1 Petrus 5:10-14
Wij komen nu tot het slot van den brief, waarin:
I. De apostel begint met een zeer belangrijk gebed, dat hij opzendt tot God als de God aller genade, de bewerker en voleinder van alle hemelse gave en eigenschap, met de betuiging dat God hen reeds geroepen had om deel te hebben aan die eeuwige heerlijkheid, welke, als Zijn eigendom, Hij aan hen beloofd en verzekerd had door de verdiensten en de tussenkomst van Jezus Christus. Merk hier op:
1. Waarom hij voor hen bidt. Niet dat zij mochten verschoond blijven van lijden, maar dat hun lijden gematigd en verkort mocht worden, en dat God, nadat zij een weinig tijds zouden geleden hebben, hun een vreedzamen en gelukkigen toestand geven mocht en Zijn werk in hen volmaken. Dat Hij hen wilde bevestigen tegen wankeling, zowel in het geloof als in hun plicht, dat Hij de zwakken wilde versterken en hen vaststellen op Christus als het fondament, zo vast dat hun vereniging met Hem onlosmakelijk en eeuwig zou zijn
A. Alle genade is van God, Hij is het, die de mensen staande houdt, bekeert, vertroost en zalig maakt door Zijne genade.
B. Allen, die geroepen zijn tot den staat van genade, zijn geroepen tot deelgenootschap aan de eeuwige heerlijkheid en gelukzaligheid.
C. Zij, die geroepen worden om door Jezus Christus erfgenamen van het eeuwige leven te zijn, moeten toch lijden in deze wereld, maar hun lijden duurt slechts korten tijd.
D. De volmaking, bevestiging en versterking van de gelovigen in de genade en hun volharding daarin zijn zulk een moeilijk werk, dat alleen de God van alle genade het kan volbrengen, en daarom moet Hij met allen ernst gezocht worden onder voortdurend gebed en in vertrouwen op Zijne beloften.
2. Zijne lofverheffing, vers 11. Uit deze lofverheffing kunnen wij leren dat zij, die genade verkregen hebben van den God aller genade, Hem de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid zullen toekennen.
II. Hij trekt het doel van het schrijven van dezen brief aan hen samen in vers 12, en wel:
1. Hij betuigt en verzekert hen in de krachtigste bewoordingen dat de leer der zaligheid, die hij hun uitgelegd had en die zij omhelsd hadden, de waarachtige genade Gods is, voorzegd door de profeten en geopenbaard door Jezus Christus.
2. Hij vermaant hen ernstig, om, gelijk zij het Evangelie aangenomen hebben, daarin standvastig te blijven, niettegenstaande de kunstgrepen der verleiders en de vervolgingen hunner vijanden.
A. De voornaamste zaak, welke de dienaren moeten bedoelen in al hun werk, is de gemeente te overtuigen van de zekerheid en voortreffelijkheid van den Christelijken godsdienst, die betuigden en vermaanden de apostelen met al hun kracht. B. Een vaste overtuiging, dat wij op den rechten weg ten hemel zijn, is het beste middel om standvastig te blijven en te volharden.
III. Hij beveelt hun Silvanus aan, den man door wie hij hun den brief zond, als een broeder, dien hij getrouw en hun genegen achtte, en hoopte dat zij hem als zodanig zouden achten, ofschoon hij een dienaar uit de heidenen was. Betamelijke achting voor de dienaren draagt veel bij tot het welslagen van hun ar beid. Indien wij de overtuiging hebben dat zij getrouw zijn, zullen wij meer voordeel van hun diensten hebben. Het vooroordeel, dat sommigen van de Joden konden hebben tegen Silvanus, als een dienaar uit de heidenen, zou spoedig verdwijnen wanneer zij overtuigd werden, dat hij een getrouw broeder was.
IV. Hij besluit met groeten en plechtige zegenbede. Petrus, die te Babylon in Assyrië was toen hij dezen brief schreef (waarheen hij als apostel der besnijdenis zich begeven had, om die gemeente te bezoeken, welke de voornaamste van de verstrooiing was), zendt de groeten van deze gemeente aan de andere, aan welke hij schreef, vers 13, en zegt haar dat God de Christenen te Babylon uit de wereld uitverkoren had om Zijne gemeente te zijn en met hen en alle andere getrouwe Christenen deel te hebben aan de eeuwige zaligheid in Christus Jezus, Hoofdstuk 1:2. In dezen groet verenigt hij ook Markus, den evangelist, die toen bij hem was, en die in geestelijken zin zijn zoon was, omdat hij hem tot het Christendom had gebracht. Merk op:
1. Alle gemeenten van Jezus Christus behoren de innigste genegenheid voor elkaar te hebben, zij moeten elkaar liefhebben, voor elkaar bidden en elkaar zoveel helpen als haar mogelijk is.
2. Hij vermaant hen tot vurige liefde en weldadigheid jegens elkaar, en vraagt hun dat te tonen door den kus der liefde, vers 14, overeenkomstig de algemene gewoonte van die tijden en landen. En daarna besluit hij met een zegenbede, die hij beperkt tot allen, die in Christus Jezus zijn, met Hem verenigd door het geloof en gezonde leden van Zijn mystieke lichaam. De zegen, dien hij over hen afbidt, is vrede, waarmee hij bedoelt alle nodige goed, allen voorspoed, waartoe hij zijn amen voegt ten teken, dat het zijn ernstige begeerte en onbetwijfelde verwachting is, dat die zegen van vrede het deel van alle gelovigen zal zijn.