1 Kronieken 15:1-24
Hier worden toebereidselen gemaakt om de ark van het huis van Obed-Edom naar de stad Davids te brengen.
Er wordt hier erkend dat zij bij de vorige poging er toe, hoewel het een zeer goed werk was en zij er God in gezocht hadden, Hem echter niet naar het recht gezocht hadden, vers 13. Wij hebben het werk niet met bedachtzaamheid gedaan, en daarom zijn wij er niet in geslaagd.
Het is niet genoeg dat wij doen hetgeen goed is, wij moeten het ook goed doen, niet genoeg, dat wij de Heere zoeken in een rechte inzetting, wij moeten Hem ook zoeken naar het recht.
Als wij om onze onregelmatigheden hebben geleden, dan moeten wij er door leren regelmatiger te zijn, dan beantwoorden wij aan het doel van de kastijding.
Laat ons nu zien hoe de zaak in orde kwam.
1. David had nu een plaats bereid voor de ark om er haar in te ontvangen, eer zij tot hem gebracht werd, en aldus zoekt hij Hem naar het recht. Hij had geen tijd om er een huis voor te bouwen, maar hij spande een tent voor haar, vers 1, waarschijnlijk naar het model, dat aan Mozes op de berg getoond was, of dit zoveel mogelijk nabij komende.
Merk op: toen hij zich huizen maakte in de stad Davids bereidde hij een plaats voor de ark. Waar wij ook huizen bouwen voor onszelf, moeten wij er op bedacht zijn plaats te maken voor Gods ark, voor een kerk, een gemeente, in huis.
2. David gebood nu dat de Levieten of priesters de ark op hun schouders zouden dragen. Nu dacht hij aan hetgeen hij tevoren ook wel heeft moeten weten, namelijk dat niemand dan de Levieten de ark Gods mochten dragen, vers 2.
Op hun gewone tochten hebben de Kahathieten haar gedragen, en daarom waren hun geen wagens toegewezen, want het was hun werk om "op de schouders te dragen", Numeri 7:9.
Maar bij buitengewone gelegenheden zoals toen zij over de Jordaan trokken en rondom Jericho gingen, hebben de priesters haar gedragen.
Deze regel was uitdrukkelijk, en toch heeft David zelf hem vergeten en de ark op een wagen gezet. Zelfs zij, die zeer kundig zijn in het woord van God, hebben het toch niet altijd zo duidelijk voor hun ogen alswel te wensen was, als zij er gebruik van moeten maken.
Wijze en Godvruchtige mensen kunnen zich schuldig maken aan een vergissing, die zij, zodra zij er zich van bewust worden zullen trachten te herstellen.
David heeft niet getracht hetgeen verkeerd gedaan was te rechtvaardigen, hij heeft er ook anderen de schuld niet van gegeven, hij erkent zelf eraan schuldig te zijn met anderen God niet naar het recht gezocht te hebben, en nu draagt hij zorg niet alleen om de Levieten op te roepen voor de plechtigheid (zoals hij geheel Israël er voor opgeroepen had, vers 3, en dit ook tevoren gedaan had, Hoofdstuk 13, maar om wel toe te zien, dat zij verzameld werden, vers 4, inzonderheid de zonen van Aaron, vers 11.
Hun geeft hij die plechtigen last, vers 12 : "Gijlieden zijt hoofden van de vaderen onder de Levieten, zo brengt dan de ark des Heeren op".
Men verwacht dat zij, die boven anderen staan in waardigheid, anderen zullen voorgaan in plichtsbetrachting. "Gij zijt het hoofd, daarom wordt van u meer verwacht dan van anderen, zowel door uw eigen dienstbetoon als door uw invloed op anderen.
Gij hebt dit ten eerste niet gedaan, gij hebt zelf uw plicht niet gedaan en er niet voor gezorgd ons te onderrichten, en wij hebben er om geleden, "de Heere heeft onder ons een scheur gemaakt". Wij hebben allen geleden om uw verzuim. Zie Maleachi 1:9. "Zo heiligt u dan, en geeft acht op uw werk." Als zij, die geleden hebben voor verkeerd doen, aldus leren beter te doen, dan heeft de kastijding doel getroffen.
3. De Levieten en de priesters heiligden zich, vers 14, en waren bereid de ark op hun schouders te dragen, overeenkomstig de wet, vers 15.
Velen, die onachtzaam waren in hun plicht zouden, indien hun dit getrouw onder het oog werd gebracht, zich beteren en hun plicht beter gaan betrachten. De scheur aan Uza maakte de priesters zorgzamer om zich te heiligen, dat is zich te reinigen van alle ceremoniele onreinheid en zich toe te bereiden voor de plechtigen dienst van God, zodat eerbied werd ingeboezemd aan het volk. Van sommigen werden voorbeelden gemaakt, opdat anderen er voorbeeldig door gemaakt zullen worden, en zeer voorzichtig.
4. Er werden beambten aangesteld om de ark te verwelkomen met alle mogelijke uitdrukkingen van vreugde, vers 17.
David gebood de overste van de Levieten diegenen te benoemen, die zij zeer bedreven wisten voordien dienst. Heman, Asaf en Ethan werden nu het eerst aangesteld, vers 17.
Zij namen op zich om zich met cimbalen te doen horen, vers 19,, anderen met luiten, vers 20, anderen met harpen op de scheminith, of achtsten, acht tonen hoger of lager dan de anderen, naar de regelen van de harmonie, vers 22.
Sommigen, die priesters waren, bliezen op trompetten, vers 24,, zoals gebruikelijk was bij het optrekken van de ark, Numeri 10:8 , Psalm 81:4.
En zij, die uitmunten in gaven, moeten die niet slechts zelf gebruiken ten goede van het algemeen, maar ook anderer leren, en er geen tegenzin in hebben om anderen even bekwaam te maken als zij zelf zijn. Deze manieren om God te loven met muziekinstrumenten was totnutoe niet in gebruik, maar David, een profeet zijnde, heeft op Goddelijke aanwijzing die dienst ingesteld, en er ook nog andere vleselijke inzettingen van die bedeling, zoals de apostel ze noemt, Hebreeën 9:10, aan toegevoegd. Het Nieuwe Testament houdt het zingen van psalmen in stand, maar heeft geen kerkmuziek verordineerd. Sommigen werden aangesteld tot portiers, vers 18, anderen tot dorpelwachters van de ark, vers 23, 24, en een hunner was Obed-Edom, die dit ongetwijfeld een post van eer heeft geacht en hem heeft aangenomen als een beloning voor de gastvrijheid, die hij aan de ark had bewezen. Drie maanden was hij de huisbewaarder, of eigenlijk de huisheer, van de ark geweest.
Maar toen hij dit niet langer zijn kon, was hij blijde-zo groot was zijn liefde voor haar-om haar portier, haar dorpelwachter te zijn.