1 Kronieken 5:1-17
Wij hebben hier een uittreksel van de geslachtsregisters:
1. Van de stam van Ruben waarbij:
A. De reden is opgegeven waarom deze stem aldus achtergesteld is. Het wordt erkend dat hij Israëls eerstgeborene was, en dieswege recht op de voorrang gehad zou hebben, maar door zijns vaders bijwijf te verontreinigen, heeft hij zijn geboorterecht verbeurd en werd hij veroordeeld om niet uit te munten "de voortreffelijkste niet te zijn", Genesis 49:3, 4.
De zonde vermindert de mensen, werpt hen neer van hun hoogte. Zonden tegen het zevende gebod inzonderheid laten een onuitwisbare vlek op van de mensen naam en geslacht, een smaad die door de tijd niet weggenomen wordt.
Rubens nageslacht draagt tot het laatste toe de schande van Rubens zonde. Maar hoewel deze stam vernederd werd, werd hij toch niet buitengesloten of onterfd. Ruben verliest zijn eerstgeboorterecht, maar het gaat niet over op Simeon die op hem volgde, want het was een type, en daarom moet het niet naar de loop van de natuur gaan, maar naar de keus van de genade. De voordelen van het geboorterecht waren: heerschappij en een dubbel deel. Ruben had ze verbeurd, maar nu werd het te veel geacht, dat zij aan een enkele persoon zouden overgaan, en daarom werden zij verdeeld:
a. Jozef had het dubbele deel, want uit hem zijn twee stammen voortgekomen, Efraïm en Manasse, ieder van hen had een kindsdeel, want aldus heeft Jakob hen door het geloof gezegend, Hebreeën 11:21 , Genesis 48:15, 22, en ieder van deze twee was even aanzienlijk en van evenveel gewicht als een van de twaalf stammen, behalve Juda. Maar:
b. Juda had de heerschappij, hem heeft de stervende aartsvader de scepter vermaakt, Genesis 49:10. Uit hem kwam de voornaamste heerser, eerst David, en in de volheid des tijds Messias, de Vorst, Micha 5:1. Deze eer was voor Juda bestemd, hoewel Jozef het geboorterecht kreeg, en die eer hebbende, behoefde hij Jozef het dubbele deel niet te benijden.
B. De geslachtslijst van de vorsten van die stam, de voornaamste familie er van (velen zijn ongetwijfeld weggelaten) tot aan Beëra, die hun hoofd was, toen de koning van Assyrië hen gevankelijk wegvoerde, vers 4 -6. Misschien wordt hij vermeld als overste van de Rubenieten in die tijd, omdat hij het zijne niet deed om die ramp te voorkomen.
C. De uitbreiding van de grenzen van die stam. Zij namen toe, hun vee vermenigvuldigde, en nu verdrongen zij hun naburen, de Hagarenen, en zetten hun veroveringen voort, wel niet tot aan de Eufraat, maar toch tot aan de woestijn, die aan deze rivier paalde, vers 9, 10.
Zo heeft God voor Zijn volk gedaan wat Hij hun beloofd heeft, Hij heeft de vijand allengs voor hun aangezicht uitgestoten, en hun hun land gegeven, naardat zij er behoefte aan hadden, Exodus 23:30. 2. Van de stam van Gad. Sommige grote geslachten van die stam worden hier geroemd, vers 12. Zeven, die de kinderen waren van Abihail, wiens stamboom opwaarts gaat, van de zoon naar de vader, vers 14, 15, zoals die in vers 4, 5, afwaarts gaat van vader op zoon.
Deze geslachtsregisters werden voltooid in de dagen van Jotham, koning van Juda, maar werden enige tijd tevoren begonnen onder de regering van Jerobeam 11, koning van Israël.
Welke bijzondere redenen er voor waren om toen die registers te maken, blijkt niet, maar het was even vóór zij gevankelijk weggevoerd werden door de Assyriërs, zoals blijkt uit 2 Koningen 15:29, 32.
Toen de oordelen Gods op het punt waren om over hen los te barsten wegens hun ellendige ontaarding en afval, toen hebben zij zich in hun geslachtsregisters er op verhovaardigd, dat zij de kinderen waren des verbonds, zoals de Joden in de tijd van onze Heiland, die, toen zij rijp waren voor het verderf, roemden: "Abraham is onze vader".
Er kon ook een bijzondere leiding in zijn van Gods voorzienigheid, en een gunstige aanduiding, dat zij, voor het ogenblik wel uitgeworpen waren maar niet voor altijd waren verstoten. Wat wij voornemens zijn later terug te halen, daar maken wij een inventaris van op.