1 Kronieken 10:1-7
Dit bericht van Sauls dood is gelijk aan dat, hetwelk wij hadden in Samuël 31:1 en verv. Wij behoeven er de verklaring niet van te herhalen, maar zullen alleen dit opmerken:
1. Vorsten zondigen, en het volk lijdt er voor. Het was een slechte tijd voor Israël, toen zij vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en verslagen vielen, vers 1, toen zij hun steden verlieten, en de Filistijnen kwamen en daarin woonden, vers 7.
Wij bevinden niet dat zij zich in die tijd schuldig maakten aan afgoderij, zoals in de dagen van de richteren en later in de tijd van de koningen.
Samuël had een hervorming onder hen teweeggebracht, en zij hadden die hervorming aangenomen, en toch werden zij tot een plundering overgegeven en de rovers. Ongetwijfeld was er genoeg zonde in hen om dit te verdienen, maar wat de Goddelijke gerechtigheid voornamelijk op het oog had was de zonde van Saul.
Vorsten en aanzienlijke mannen moeten er zich zeer bijzonder voor wachten om God tot toorn te verwekken, want als zij dit vuur ontsteken, dan weten zij niet hoevelen er om hunnentwil door verleerd zullen worden.
2. Ouders zondigen, en de kinderen lijden er voor. Toen de mate van Sauls ongerechtigheid vol was en de dag was gekomen, waarop hij moest vallen (hetgeen David voorzien heeft, 1 Samuël 26:10), is hij niet alleen afgegaan in de strijd, en zelf omgekomen, maar zijn zonen (allen behalve Isboseth) zijn met hem omgekomen, ook Jonathan, die Godvruchtige edelmoedige man, want alle dingen wedervaart hun gelijk allen anderen.
Aldus werd de ongerechtigheid van de vaderen bezocht aan de kinderen, en zij vielen, als deel uitmakende van de veroordeelden vader. Zij, die hun zaad liefhebben, moeten aflaten van hun zonden, uit vrees dat zij anders niet alleen in hun ongerechtigheid zullen omkomen, maar ook verderf zullen brengen over hun geslacht, of er het erfdeel eens vloeke aan zullen nalaten als zij zijn heengegaan.
3. Zondaren zondigen, en lijden er ten laatste zelf voor, hoewel hun lang uitstel verleend was, want al wordt het vonnis niet haastelijk voltrokken, voltrokken zal het worden. Zo was het met Saul, en de wijze van zijn val was zodanig, dat hij in verscheidene opzichten beantwoordde aan zijn zonde.
a. Hij had meer de eens een spies naar David geworpen, en hem gemist, maar de boogschutters troffen hem, en hij werd door hen gewond.
b. Hij had Doëg bevolen de priesters des Heeren te doden, en nu beveelt hij in zijn wanhoop zijn wapendrager, zijn zwaard te trekken en hem te doorsteken.
c. Aan hem, die ongehoorzaam is geweest aan het gebod Gods om de Amalekieten te verdelgen, is zijn wapendrager ongehoorzaam door hem niet te doorsteken. d. Hij die de moordenaar was van de priesters wordt rechtvaardiglijk overgelaten om zijn eigen moordenaar te zijn en het gezin wordt uitgeroeid van hem, die de stad van de priesters geslagen heeft. Aanschouw het, en zeg: DE HEERE is rechtvaardig.