteren van den Heiligen Geest, dat hem als met een dolksteek het hart doorboorde. Let op de kracht van het woord Gods in den mond der apostelen. Gelijk het voor sommigen ene reuke des levens was ten leven, zo was het voor anderen ene reuke des doods ten dode. Gelijk er sommigen zijn, die door het Evangelie worden gerechtvaardigd, zo zijn er ook sommigen, die er door veroordeeld worden. De straf van Ananias moge streng schijnen, maar wij zijn er zeker van, dat zij rechtvaardig was.
A. Zij was bedoeld om de ere te handhaven van den Heiligen Geest, die nu onlangs op de apostelen was uitgestort, ten einde het Evangelie-koninkrijk op te richten. Het was een grote smaad, dien Ananias den Heiligen Geest had aangedaan, alsof Hij bedrogen kon worden: en het had de onmiddellijke strekking om het getuigenis der apostelen krachteloos te maken, want, indien zij door den Geest dit zijn bedrog niet konden ontdekken, hoe zouden zij dan door den Geest de diepe dingen Gods kunnen ontdekken, die zij aan de kinderen der mensen bekend moesten maken? Het was dus nodig, het aanzien van de gaven en krachten van de apostelen hoog te houden, al was het dan ook ten koste van dit leven.
B. Het was bestemd om, aan het begin dezer bedeling, anderen van deze zonde terug te houden. Simon de Tovenaar is later niet op dezelfde wijze gestraft geworden, evenmin als Elymas, maar Ananias werd nu aan het begin ten voorbeeld gesteld, opdat bij de merkbare bewijzen, die gegeven werden van het troostrijke en kostelijke om den Heiligen Geest te ontvangen, er ook merkbare bewijzen zouden zijn van het gevaarlijke om den Geest te weerstaan, en Hem smaadheid aan te doen. Hoe streng werd de aanbidding van het gouden kalf gestraft, en het hout lezen op den sabbatdag, toen de wetten van het tweede en vierde gebod kortelings waren gegeven! Zo ging het ook met het brengen van vreemd vuur op het altaar door Nadab en Abihu, en met de rebellie van Korach en zijne medegenoten, toen het vuur van den hemel pas gegeven was, en het gezag van Mozes en Aäron pas gevestigd was. Dat dit geschiedde door den dienst van Petrus, die zelf kort te voren zijn Meester met ene leugen verloochend had, geeft te kennen, dat het geen toorn was over een onrecht hem aangedaan, want dan zou hij, die zelf schuldig was, barmhartigheid gehad hebben jegens de overtreders, en hij, die zelf berouw heeft gehad van zijne zonde, en vergeving heeft erlangd, zou dezen smaad of belediging vergeven hebben, en gepoogd hebben den overtreder tot bekering te brengen, maar het was de daad van den Geest Gods in Petrus. Hem was de versmaadheid aangedaan, en door Hem werd de straf ten uitvoer gelegd.
2. Hij werd onmiddellijk begraven, want dit was de wijze van doen onder de Joden, vers 6.
De jongelingen, die waarschijnlijk door de gemeente waren aangesteld om de doden te begraven, zoals onder de Romeinen de libitinarii en pollinctores, of wel, de jongelingen, die de apostelen vergezelden en hen bedienden, schikten hem toe, wikkelden het dode lichaam in grafklederen en droegen het uit, buiten de stad, en begroeven het op betamelijke wijze, hoewel hij gestorven was in zijne zonde, en door een onmiddellijke slag der wrake Gods. I
V. De afrekening met Saffira, de vrouw van Ananias, die wellicht de eerste is geweest in overtreding, en haar man verleid heeft om van de verboden vrucht te eten. Zij kwam in de plaats waar de apostelen waren, die, naar het schijnt, Salomo's voorhof was, want daar vinden wij hen vers 12, een deel van den tempel, waar Christus placht te wandelen, Johannes 10:23. Het was omtrent drie uren daarna, dat zij inkwam, verwachtende dank te zullen ontvangen voor hare komst, en hare toestemming tot den verkoop van het land, waarop zij misschien voor haar weduwgoed, of haar derde, recht had, want zij wist niet wat er geschied was. Het was vreemd, dat niemand zich tot haar henen had gespoed om haar den plotselingen dood van haren man te berichten, opdat zij weg zou kunnen blijven. Wellicht heeft iemand het wel gedaan, maar vond haar niet in hare woning, en zo was het, dat zij, toen zij voor de apostelen verscheen als ene weldoenster, ene donatrice van het fonds, een breuke ontmoette in plaats van een zegen.
1. Door ene vraag, die Petrus haar deed, vers 8, kwam het uit, dat zij deelde in de zonde van haren man. Zeg mij hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? den prijs noemende, dien Ananias gebracht en aan de voeten der apostelen had gelegd. "Was dit alles, dat gij voor het land ontvangen hebt, en niet meer?" "Neen", zegt zij, "wij hebben er niet meer voor gehad, geen penning meer". Ananias was met zijne vrouw overeen gekomen, om hetzelfde verhaal te doen, en daar de verkoop niet in het openbaar had plaats gehad, en zij afgesproken hadden om de zaak onder zich te houden, kon niemand hen logenstraffen, daarom dachten zij veilig bij hun leugen te kunnen blijven, en geloof te zullen vinden. Het is treurig te zien hoe mensen, die door hun onderlinge betrekking elkaar moesten opwekken tot hetgeen goed is, elkaar stijven in hetgeen kwaad is.
2. Toen werd het vonnis over haar uitgesproken, dat zij ook in het oordeel van haren man zou delen, vers 9.
A. Hare zonde is blootgelegd: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Voor hij het vonnis uitspreekt, maakt hij haar hare gruwelen bekend, en toont haar het kwaad van hare zonde. Zij verzochten den Geest des Heeren, zoals Israël God verzocht had in de woestijn, toen zij zeiden: Is de Heere in het midden van ons of niet? nadat zij zo vele wonderbare bewijzen hadden van Zijne macht, en niet slechts van Zijne tegenwoordigheid, maar van Zijne leiding, toen zij zeiden: Kan God een tafel toerichten? Zo ook hier: "Kan de Geest des Heeren in de apostelen dit bedrog ontdekken? Kunnen zij ontdekken, dat dit slechts een gedeelte is van den prijs, als wij hun zeggen, dat het de volle prijs is?" Zal Hij door de donkerheid oordelen? Job 22:13. Zij zagen, dat de apostelen de gave der talen hadden, maar hadden zij ook de gave om de geesten te onderscheiden? Zij, die vertrouwen veilig en straffeloos te kunnen zondigen, verzoeken den Geest Gods, zij verzoeken God, menende, dat Hij ten enenmale is gelijk zij. Zij waren overeen gekomen om dit te doen, waardoor zij den band, die hen aan elkaar verbond, (en die door de Goddelijke instelling heilig is), tot ene samenknoping der ongerechtigheid hadden gemaakt. Het is moeilijk te zeggen, wat tussen echtgenoten, of andere verwanten, erger is-onenigheid in het goede, of eenstemmigheid in het kwade. Het schijnt aan te duiden, dat hun overeenkomen om dit te doen nog een verzoeken was van den Geest, alsof, toen zij zich verbonden hadden elkanders geheim te bewaren omtrent deze zaak, ook de Geest des Heeren zelf hen niet kon ontdekken. Aldus hebben zij zich diep verstoken, om hun raad voor den Heere te verbergen, maar het werd hun bekend gemaakt, dat dit te vergeefs was. "Hoe is het dat gij zo verdwaald zijt? Wat vreemde stompzinnigheid heeft zich van u meester gemaakt, dat gij ene proef wilt nemen met iets, dat onbetwistbaar is? Hoe is het, dat gij, die gedoopte Christenen zijt, u zelven niet beter begrijpt? Hoe hebt gij u aan zo groot gevaar durven blootstellen?"
B. Haar oordeel is uitgesproken. Zie, de voeten dergenen, die uwen man begraven hebben, zijn voor de deur, (misschien hoorde hij hen komen, of wist hij, dat zij niet lang meer konden uitblijven), en zullen u uitdragen. Gelijk Adam en Eva, die overeengekomen waren om van de verboden vrucht te eten, te zamen uit het paradijs werden verdreven, zo zijn Ananias en Saffira, die overeengekomen waren om den Geest des Heeren te verzoeken, te zamen uit de wereld verdreven.
3. Het vonnis werd van zelf ten uitvoer gelegd. Er was geen scherprechter nodig, ene dodelijke kracht ging uit van het woord van Petrus, zoals er soms ene genezende kracht van uitging, want God, in wiens naam Hij sprak, doodt en maakt levend, en uit Zijn mond, (en Petrus was nu Zijn mond) gaat het kwade uit en het goede. En zij viel terstond neer voor zijne voeten. Met sommige zondaren gaat God snel te werk, terwijl Hij anderen zeer lang verdraagt, voor welk verschil (in Zijne handelwijze) ongetwijfeld goede redenen zijn, maar Hij is er ons gene rekenschap van schuldig. Nu pas hoorde zij, dat haar man dood was, waarvan het bericht met de ontdekking harer zonde, en het doodvonnis, dat over haar was uitgesproken, haar als een donderslag getroffen heeft, en haar als door een dwarlwind wegvoerde. Er zijn vele voorbeelden van plotselinge sterfgevallen, die niet beschouwd moeten worden als de straf voor de ene of andere grove zonde, zoals deze. Wij moeten niet denken, dat allen, die plotseling sterven, zondaren zijn boven anderen. Dat plotselinge sterven kan wellicht een gunstbewijs voor hen zijn, om hen een snellen overgang te doen hebben, maar toch is het voor allen ene waarschuwing om altijd bereid te wezen. Hier echter was het klaarblijkelijk een oordeel. Sommigen stellen de vraag betreffende den eeuwigen staat van Ananias en Saffira, en zijn geneigd te denken, dat de vernietiging of verwoesting, van het vlees was, opdat de geest behouden zou zijn in den dag van den Heere Jezus. En ik zou willen instemmen met deze liefderijke onderstelling, indien hun enige tijd gelaten was tot bekering, zoals aan den bloedschendigen Corinthiër. Maar de verborgene dingen zijn niet voor ons. Zij viel neer voor de voeten van Petrus, dáár, waar zij den vollen prijs had moeten neerleggen, maar het niet gedaan had, was zij nu zelf neergelegd, om, als het ware, het ontbrekende aan te vullen.
De jongelingen, die de zorg hadden voor de begrafenissen, ingekomen zijnde, vonden haar dood, en nu wordt niet gezegd, dat zij haar toeschikten, zoals zij Ananias gedaan hadden, maar, zij droegen ze uit, zoals zij was, en begroeven haar bij haren man. Waarschijnlijk werd er een opschrift geplaatst op hun graf, aanduidende, dat zij gedenktekenen waren van den toorn Gods tegen hen, die den Heiligen Geest liegen. Sommigen werpen de vraag op, of de apostelen het geld behielden, dat zij gebracht hadden, en ten opzichte waarvan zij ge- logen hadden. Ik ben geneigd te denken, dat zij het gehouden hebben, zij hadden de bijgelovigheid niet van hen, die zeiden: Het is niet geoorloofd het in de offerkist te leggen, want den reinen is alles rein. Wat zij brachten was niet bezoedeld voor hen, aan wie zij het brachten, maar wat zij onttrokken was bezoedeld voor hen, die het hadden teruggehouden. De wierookvaten van Korachs muitelingen bleven in gebruik.
V. Den indruk, hierdoor teweeggebracht op het volk. In het midden van het verhaal wordt hier nota van genomen vers 5. Er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden, die hoorden wat Petrus zei, en zagen wat er op volgde, of, over allen, die het verhaal er van hoorden, want het gerucht er van ging voorzeker als een lopend vuurtje door de stad. En wederom, vers 11, Er kwam grote vreze over de gehele gemeente, en over allen, die dit hoorden.
1. Zij die zich bij de gemeente hadden gevoegd werden er door getroffen van ontzag voor God en Zijne oordelen en met groten eerbied voor de bedeling des Geestes, waaronder zij nu leefden. Het veroorzaakte gene verkilling in hun heilige blijdschap, maar het leerde hun er ernstig onder te zijn, en zich te verheugen met beven. Allen, die daarna hun geld aan de voeten der apostelen legden, waren bevreesd, om er iets van terug te houden.
2. Allen die het hoorden, geraakten er door in ontsteltenis, en waren bereid te zeggen: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van den Heere dezen Heiligen God en voor Zijn' Geest in de apostelen? Zoals in 1 Samuël 6:20.
B. "Gij waart niet onder de noodzakelijkheid van uw land te verkopen, of iets van het geld aan de voeten der apostelen te leggen. Gij zoudt het geld hebben kunnen houden, zo u dit had behaagd, en het land ook, gij had nooit aanspraak behoeven te maken op zulk ene daad van volmaaktheid". Dezen regel voor liefdadigheid geeft de apostel, opdat de mensen er niet toe gedrongen of gedwongen zouden worden, als iets dat noodzakelijk is, want God heeft een blijmoedigen gever lief, 2 Corinthiërs 9:7, en Filemon moet een goed werk doen, niet als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid, Filemon 14. Gelijk het beter is gene gelofte te doen, dan ene gelofte te doen en niet te betalen, zo zou het voor hem beter geweest zijn, zijn land niet te verkopen, dan aldus een deel van den prijs er van te onttrekken, niet te hebben voorgegeven het goede werk te doen, dan het ten halve te doen. "Verkocht zijnde, was het in uwe macht, maar het was niet in uwe macht nadat gij de gelofte had gedaan van het te geven, toen hebt gij uwen mond open gedaan tot den Heere, en hebt niet kunnen teruggaan. En zo is het, als wij ons hart den Heere geven, ons niet vergund het te verdelen. Satan zou, evenals de moeder, van wie het kind niet was, wel met de helft tevreden zijn, maar God wil alles of niets.
4. Al die schuld, aldus verzwaard, wordt op hem gelegd: Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Merk op: Hoewel Satan zijn hart heeft vervuld om het te doen, wordt toch gezegd dat hij het in zijn hart heeft voorgenomen, hetgeen aantoont, dat wij onze zonden niet kunnen vergoelijken door de schuld er van op den duivel te werpen, hij verzoekt, maar hij kan niet dwingen, het is van onze eigene begeerlijkheid, dat wij afgetrokken en verlokt worden. Het boze, waarin het ook moge bestaan, dat gezegd, of gedaan wordt, de zondaar heeft het in zijn eigen hart voorgenomen, of opgevat, en daarom: zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen. Het slot of einde der beschuldiging is zeer zwaar, maar zeer rechtvaardig: gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode. Welk een nadruk wordt door den profeet niet gelegd op de zonde van Achaz: Gij maakt niet alleen de mensen moede, maar ook God, Jesaja 7:13, en door Mozes op die van Israël: uwe murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen den Heere, Exodus 16:8. Zo ook hier: Gij zoudt ons, die mensen zijn, zo als gij, kunnen bedriegen, maar, dwaal niet, God laat zich niet bespotten. Indien wij denken God te bedriegen, dan zal het in het einde blijken, dat wij noodlottig onze eigene ziel hebben bedrogen.
III. Den dood en de begrafenis van Ananias, vers 5, 6.
1. Hij stierf ter eigener stonde: Ananias, deze woorden horende, verstomde, evenals hij, die beschuldigd werd van de bruiloftszaal binnen te dringen zonder bruiloftskleed aan te hebben, had hij niets ter zijner verontschuldiging te zeggen. Maar dat was niet alles, hij viel neer en gaf den geest. Het blijkt niet of Petrus bedoeld en verwacht had, dat dit zou volgen op hetgeen hij tot hem gezegd had, wèl is het waarschijnlijk, want over Saffira, zijne vrouw, heeft Petrus dit doodvonnis uitgesproken, vers 9. Sommigen denken, dat een engel hem sloeg, dat hij stierf, zoals Herodes, Hoofdstuk 12:23. Of wel, zijn eigen geweten sloeg hem, vervulde hem met zulk ene ontzetting over zijne schuld, dat hij onder den last er van neerzonk en stierf. En wellicht kwam hem, toen hij overtuigd was van den Heiligen Geest gelogen te hebben, het onvergeeflijke te binnen van het lasteren van den Heiligen Geest, dat hem als met een dolksteek het hart doorboorde. Let op de kracht van het woord Gods in den mond der apostelen. Gelijk het voor sommigen ene reuke des levens was ten leven, zo was het voor anderen ene reuke des doods ten dode. Gelijk er sommigen zijn, die door het Evangelie worden gerechtvaardigd, zo zijn er ook sommigen, die er door veroordeeld worden. De straf van Ananias moge streng schijnen, maar wij zijn er zeker van, dat zij rechtvaardig was.
A. Zij was bedoeld om de ere te handhaven van den Heiligen Geest, die nu onlangs op de apostelen was uitgestort, ten einde het Evangelie-koninkrijk op te richten. Het was een grote smaad, dien Ananias den Heiligen Geest had aangedaan, alsof Hij bedrogen kon worden: en het had de onmiddellijke strekking om het getuigenis der apostelen krachteloos te maken, want, indien zij door den Geest dit zijn bedrog niet konden ontdekken, hoe zouden zij dan door den Geest de diepe dingen Gods kunnen ontdekken, die zij aan de kinderen der mensen bekend moesten maken? Het was dus nodig, het aanzien van de gaven en krachten van de apostelen hoog te houden, al was het dan ook ten koste van dit leven.
B. Het was bestemd om, aan het begin dezer bedeling, anderen van deze zonde terug te houden. Simon de Tovenaar is later niet op dezelfde wijze gestraft geworden, evenmin als Elymas, maar Ananias werd nu aan het begin ten voorbeeld gesteld, opdat bij de merkbare bewijzen, die gegeven werden van het troostrijke en kostelijke om den Heiligen Geest te ontvangen, er ook merkbare bewijzen zouden zijn van het gevaarlijke om den Geest te weerstaan, en Hem smaadheid aan te doen. Hoe streng werd de aanbidding van het gouden kalf gestraft, en het hout lezen op den sabbatdag, toen de wetten van het tweede en vierde gebod kortelings waren gegeven! Zo ging het ook met het brengen van vreemd vuur op het altaar door Nadab en Abihu, en met de rebellie van Korach en zijne medegenoten, toen het vuur van den hemel pas gegeven was, en het gezag van Mozes en Aäron pas gevestigd was. Dat dit geschiedde door den dienst van Petrus, die zelf kort te voren zijn Meester met ene leugen verloochend had, geeft te kennen, dat het geen toorn was over een onrecht hem aangedaan, want dan zou hij, die zelf schuldig was, barmhartigheid gehad hebben jegens de overtreders, en hij, die zelf berouw heeft gehad van zijne zonde, en vergeving heeft erlangd, zou dezen smaad of belediging vergeven hebben, en gepoogd hebben den overtreder tot bekering te brengen, maar het was de daad van den Geest Gods in Petrus. Hem was de versmaadheid aangedaan, en door Hem werd de straf ten uitvoer gelegd.
2. Hij werd onmiddellijk begraven, want dit was de wijze van doen onder de Joden, vers 6.
De jongelingen, die waarschijnlijk door de gemeente waren aangesteld om de doden te begraven, zoals onder de Romeinen de libitinarii en pollinctores, of wel, de jongelingen, die de apostelen vergezelden en hen bedienden, schikten hem toe, wikkelden het dode lichaam in grafklederen en droegen het uit, buiten de stad, en begroeven het op betamelijke wijze, hoewel hij gestorven was in zijne zonde, en door een onmiddellijke slag der wrake Gods. I
V. De afrekening met Saffira, de vrouw van Ananias, die wellicht de eerste is geweest in overtreding, en haar man verleid heeft om van de verboden vrucht te eten. Zij kwam in de plaats waar de apostelen waren, die, naar het schijnt, Salomo's voorhof was, want daar vinden wij hen vers 12, een deel van den tempel, waar Christus placht te wandelen, Johannes 10:23. Het was omtrent drie uren daarna, dat zij inkwam, verwachtende dank te zullen ontvangen voor hare komst, en hare toestemming tot den verkoop van het land, waarop zij misschien voor haar weduwgoed, of haar derde, recht had, want zij wist niet wat er geschied was. Het was vreemd, dat niemand zich tot haar henen had gespoed om haar den plotselingen dood van haren man te berichten, opdat zij weg zou kunnen blijven. Wellicht heeft iemand het wel gedaan, maar vond haar niet in hare woning, en zo was het, dat zij, toen zij voor de apostelen verscheen als ene weldoenster, ene donatrice van het fonds, een breuke ontmoette in plaats van een zegen.
1. Door ene vraag, die Petrus haar deed, vers 8, kwam het uit, dat zij deelde in de zonde van haren man. Zeg mij hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? den prijs noemende, dien Ananias gebracht en aan de voeten der apostelen had gelegd. "Was dit alles, dat gij voor het land ontvangen hebt, en niet meer?" "Neen", zegt zij, "wij hebben er niet meer voor gehad, geen penning meer". Ananias was met zijne vrouw overeen gekomen, om hetzelfde verhaal te doen, en daar de verkoop niet in het openbaar had plaats gehad, en zij afgesproken hadden om de zaak onder zich te houden, kon niemand hen logenstraffen, daarom dachten zij veilig bij hun leugen te kunnen blijven, en geloof te zullen vinden. Het is treurig te zien hoe mensen, die door hun onderlinge betrekking elkaar moesten opwekken tot hetgeen goed is, elkaar stijven in hetgeen kwaad is.
2. Toen werd het vonnis over haar uitgesproken, dat zij ook in het oordeel van haren man zou delen, vers 9.
A. Hare zonde is blootgelegd: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Voor hij het vonnis uitspreekt, maakt hij haar hare gruwelen bekend, en toont haar het kwaad van hare zonde. Zij verzochten den Geest des Heeren, zoals Israël God verzocht had in de woestijn, toen zij zeiden: Is de Heere in het midden van ons of niet? nadat zij zo vele wonderbare bewijzen hadden van Zijne macht, en niet slechts van Zijne tegenwoordigheid, maar van Zijne leiding, toen zij zeiden: Kan God een tafel toerichten? Zo ook hier: "Kan de Geest des Heeren in de apostelen dit bedrog ontdekken? Kunnen zij ontdekken, dat dit slechts een gedeelte is van den prijs, als wij hun zeggen, dat het de volle prijs is?" Zal Hij door de donkerheid oordelen? Job 22:13. Zij zagen, dat de apostelen de gave der talen hadden, maar hadden zij ook de gave om de geesten te onderscheiden? Zij, die vertrouwen veilig en straffeloos te kunnen zondigen, verzoeken den Geest Gods, zij verzoeken God, menende, dat Hij ten enenmale is gelijk zij. Zij waren overeen gekomen om dit te doen, waardoor zij den band, die hen aan elkaar verbond, (en die door de Goddelijke instelling heilig is), tot ene samenknoping der ongerechtigheid hadden gemaakt. Het is moeilijk te zeggen, wat tussen echtgenoten, of andere verwanten, erger is-onenigheid in het goede, of eenstemmigheid in het kwade. Het schijnt aan te duiden, dat hun overeenkomen om dit te doen nog een verzoeken was van den Geest, alsof, toen zij zich verbonden hadden elkanders geheim te bewaren omtrent deze zaak, ook de Geest des Heeren zelf hen niet kon ontdekken. Aldus hebben zij zich diep verstoken, om hun raad voor den Heere te verbergen, maar het werd hun bekend gemaakt, dat dit te vergeefs was. "Hoe is het dat gij zo verdwaald zijt? Wat vreemde stompzinnigheid heeft zich van u meester gemaakt, dat gij ene proef wilt nemen met iets, dat onbetwistbaar is? Hoe is het, dat gij, die gedoopte Christenen zijt, u zelven niet beter begrijpt? Hoe hebt gij u aan zo groot gevaar durven blootstellen?"
B. Haar oordeel is uitgesproken. Zie, de voeten dergenen, die uwen man begraven hebben, zijn voor de deur, (misschien hoorde hij hen komen, of wist hij, dat zij niet lang meer konden uitblijven), en zullen u uitdragen. Gelijk Adam en Eva, die overeengekomen waren om van de verboden vrucht te eten, te zamen uit het paradijs werden verdreven, zo zijn Ananias en Saffira, die overeengekomen waren om den Geest des Heeren te verzoeken, te zamen uit de wereld verdreven.
3. Het vonnis werd van zelf ten uitvoer gelegd. Er was geen scherprechter nodig, ene dodelijke kracht ging uit van het woord van Petrus, zoals er soms ene genezende kracht van uitging, want God, in wiens naam Hij sprak, doodt en maakt levend, en uit Zijn mond, (en Petrus was nu Zijn mond) gaat het kwade uit en het goede. En zij viel terstond neer voor zijne voeten. Met sommige zondaren gaat God snel te werk, terwijl Hij anderen zeer lang verdraagt, voor welk verschil (in Zijne handelwijze) ongetwijfeld goede redenen zijn, maar Hij is er ons gene rekenschap van schuldig. Nu pas hoorde zij, dat haar man dood was, waarvan het bericht met de ontdekking harer zonde, en het doodvonnis, dat over haar was uitgesproken, haar als een donderslag getroffen heeft, en haar als door een dwarlwind wegvoerde. Er zijn vele voorbeelden van plotselinge sterfgevallen, die niet beschouwd moeten worden als de straf voor de ene of andere grove zonde, zoals deze. Wij moeten niet denken, dat allen, die plotseling sterven, zondaren zijn boven anderen. Dat plotselinge sterven kan wellicht een gunstbewijs voor hen zijn, om hen een snellen overgang te doen hebben, maar toch is het voor allen ene waarschuwing om altijd bereid te wezen. Hier echter was het klaarblijkelijk een oordeel. Sommigen stellen de vraag betreffende den eeuwigen staat van Ananias en Saffira, en zijn geneigd te denken, dat de vernietiging of verwoesting, van het vlees was, opdat de geest behouden zou zijn in den dag van den Heere Jezus. En ik zou willen instemmen met deze liefderijke onderstelling, indien hun enige tijd gelaten was tot bekering, zoals aan den bloedschendigen Corinthiër. Maar de verborgene dingen zijn niet voor ons. Zij viel neer voor de voeten van Petrus, dáár, waar zij den vollen prijs had moeten neerleggen, maar het niet gedaan had, was zij nu zelf neergelegd, om, als het ware, het ontbrekende aan te vullen.
De jongelingen, die de zorg hadden voor de begrafenissen, ingekomen zijnde, vonden haar dood, en nu wordt niet gezegd, dat zij haar toeschikten, zoals zij Ananias gedaan hadden, maar, zij droegen ze uit, zoals zij was, en begroeven haar bij haren man. Waarschijnlijk werd er een opschrift geplaatst op hun graf, aanduidende, dat zij gedenktekenen waren van den toorn Gods tegen hen, die den Heiligen Geest liegen. Sommigen werpen de vraag op, of de apostelen het geld behielden, dat zij gebracht hadden, en ten opzichte waarvan zij ge- logen hadden. Ik ben geneigd te denken, dat zij het gehouden hebben, zij hadden de bijgelovigheid niet van hen, die zeiden: Het is niet geoorloofd het in de offerkist te leggen, want den reinen is alles rein. Wat zij brachten was niet bezoedeld voor hen, aan wie zij het brachten, maar wat zij onttrokken was bezoedeld voor hen, die het hadden teruggehouden. De wierookvaten van Korachs muitelingen bleven in gebruik.
V. Den indruk, hierdoor teweeggebracht op het volk. In het midden van het verhaal wordt hier nota van genomen vers 5. Er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden, die hoorden wat Petrus zei, en zagen wat er op volgde, of, over allen, die het verhaal er van hoorden, want het gerucht er van ging voorzeker als een lopend vuurtje door de stad. En wederom, vers 11, Er kwam grote vreze over de gehele gemeente, en over allen, die dit hoorden.
1. Zij die zich bij de gemeente hadden gevoegd werden er door getroffen van ontzag voor God en Zijne oordelen en met groten eerbied voor de bedeling des Geestes, waaronder zij nu leefden. Het veroorzaakte gene verkilling in hun heilige blijdschap, maar het leerde hun er ernstig onder te zijn, en zich te verheugen met beven. Allen, die daarna hun geld aan de voeten der apostelen legden, waren bevreesd, om er iets van terug te houden.
2. Allen die het hoorden, geraakten er door in ontsteltenis, en waren bereid te zeggen: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van den Heere dezen Heiligen God en voor Zijn' Geest in de apostelen? Zoals in 1 Samuël 6:20.