1 Kronieken 25:1-7
Merk op:
I. Het zingen van de lof Gods wordt hier "profeteren" genoemd, vers 1-3.
Niet dat al degenen, die tot deze dienst gebruikt werden, geëerd zijn geworden met de gezichten Gods of toekomstige gebeurtenissen konden voorzeggen. Van Heman wordt wel gezegd dat hij "des konings ziener was in de woorden Gods", vers 5,, maar de psalmen, die zij zongen, waren gedicht door profeten, en velen er van waren profetisch, en de stichting van de kerk was er in bedoeld, zowel als de eer van God. In Samuëls tijd, gaf men aan het zingen van de lof van God de naam van "profeteren", 1 Samuël 10:5, 19:20 , en misschien wordt dat ook bedoeld met wat Paulus "profeteren" noemt, 1 Corinthiers 11:4, 14:24.
II. Dit wordt hier een dienst genoemd, en de personen, die er voor gebruikt werden, worden werklieden genoemd, vers 1, "mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst".
Niet dat het niet de grootste vrijheid en het hoogste genot is om gebruikt te worden in het loven van God, wat is de hemel anders dan dat?
Maar het geeft te kennen dat wij er ons werk van moeten maken, alles wat binnen in ons is er toe moeten opwekken, en dat het in onze tegenwoordige staat van zwakheid en bederf niet zonder moeite en strijd naar behoren gedaan zal worden. Wij moeten moeite doen om ons hart tot dit werk te brengen, en het er bij te houden, ons er toe te begeven met alles wat in ons is.
III. Naar de aard van die bedeling was hier een grote verscheidenheid van muziekinstrumenten, "cimbalen, luiten en harpen", vers 1, 6 , en er was een, die gebruikt werd om "de hoorn te verheffen, vers 5, dat is een blaasinstrument gebruikte.
Niemand zal thans zulke concerten in de eredienst Gods willen brengen. Maar zij, die zulke concerten voor hun eigen vermaak willen hebben, moeten zich verplicht rekenen om ze vrij te houden van alles wat naar onzedelijkheid of heiligschennis zweemt door de overweging dat er een tijd was, toen zij heilig waren, en toen werden diegenen terecht veroordeeld, die ze tot gewoon gebruik aanwendden, Amos 6:5, "zichzelf gelijk David instrumenten van de muziek uitdenken".
IV. In al deze tempelmuziek, vocale of instrumentale, werd voornamelijk de eer en heerlijkheid Gods bedoeld. Het was om de Heere te danken en te loven, dat zij gebruikt werd vers 3. Het was "in het gezang des Heeren", dat zij onderwezen waren, vers 7, dat is: "voor gezang in het huis des Heeren", vers 6.
Dit komt overeen met de bedoeling van de bestendiging van psalmgezang in de Evangeliekerk, psalmende `de Heere in het hart, in vereniging met de stem", Efeziers 5:19.
V. Er wordt ook nota genomen van het bevel des konings, vers 2, en wederom in vers 6. In die zaken handelde David wel als profeet maar zijn zorgdragen voor de behoorlijke en geregelde waarneming van de Goddelijke inzettingen is een voorbeeld voor allen, die met gezag bekleed zijn, om hun macht te gebruiken ter bevordering van de Godsdienst en het krachtige handhaven van de wetten van Christus. Laat hen aldus Gods dienaren zijn ten goede.
Vl. De vaders waren de voorgangers in deze dienst, Asaf, Heman en Jeduthun, vers 1, en de kinderen waren onder de hand van hun vader, vers 2. 3, 6.
Dit is een goed voorbeeld voor ouders om hun kinderen op te leiden, ja ook voor alle ouderen, om de jongeren te onderrichten in de dienst van God, inzonderheid om Hem te loven, geen deel van ons werk is nodiger, of meer waardig om aan de opvolgende geslachten overgeleverd te worden.
Het is ook een voorbeeld voor de jongeren om zich te onderwerpen aan de ouderen, (wier ervaringen waarneming hen geschikt maken om te besturen) en wat zij doen zoveel mogelijk te doen "onder hun hand".
Waarschijnlijk zijn Heman, Asaf en Jeduthun opgeleid onder Samuël, waren zij in profetenscholen opgevoed, waarvan hij de stichter en bestuurder was.
Toen waren zij leerlingen, nu zijn zij meesters geworden. Zij, die tot uitnemendheid willen komen, moeten vroeg beginnen en de tijd nemen om zich voor te bereiden. Dit goede werk om Gods lof te zingen werd door Samuël verlevendigd en aan de gang gebracht, maar hij heeft het niet beleefd om het tot de volkomenheid gebracht te zien, zoals het hier is.
Salomo voltooit wat David heeft begonnen, en zo heeft David voltooid wat Samuël had begonnen. Laat allen In hun dag doen wat zij kunnen voor God en Zijn kerk, al kunnen zij het ook niet in die mate doen als zij zouden wensen, als zij heengegaan zijn, kan God uit stenen anderen verwekken, die op hun fondament voortbouwen en de hoofdsteen voortbrengen.
VII. Behalve de zonen van deze drie grote mannen waren er nog anderen, die hun "broederen" genoemd worden, (waarschijnlijk omdat zij zich met hen verenigd hadden in de beoefening van gewijde muziek en zang) die geleerd waren in het gezang des Heeren en er bedreven in waren, vers 7.
Zij waren allen Levieten, en hun aantal bedroeg twee honderd acht en tachtig.
1. Dit was een goed en voldoend getal om de dienst in het huis van God waar te nemen, want zij waren allen bekwaam voor het werk, waartoe zij geroepen waren.
Toen David, de koning, zich zozeer aan Goddelijke dichtkunst en muziek gewijd had, hebben ook vele anderen, die er aanleg toe hadden, hun studiën en pogingen daarheen gericht.
Diegenen doen veel voor de Godsdienst, die de Godsdienstoefeningen in ere brengen.
2. Maar deze waren toch slechts een klein aantal in vergelijking met de vier duizend, die David aanstelde om aldus de Heere te loven Hoofdstuk 23:5. Waar waren al de anderen als alleen twee honderd acht en tachtig, en deze nog bij twaalf in een ordening, tot de dienst waren afgezonderd?
Waarschijnlijk waren al de overigen in evenveel ordeningen verdeeld, en moesten zij volgen nadat deze waren voorgegaan.
Of misschien waren deze voor het gezang van het huis des Heeren, vers 6, met wie allen, die in de voorhoven van dat huis aanbaden, zich konden verenigen, en waren de overigen verdeeld over het gehele rijk om in het goede werk om de Heere met psalmgezang te loven voor te gaan, want hoewel de offeranden, ingesteld door de dienst van Mozes slechts aan een plaats geofferd mochten worden mochten toch de psalmen van David overal worden gezongen, 1 Timotheus 2:8.