1 Kronieken 16:1-6
Het was een glorierijke dag toen de ark Gods veilig gehuisvest was in de tent, welke David voor haar had gespannen. Deze Godvruchtige man had er ten zeerste zijn hart op gezet, hij kon niet gerust slapen voordat dit geschied was, Psalm 132:4. De omstandigheden van de ark waren nu:
1. Beter dan zij geweest zijn. Zij bevond zich in een afgelegen landstad, in de velden des wouds, Psalm 132:6 , nu is zij naar een openbare plaats overgebracht, naar de koninklijke stad, waar allen er zich heen kunnen begeven. Zij is veronachtzaamd geweest als een veracht gebroken vat, nu begeeft men er zich met eerbied heen en wordt God door haar gevraagd. Er was haar door de welwillendheid van een particulier persoon een kamer afgestaan in een particulier huis nu heeft zij haar eigen woning, voor haar alleen, zij is in het midden dier woning gesteld, niet in een hoek gedrongen. Gods woord en inzettingen kunnen wel voor een tijd omfloerst en verduisterd zijn, maar ten laatste zullen zij uit de duisternis in het licht treden. Maar:
2. Die omstandigheden bleven nog ver achter bij wat zij zijn zullen onder de volgende regering, toen de tempel gebouwd werd. Dit was slechts een tent, de woning eens armen, maar toch was dit de tabernakel, de tempel, waarvan David dikwijls met zoveel liefde spreekt in zijn psalmen. David, die een tent had gespannen voor de ark en er trouw aan bleef deed veel beter dan Salomo, die er een tempel voor bouwde en haar in latere jaren de rug toekeerde. De armste tijden van de kerk waren haar reinste tijden.
Nu is David gerust, de ark is gevestigd, gevestigd in zijn nabijheid. Zie nu hoe hij er zorg voor draagt:
A. Dat Gode de eer er voor wordt toegebracht. Op tweeërlei wijze geeft hij Hem eer bij deze gelegenheid.
a. Door offeranden, vers 1, brandoffers in aanbidding van Zijn volmaaktheden, dankoffers, in erkenning van Zijn gunst.
b. Door liederen. Hij stelde Levieten aan om deze geschiedenis te vermelden in een lied tot welzijn van anderen, of zelf haar te bezingen, om den Heere, de God Israëls, te vermelden en te loven en te prijzen, vers 4. Al onze blijdschap moet zich uiten in dankzegging aan Hem, van wie wij alle goed ontvangen.
B. Dat het volk er de blijdschap van zal hebben. Zij zullen te beter varen om de plechtigheid van deze dag, want hij geeft hun allen hetgeen waarvoor het wel van de moeite waard was om te komen, een koninklijk onthaal ter ere van de dag, vers 3, waarin David zich edelmoedig betoonde jegens zijn onderdanen, naardat hij God genadig had bevonden voor hemzelf. Zij, wier hart verruimd is door heilige blijdschap behoren dit te tonen door milddadig te zijn. Maar (hetgeen nog veel beter was) hij gaf hun ook een zegen in de naam des Heeren, als een vader, als een profeet, vers 2 bad hij God voor hen, en beval hen aan in Zijn genade. In de naam van het Woord des Heeren, zo heeft het de Targum, het essentiële eeuwige Woord, hetwelk is Jehovah, en door hetwelk alle zegeningen tot ons komen.