Numeri 10:29-36
I. Wij hebben hier een bericht van hetgeen voorviel tussen Mozes en Hobab, nu het leger Israëls zijn tocht begon naar Kanaän. Sommigen denken dat Hobab dezelfde was als Jethro, Mozes' schoonvader, en dat het verhaal in Exodus 18 hier behoort plaats te hebben, maar het is meer waarschijnlijk, dat Hobab de zoon was van Jethro, die ook Rehuel genaamd is, Exodus 2:18, en dat, toen de vader, die op jaren was naar zijn eigen land terugkeerde, Exodus 18:27 hij zijn zoon Hobab bij Mozes achterliet, zoals Barzillai Chimham bij David achterliet, en hetzelfde woord betekent zowel schoonvader als schoonbroeder. Nu is deze Hobab wel gaarne bij Israël gebleven, zolang zij bij de berg Sinai, dus dicht bij zijn eigen land, gelegerd waren, maar nu zij voorttrokken, wilde hij naar zijn eigen land en maagschap en naar het huis van zijn vader weerkeren.
1. Nu hebben wij hier de vriendelijke uitnodiging, die Mozes hem gaf, om met hen naar Kanaän te gaan, vers 29. Hij lokt hem met de belofte, dat zij goed en vriendelijk voor hem zullen wezen, en stelt er Gods woord voor ten onderpand. De Heere heeft over Israël het goede gesproken. Alsof hij zei: "Kom, wees lotgenoot met ons, en wat wij hebben zult gij hebben, en wij hebben er de belofte Gods voor dat wij het goed zullen hebben." Zij, die op reis zijn naar het hemelse Kanaän, moeten al hun vrienden opwekken om met hen te gaan, want wij zullen er niet minder om hebben van de schatten van het verbond en de genietingen van de hemel, als anderen ze met ons delen. En welk argument kan krachtiger bij ons zijn om Gods volk tot ons volk aan te nemen dan dit: dat God het goede over hen gesproken heeft! Het is goed om gemeenschap te hebben met hen, die gemeenschap hebben met God, 1 Johannes 1:3 en te gaan met hen, met wie God is, Zacheria 8:23.
2. Hobabs neiging en tegenwoordig besluit om naar zijn eigen land weer te keren, vers 30. Men zou gedacht hebben dat hij, die zoveel gezien had van de bijzondere tegenwoordigheid van God onder Israël, en zulke grote bewijzen van Zijn gunst jegens hen, geen zo sterke overreding nodig zou gehad hebben om met hen te gaan. Maar zijn weigering moet toegeschreven worden aan zijn gehechtheid aan zijn geboortegrond, die niet overwonnen werd, zoals zij had moeten overwonnen worden, door een gelovig achtslaan op de belofte van God en een waardering van de verbondszegeningen. Wèl was hij een afstammeling van Abraham (want de Midianieten waren Abrahams nakomelingen door Ketura) maar hij was geen erfgenaam van Abrahams geloof, Hebreeën 11:8, want dan had hij Mozes dit antwoord niet gegeven. De dingen van deze wereld, die gezien worden trekken af van de dingen van de andere wereld, die niet gezien worden. De magnetische kracht van deze aarde is voor de meeste mensen sterker dan de aantrekkelijkheid van de hemel zelf.
3. De sterke aandrang, die Mozes aanwendde om hem van besluit te doen veranderen, vers 31, 32. Hij voert aan:
a. Dat hij hun van dienst zal kunnen wezen. "Wij zullen ons legeren in de woestijn," (een land, dat aan Hobab welbekend was), zo zult gij ons tot ogen zijn, niet om ons aan te wijzen waar wij ons moeten legeren, noch werwaarts wij heen moeten gaan", (de wolk zal hun dit alles aanwijzen), maar om ons de gerieflijkheden of ongerieflijkheden aan te tonen van de plaats, waar wij door heen gaan, of waar wij ons legeren, opdat wij van de gerieflijkheden het beste gebruik maken, en ons tegen de ongerieflijkheden zo goed wij kunnen beschutten. Het is zeer goed bestaanbaar met ons vertrouwen op de voorzienigheid Gods om ook gebruik te maken van de hulp van onze vrienden in die dingen, waarin zij ons van dienst kunnen wezen. Zelfs zij, die door een wonder werden geleid, moeten de gewone middelen tot bestuur en leiding niet geringschatten. Sommigen denken dat Mozes dit aldus aan Hobab heeft voorgesteld, niet omdat hij zo heel veel nut verwachtte van zijn kennis van het land, maar om hem te strelen met het denkbeeld, dat hij aan zo'n grote menigte van mensen van dienst zal kunnen wezen, en hem aldus te lokken door zijn begeerte op te wekken om die eer te verkrijgen. Calvijn geeft een geheel anderen zin aan deze Schriftuurplaats, zeer in overeenstemming met het oorspronkelijke, maar ik bevind niet dat daar later door anderen nota van is genomen. "Ik bid u, verlaat ons niet maar ga met ons, om met ons in het beloofde land te delen, want daarom hebt gij onze legeringen in de woestijn gekend, en zijt gij ons tot ogen geweest, en wij kunnen u geen vergoeding bieden voor de ontberingen die gij met ons geleden hebt, en voor de vele goede diensten, die gij ons hebt bewezen, tenzij gij met ons naar Kanaän gaat. Gij zijt toch voorzeker met ons opgetrokken, om nu ook voortaan bij ons te blijven." Zij, die goed zijn begonnen, moeten dit als een reden gebruiken om nu ook goed voort te gaan, daar zij anders het voordeel en het loon zullen missen van al hetgeen zij gedaan en geleden hebben.
b. Dat zij goed voor hem zullen wezen, vers 32. Het zal geschieden als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal waarmee de Heere bij ons weldoen zal dat wij u ook weldoen zullen. Wij kunnen slechts geven wat wij ontvangen. Wij kunnen onze vrienden geen meer dienst doen of vriendelijkheid bewijzen, dan het Gode behaagt in ons vermogen te geven. Dat is alles wat wij durven beloven, goed te doen naardat God het ons geven zal. Zij, die met het Israël van God delen in hun moeite, zullen ook met hen delen in hun zegeningen en hun eer. Zij, die lotgenoot met hen willen wezen in de woestijn, zullen deel en lot met hen hebben in Kanaän, indien wij met hen lijden, zullen wij ook met hen heersen, 2 Timotheus 2:12, T Lukas 22:28,29.
Wij bevinden niet dat Hobab Mozes geantwoord heeft, en daarom hopen wij dat zijn stilzwijgen instemming te kennen gaf en dat hij hen niet verlaten heeft, maar dat hij, bemerkende hoe hij hun nuttig en van dienst zou kunnen zijn, hieraan de voorkeur gaf boven zijn eigen zin en neiging, en in dat geval heeft hij ons een goed voorbeeld nagelaten. En wij zien in Richteren 1:16, en 1 Samuël 15:6,. S dat zijn geslacht daar niets bij verloren heeft.
II. Een bericht van de gemeenschap tussen God en Israël bij dit vertrek. Zij togen weg van de berg des Heeren, vers 33, die berg Sinaï, waar zij Zijn heerlijkheid hadden gezien en Zijn stem hadden gehoord, en in verbond met Hem waren opgenomen, (zij moeten niet verwachten dat zulke verschijningen van God aan hen, als waarmee zij toen gezegend en bevoorrecht waren, voortdurend zouden plaatshebben) zij togen weg van die vermaarde berg, waarvan wij nooit meer lezen in de Schrift, behalve met toespeling op deze geschiedenissen in het verleden. En nu, vaarwel Sinaï, "Zion is" de berg, waarvan God gezegd heeft: "Dit is Mijne rust tot" "in eeuwigheid," Psalm 132:14, en waarvan wij ook dit moeten zeggen. Maar toen zij wegtogen van de berg des Heeren, hebben zij de ark des verbonds des Heeren meegenomen, door welke hun gemeenschap met God in stand werd gehouden. Want daardoor:
1. Heeft God hun paden recht gemaakt. De ark van het verbond ging hen voor, sommigen denken ten opzichte van plaats tenminste bij dit vertrek, anderen denken, slechts ten opzichte van invloed, hoewel zij in het midden van het leger werd gedragen, heeft toch de wolk, die er boven zweefde, hen in al hun bewegingen geleid. De ark, dat is: de God van de ark, wordt gezegd een rustplaats voor hen uit te zoeken, niet alsof Gods oneindige wijsheid en kennis het nodig heeft iets te zoeken maar elke plaats waarheen zij geleid werden was zo gerieflijk voor hen, alsof de verstandigste man onder hen gezonden was om voor hen uit te gaan en de beste legerplaats voor hen aan te wijzen. Zo wordt van Kanaän gezegd, dat het het land is, hetwelk God voor hen had "uitgezocht," Ezechiël 20:6.
2. Hierdoor hebben zij in al hun wegen God erkend, haar beschouwende als een teken van Gods tegenwoordigheid als zij in beweging was of rustte hadden zij het oog op God. Als de mond van de vergadering heeft Mozes, als de ark optrok en als zij rustte een gebed opgezonden, aldus werd hun uitgaan en hun inkomen geheiligd door gebed, en het is een voorbeeld voor ons om iedere dagreize en ieder dagwerk te beginnen en te eindigen met gebed.
A. Hier is het gebed bij het optrekken van de ark vers 35. Sta op, Heere, en laat Uwe vijanden verstrooid worden. Zij waren nu in een woest land, maar zij trokken heen naar het land van een vijand, en zij steunden op God voor voorspoed en overwinning in de strijd, zowel als voor leiding en voorraad van levensmiddelen in de woestijn. David heeft lang daarna dit gebed gebruikt, Psalm 68:2, want ook hij heeft de strijd des Heeren gestreden.
Merk op:
a. Er zijn van de zodanigen in de wereld, die vijanden zijn van God en die Hem haten, verborgen en openbare vijanden, vijanden van Zijn waarheid, Zijn wetten, Zijn inzettingen, Zijn volk.
b. De verstrooiing en tenonderbrenging van Gods vijanden is iets, dat door al het volk des Heeren vurig begeerd en gelovig verwacht moet worden. Dit gebed is een profetie. Zij, die volharden in opstand tegen God, spoeden zich heen naar hun verderf.
c. Om Gods vijanden te verstrooien en te verdoen, is er niets meer nodig dan dat God opstaat. "Toen God opstond ten oordeel," was het werk spoedig gedaan, Psalm 76:9, 10. "Sta op, Heere, zoals de zon opstaat om de schaduwen van de nacht te verstrooien." Christus' opstanding van de doden heeft Zijn vijanden verstrooid, Psalm 68:19.
B. Zijn gebed als de ark rustte, vers 36.
a. Dat God Zijn volk doe rusten. Sommigen lezen het aldus: "0 Heere, doe de vele duizenden van Israël wederkeren tot hun rust na hun vermoeienis." Zo staat er in Jesaja 63:14 " de Geest des Heeren heeft" "hun rust gegeven." Zo bidt hij dat God aan Israël voorspoed en overwinning zal geven naar buiten, vrede en rust in hun eigen land.
b. Dat God zelf onder hen zou rusten. Zo lezen wij het: kom weer, Heere, tot de tienduizenden van de duizenden Israëls. De kerk Gods is een grote menigte, er zijn vele duizenden, die tot Gods Israël behoren. In ons gebed behoren wij die menigte met liefde te gedenken. Het welzijn en geluk van het Israël van God bestaat in de voortdurende tegenwoordigheid van God onder hen. Hun veiligheid is niet gelegen in hun aantal, al zijn zij ook duizenden, ja vele duizenden, maar in de gunst van God en Zijn genaderijk weerkeren tot hen en verblijf onder hen. Deze duizenden zijn nullen, Hij is het cijfer, en daarom: Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk?