1 Johannes 4:14-16
Omdat het geloof in Christus liefde tot God werkt, en de liefde tot God die tot de broederen ontsteekt, bevestigt de apostel hier het eerste artikel van het Christelijk geloof als de grondslag van zulk een liefde.
I. Hij noemt daartoe het grondartikel van den Christelijken godsdienst, dat de liefde van God vertegenwoordigt. En wij hebben het aanschouwd en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld, vers 14. Wij zien hier:
1. De betrekking van den Heere Jezus tot God. Hij is de Zoon des Vaders, de enige van dien aard, de Zoon die met den Vader God is.
2. Zijne betrekking tot en Zijne bediening voor ons. De Zaligmaker der wereld. Hij maakt ons zalig door Zijn dood, voorbeeld, tussenkomst, Geest en macht tegen de vijanden van onze zaligheid.
3. De grond waarop Hij dat zijn kon. Door Zijn zending. De Vader zond den Zoon, Hij bepaalde en bewilligde Zijne komst hier, in en met de toestemming van den Zoon.
4. Des apostels verzekerdheid daarvan: hij en zijne broederen hebben het gezien, zij hebben den Zoon van God gezien in Zijn menselijke natuur, in Zijn heiligen wandel en werken, in Zijne verheerlijking op den berg, in Zijn dood, in Zijn opstanding uit de doden, in Zijn koninklijke hemelvaart, zij hebben Hem zo gezien dat zij ten volle overtuigd werden, dat Hij was de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
5. Des apostels bevestiging daarvan, als gevolg van die verzekerdheid. Wij hebben het aanschouwd en getuigen. Het gewicht van deze waarheid verplicht ons van haar te getuigen, de zaligheid van de wereld hangt er van af. De overtuiging van de waarheid noopt ons om haar te belijden, onze oren, onze ogen en onze handen zijn er getuigen van geweest.
II. Daarop bevestigt de apostel de uitnemendheid, het uitnemende voorrecht, aan de rechte erkentenis van deze waarheid verbonden.
Zo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem en hij in God, vers 15. Deze belijdenis sluit in zich het geloof des harten als haar grondslag, bekentenis met den mond tot heerlijkheid van God en Christus, en belijdenis in leven en gedrag, in tegenstelling van de vleierijen en berispingen der wereld. Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest, door het uitwendig getuigenis en de inwendige werking des Heiligen Geestes, 1 Corinthiërs 12:3. Hij dus, die Christus belijdt en God in Hem, is verrijkt met en wordt bezield door den Heiligen Geest, en heeft heerlijke kennis van God en grote blijdschap in Hem.
III. De apostel past dit thans toe ter opwekking tot heilige liefde. Gods liefde werd dus gezien en beoefend in Christus Jezus, en daardoor hebben wij gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft, vers 16. De Christelijke openbaring is-en daarom moet zij ons des te dierbaarder zijn-de openbaring van de goddelijke liefde, de artikelen van ons geopenbaard geloof zijn niet anders dan zo vele artikelen betreffende de liefde. De geschiedenis van den Heere Christus is de geschiedenis van Gods liefde voor ons, al Zijn handelingen in en met Zijnen Zoon waren alleen getuigenissen van Zijn liefde voor ons, en bedoelen ons tot de liefde Gods te leiden. God was in Christus de wereld met zich zelven verzoenende, 2 Corinthiërs 5:19. Hier leren wij:
1. Dat God is liefde, vers 16, Hij is de wezenlijke, onbegrensde liefde, Hij heeft onvergelijkelijke en onbegrijpelijke liefde voor ons, die Hij geopenbaard heeft in de zending en in het middelaarschap van Zijn Zoon. Het is de grote tegenwerping en het voorname vooroordeel tegen de Christelijke openbaring, dat de liefde Gods zo buitengewoon en onnarekenbaar zou zijn dat Hij Zijn eeuwigen Zoon voor ons gaf, het is het vooroordeel van velen tegen de eeuwigheid en de Godheid van den Zoon, dat zulk een heerlijk Wezen voor ons zou zijn overgegeven. Zijne betrekking tot en bediening voor ons.
De Zaligmaker der wereld is geheimzinnig en onnaspeurlijk, het is de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Het is treurig dat de uitgebreidheid van de goddelijke liefde gemaakt wordt tot een vooroordeel tegen de openbaring en het geloof in haar. Maar wat zal God niet doen om de hoogte van zulk een volkomenheid als deze is te openbaren? Wanneer Hij iets wil bekendmaken van Zijne macht en wijsheid, schept Hij een wereld als de bestaande, wanneer Hij meer van Zijn grootheid en heerlijkheid wil doen zien, maakt Hij den hemel voor de gedienstige geesten, die Zijn troon omringen. Wat zal Hij dan niet doen, wanneer Hij zich voorneemt om Zijne liefde te openbaren, Zijn hoogste liefde, dat Hij zelf liefde is, en dat liefde een van de schitterendste, kostelijkste, alles- overtreffende, werkzaamste uitnemendheden van Zijn onbegrensde natuur is, om dat te openbaren niet alleen aan ons, maar ook aan de wereld der engelen, aan de machten en overheden in de lucht, en zulks niet voor onze verrassing gedurende enigen tijd, maar tot de bewondering en dankzegging en aanbidding en gelukzaligheid van onze uitnemendste vermogens alle eeuwigheid door! Wat zal God dan doen? Zeker, het is meer overeenkomstig het voornemen, de grootheid en de vruchtbaarheid van Zijne liefde om daarvoor een eeuwigen Zoon te geven dan om tot dat oogmerk voor ons heil een Zoon te scheppen. In zulk een bedeling, waardoor Hij een eeuwigen, werkelijken, enigen Zoon voor ons en aan ons geeft, openbaart Hij ons waarlijk Zijne liefde, en wat zal de God der liefde niet doen wanneer Hij Zijne liefde openbaren wil, openbaren ten aanschouwe van hemel, en aarde, en hel, wanneer Hij zich zelven wil openbaren en aan ons aanbevelen tot onze hoogste overtuiging, en genegenheid, dus tot onze liefde? En wat zou God anders doen, indien het ten slotte zou openbaar worden (maar dit bied ik alleen ter overweging aan de oordeelkundigen aan) dat de goddelijke liefde, en met name de liefde Gods in Christus, zou zijn de grondslag van de heerlijkheid des hemels, in de tegenwoordige genietingen van die gedienstige geesten, die met haar overeenstemmen, en van de zaligheid dezer wereld en van de pijnigingen der hel? Dat laatste schijnt het zonderbaarste. Maar er wordt niet alleen door openbaar dat God is liefde voor zich zelven, die Zijn eigen wet, en regering, en liefde, en heerlijkheid wreekt en handhaaft, maar ook dat de verdoemenden zo zijn gemaakt of zo worden gestraft.
A. Omdat zij de liefde Gods verachtten, die alrede geopenbaard en tentoongesteld was.
B. Omdat zij weigerden zich te laten liefhebben in hetgeen verder voorgesteld en beloofd werd.
C. Omdat zij zich zelven ongeschikt maakten om voorwerpen van goddelijke tevredenheid en blijdschap te zijn. Wanneer eenmaal het geweten van de verdoemden hen van deze dingen beschuldigen zal, en voornamelijk van de verwerping van den hoogsten trap der goddelijke liefde, dan mag wel de gehele schepping Gods het opschrift dragen: God is liefde.
2. Daarom: die in de liefde blijft, die blijft in God en God in hem, vers 16. Daar is grote gemeenschap tussen den God der liefde en de liefhebbende ziel, dat is zij, die de schepping Gods liefheeft, naar haar verschillende betrekking tot God, haar aanneming door Hem en haar deel aan Hem. Hij, die in geheiligde liefde blijft, in dien is waarlijk de liefde Gods in het hart uitgestort, hij heeft den indruk van God in zijn geest omdat de Geest van God hem heiligt en bezegelt, hij leeft in de overpeinzing, aanschouwing en smaak van de goddelijke liefde, en zal eerlang overgaan om eeuwig bij God te wonen.