2 Corinthiërs 5:16-21
In deze verzen noemt de apostel twee dingen op, die noodzakelijk zijn, zullen we voor Christus leven, welke beide de gevolgen zijn van Zijn sterven voor ons, namelijk wedergeboorte en verzoening.
I. Wedergeboorte, welke uit twee dingen bestaat.
1. Ontwenning van de wereld. Wij kennen van nu aan niemand naar het vlees, vers 16. Wij hechten ons aan niemand, hebben niemand lief, en niets in deze wereld, om vleselijke doeleinden en uitwendig voordeel, door de goddelijke genade zijn wij bekwaam gemaakt om niet te letten op de dingen dezer wereld of op deze wereld zelf, maar op het leven dat boven is. De liefde van Christus is in onze harten en de wereld onder onze voeten. Goede Christenen moeten de aangenaamheden van dit leven en hun betrekkingen in deze wereld genieten met heilige onverschilligheid. Zelfs indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, zegt de apostel, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. Het is niet te beslissen of Paulus Christus in het vlees gezien heeft. Evenwel de overige apostelen hadden dat gedaan, en wellicht ook sommigen van hen, aan wie hij schreef. Maar hij wilde niet, dat iemand zich daarop iets liet voorstaan, want zelfs de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus behoort niet door Zijn discipelen begeerd te worden. Wij moeten leven door Zijn geestelijke tegenwoordigheid en de vertroosting welke deze aanbiedt. Zij, die afbeeldingen van Christus maken en die in hun eredienst gebruiken, gaan niet den weg, dien God aangewezen heeft ter versterking van het geloof en ter verlevendiging van de liefde, want het is Gods wil dat wij Christus niet meer naar het vlees kennen zullen.
2. Een grondige verandering van hart. Zo dan, die in Christus is, die waarlijk Christen is en toont te zijn, die is, of moet zijn, een nieuw schepsel, vers 17. Sommigen lezen hier: die behoort een nieuw schepsel te zijn. Dat behoort de zorg te zijn van allen, die het Christelijk geloof belijden, dat ze nieuwe schepselen zijn, niet alleen dat zij een nieuwen naam dragen, een nieuwe livrei aanhebben, maar dat ze een nieuw hart en een nieuwe natuur hebben. En zo groot is de verandering, die de goddelijke genade in de ziel tot stand brengt, dat -gelijk hier volgt-het oude is voorbijgegaan, oude gedachten, oude beginselen, oude gewoonten zijn voorbijgegaan, en ziet het is alles nieuw geworden. Weder barende genade schept een nieuwe wereld in de ziel, alle dingen worden nieuw. De wedergeborene handelt uit nieuwe beginselen, door nieuwe wetten, met nieuwe bedoeling, in nieuw gezelschap.
II. Verzoening, waarvan hier gesproken wordt in tweeërlei opzicht.
1. Als een onbetwistbaar voorrecht, vers 18 en 19. Verzoening onderstelt twist, vredebreuk, en de zonde heeft die breuk veroorzaakt, zij heeft de vriendschap tussen God en den mens verbroken. Het hart van den zondaar is vervuld met vijandschap tegen God, en God gevoelt zich rechtvaardiglijk beledigd door den zondaar. Maar zie, daar kan verzoening tot stand komen, de beledigde hemelse Majesteit is gewillig om verzoend te worden. Merk nu op:
A. Hij heeft den Middelaar der verzoening aangesteld. Hij heeft ons met zich zelven verzoend in Christus Jezus, vers 18. Van het begin tot het einde moet God erkend worden in het werken en volbrengen der verzoening. Alle dingen betreffende onze verzoening door Jezus Christus zijn van God, die door de tussenkomst van Jezus Christus de wereld met zich zelven verzoend heeft, en daardoor zich zelven in de gelegenheid stelde om werkelijk verzoend te worden met overtreders, zonder Zijne rechtvaardigheid en heiligheid te krenken. Daardoor rekent Hij den mensen hun zonden niet toe, maar ontslaat hen van de strengheid van het eerste verbond, maakt geen gebruik van het voordeel, dat de breuk van dat eerste verbond Hem op ons geeft, maar is gewillig een nieuw verbond aan te gaan, een nieuw verbond van genade, en krachtens dat verbond vergeeft Hij ons al onze zonden en rechtvaardigt door Zijne genade allen, die in Hem geloven.
B. Hij heeft de bediening der verzoening gegeven, vers 18. De Schriften zijn geschreven door de ingeving Gods, die bevatten het woord der verzoening, ons aantonende hoe er vrede gemaakt is door het bloed des kruizes en daardoor verzoening teweeggebracht is, terwijl zij ons aanwijzen op welke wijze wij daaraan deel krijgen kunnen. En Hij heeft de bediening daarvan, de bediening der verzoening, gegeven, er zijn dienaren aangesteld om den zondaren de voorwaarden van genade en verzoening mede te delen en aan te bieden, en hen over te halen die aan te nemen. Want:
2. Van de verzoening wordt hier gesproken als van onzen onafwijsbaren plicht, vers 20. Indien God gewillig is om met ons verzoend te worden, behoren wij ons met God te laten verzoenen. En het is het grote einddoel van het Evangelie, het woord der verzoening zo op zondaren te doen inwerken, dat zij hun vijandschap tegen God afleggen. Getrouwe dienaren zijn gezanten van Christus, gezonden om met zondaren te onderhandelen over vrede en verzoening, zij komen in Gods naam, met Zijn aanbiedingen, en handelen in Christus' plaats, doende hetzelfde wat Hij deed toen Hij op aarde was, en wat Hij verlangt dat gedaan zal worden nu Hij in den hemel is. Wonderbare inschikkelijkheid! Ofschoon God bij de vijandschap niets verliezen, bij den vrede niets winnen kan, bidt Hij door Zijne dienaren zondaren om hun vijandschap af te leggen en de voorwaarden aan te nemen die Hij aanbiedt, waardoor zij met Hem verzoend kunnen worden, en met al Zijn eigenschappen, al Zijn wetten, al Zijn voorzienigheid, om te geloven in den Middelaar, de verzoening aan te nemen, in te stemmen met het Evangelie, in al zijn delen en zijn gehele bedoeling. En tot onze aanmoediging om dat te doen, voegt de apostel er bij wat wij goed weten en zeer in aanmerking nemen moeten, vers 21.
A. De reinheid van den Middelaar: Hij heeft gene zonde gekend.
B. De offerande door Hem gebracht: Hij is zonde voor ons gemaakt, niet een zondaar, maar zonde, een zondoffer, een offer voor de zonde.
C. Het doel van dit alles: dat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, zouden gerechtvaardigd worden om niet door de genade Gods door de verzoening, welke is in Christus Jezus. Indien Christus, die zelf geen zonde gekend heeft, zonde gemaakt is voor ons, dan worden wij, die geen rechtvaardigheid in ons zelven hebben, rechtvaardigheid Gods gemaakt in Hem. Onze verzoening met God is alleen door Jezus Christus en ter wille van Zijne verdiensten, op Hem alleen moeten we ons dus verlaten en alleen in Zijne rechtvaardigheid roemen.