1 Koningen 3:5-15
Wij hebben hier een bericht van Gods genaderijk bezoek aan Salomo en van de gemeenschap, die hij er met God in gehad heeft, hetgeen groter eer voor Salomo was, dan hij door al de rijkdom en de macht zijns koninkrijks hebben kon.
I. De omstandigheden van dit bezoek, vers 5.
1. De plaats. Het was Gibeon, dat was de grote hoogte, en had de enige moeten zijn omdat daar de tabernakel en het koperen altaar waren, 2 Kronieken 1:3-5. Daar heeft Salomo zijn grote offeranden geofferd, en daar heeft God hem meer erkend dan op een van de andere hoge plaatsen. Hoe dichter wij bij de regel komen in onze aanbidding, hoe meer reden wij hebben om de tekenen van Gods tegenwoordigheid te verwachten, waar God Zijns naams gedachtenis sticht, daar zal Hij tot ons komen en ons zegenen.
2. De tijd. Het was des nachts, in de nacht nadat hij zijn milde offeranden geofferd had vers 4. Hoe meer overvloedig wij zijn in Gods werk, hoe meer vertroosting en geestelijk genot wij in Hem kunnen verwachten, als de dag in drukke arbeid voor Hem werd doorgebracht dan zal de nacht rustig en lieflijk zijn in Hem. Stilte en afzondering bevorderen onze gemeenschap met God, Zijn vriendelijkste bezoeken worden dikwijls gebracht in de nacht, Psalm 17:3.
3. De wijze. Het was in een droom, toen hij sliep, zijn zinnen gesloten waren, opdat Gods toegang tot zijn geest des te meer vrij en onmiddellijk zijn zou, op die wijze placht God te spreken tot de profeten, Numeri 12:6, en tot particuliere personen tot hun voordeel Job 33:15,16. Deze Goddelijke dromen onderscheidden zich ongetwijfeld van die vele, waarin ijdelheden zijn, Prediker 5:6.
II. Het genadige aanbod, dat God hem deed om te kiezen welke gunst hij van Hem zou begeren, waarin die dan ook zou bestaan, vers 5. Hij zag de heerlijkheid Gods om zich schijnen en hoorde een stem, zeggende: Begeer wat Ik u geven zal. Niet alsof God hem verplicht was voor zijn offers, maar aldus wilde Hij hem zijn aanneming er van te kennen geven, en hem zeggen welke grote zegen Hij voor hem had weggelegd, indien hij niet eng was in zijn vragen. Aldus wilde hij zijn neiging beproeven en eer leggen op het gebed des geloofs. Op dezelfde wijze buigt God zich neer tot ons en stelt ons op de weg om gelukkig te zijn door ons te verzekeren dat wij zullen hebben wat wij willen, zo wij er slechts om vragen Johannes 16:23, 1 Johannes 5:15. Wat willen wij meert Bidt en u zal gegeven worden.
III. Het vrome verzoek, dat Salomo hierop aan God deed. Geredelijk nam hij dit aanbod aan, waarom veronachtzamen wij eenzelfde aanbod dat ons gedaan wordt, zoals Achaz, die zei: ik zal het niet eisen, Jesaja 7:12 Salomo bad in zijn slaap, Gods genade hem helpende, maar het was een levendig gebed. Waar wij het meest in zorg over zijn en wat de grootste indruk op ons maakt als wij wakker zijn, zal ons gemeenlijk het meest aandoen en bezighouden als wij slapen, en soms kunnen wij door onze dromen weten waar ons hart naar uitgaat en hoe onze polsslag is. Maar deze moet aan een hogere oorsprong worden toegeschreven. Dat Salomo zo'n verstandige keus deed, toen hij sliep en de kracht van zijn rede het minst werkzaam was, toont aan dat zij zuiver en alleen van de genade Gods kwam, die deze Godvruchtige begeerte in hem gewerkt had. Als zijn nieren hem aldus des nachts onderwijzen, dan moet hij de Here loven, die hem raad heeft gegeven Psalm 16:7. In dit gebed nu:
1. Erkent hij Gods grote goedheid jegens zijn vader David, vers 6. Hij spreekt met eerbied van zijns vaders Godsvrucht, zegt, dat hij voor Gods aangezicht gewandeld heeft in oprechtheid des harten, een sluier werpende over zijn gebreken. Het is te hopen dat zij, die hun Godvruchtige ouders prijzen, hem zullen navolgen. Maar met nog meer eerbied spreekt hij van Gods goedheid jegens zijn vader, van de genade, die Hij hem betoond heeft in zijn leven door hem te geven om oprecht Godsdienstig te zijn, en toen zijn oprechtheid heeft beloond, van de grote weldadigheid, die Hij voor hem had weggelegd, om aan zijn geslacht te worden betoond, als hij heengegaan zou zijn, door hem een zoon te geven om op zijn troon te zitten. Kinderen behoren God te danken voor Zijn goedertierenheid jegens hun ouders, voor de gewisse weldadigheden Davids. Gods gunsten zijn dubbel zoet en lieflijk, als wij ze op ons overgebracht zien door de handen van hen, die ons zijn voorgegaan. Het middel om het erfrecht bestendigd te zien, is: God te loven, dat het totnutoe bewaard is gebleven.
2. Erkent hij zijn eigen ongenoegzaamheid voor de rechte volvoering van de last. die hem was opgedragen, vers 7, 8. En hier is een dubbele pleitgrond om kracht bij te zetten aan zijn bede om wijsheid.
a. Dat zijn plaats, zijn positie, haar nodig maakte daar hij Davids opvolger was. Gij hebt mij koning gemaakt in mijns vaders Davids plaats, die een zeer wijs, Godvruchtig man was. Here, geef mij wijsheid, opdat ik in stand houde wat hij gewrocht heeft, moge voortzetten wat hij heeft begonnen", en daar hij over Israël heeft geregeerd, "Here, geef mij wijsheid om goed te regeren, want zij zijn een talrijk volk, dat niet zonder veel zorg en oplettendheid bestuurd kan worden. Zij zijn Uw volk, dat Gij verkoren hebt, en dat daarom voor U geregeerd en bestuurd moet worden, en met hoe meer wijsheid zij worden bestuurd hoe meer eer en heerlijkheid U door hen zal worden toegebracht."
b. Dat hij haar begeerde, omdat hij een nederig besef had van zijn eigen ongenoegzaamheid. Here pleit hij, ik ben een klein jongeling, zo noemt hij zichzelf, een kind in verstand, hoewel zijn vader hem een wijs man had genoemd, Hoofdstuk 2:9. Ik weet niet uit te gaan noch in te gaan, zoals het behoort, noch te doen wat door de gewone dagelijkse zaken van de regering vereist wordt, en nog veel minder hoe in een moeilijk tijdsgewricht te handelen." Zij, die een openbaar ambt bekleden, moeten zich zeer bewust zijn van het gewichtige van hun werk, en van hun eigen ongenoegzaamheid er voor en dan zijn zij bekwaam om Goddelijk onderricht te ontvangen. Paulus' vraag: Wie is tot deze dingen bekwaam? is zeer gelijk aan die van Salomo hier: Wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? vers 9. Absalom, die een dwaas was, wenste dat hij een rechter ware, Salomo, die een wijs man was, siddert voor de onderneming, en twijfelt aan zijn geschiktheid er voor. Hoe verstandiger en bedachtzamer de mensen zijn, hoe meer zij hun eigen zwakheid kennen, en hoe naijveriger zij zijn op zichzelf.
3. Hij bidt God hem wijsheid te geven, vers 9. Geeft dan Uw knecht een verstandig hart. Hij noemt zich Gods knecht, is ingenomen met die betrekking tot God, Psalm 116:16, en pleit er op bij Hem. "Ik ben U toegewijd, houd mij bezig met Uw werk, geef mij dan wat ik nodig heb voor de dienst, waarin ik gebruikt word." Zo heeft zijn Godvruchtige vader gebeden en zo heeft hij gepleit, Psalm 119, ik ben Uw knecht, maak mij verstandig Een verstandig hart is Gods gave, Spreuken 2:6. Wij moeten er om bidden, Jakobus 1:5, er om bidden met toepassing op onze speciale roeping, en de onderscheidene gelegenheden, waarvoor wij het nodig hebben, zoals Salomo: Geef mij verstand, niet om er mijn weetgierigheid door te bevredigen, of er mijn naasten door te verbijsteren, maar om Uw volk te richten. Dat is de beste kennis, die ons van dienst is in het doen van onze plicht, en zodanig is die kennis, welk ons in staat stelt om te onderscheiden tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht, tussen waarheid en leugen, zodat men niet misleid wordt door valse schijn in het beoordelen van de daden van anderen en van onszelf.
4. Het gunstige antwoord, dat God gaf op zijn verzoek. Het was een welbehaaglijk gebed vers 10. Het was goed in de ogen des Heren. God schept behagen in Zijn eigen werk in Zijn volk, in de begeerten, die Hijzelf opgewekt heeft, de gebeden, die door Zijn Geest werden ingegeven. Uit de keus, die Salomo gedaan heeft, bleek dat hij meer begeerde goed te zijn dan groot te zijn, meer Gods eer wenste te dienen, dan zijn eigen eer te bevorderen. Diegenen zijn Gode welbehaaglijk, die aan geestelijke zegeningen de voorkeur geven boven tijdelijke, er meer om geven om in de weg huns plichts dan op de weg van de bevordering te worden gevonden. Maar dat was niet alles het was een overmogend gebed, en hij verkreeg er meer op dan hij gevraagd had.
A. God gaf hem wijsheid, vers 12. Hij maakte hem geschikt voor het grote werk waartoe Hij hem had geroepen, gaf hem zo'n recht verstand van de wet volgens welke hij had te richten, en voor de gevallen waarin hij uitspraak had te doen, dat hij in helderheid van hoofd, in juistheid van oordeel en doordringendheid van blik door niemand geëvenaard werd. Hij had zo'n inzicht, zo'n gave van voorziening, als nooit een vorst in die mate gehad heeft.
B. Hij gaf hem rijkdom en eer nog boven dit alles, vers 13, en er was hem beloofd dat hij, evenals in wijsheid, ook hierin, zijn voorgangers, zijn opvolgers en al zijn tijdgenoten zou overtreffen. Ook deze zijn de gaven Gods, en zijn beloofd aan allen die eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid zoeken, in zoverre het goed voor hen is, Mattheus 6:33. Laat jonge lieden leren aan genade de voorkeur te geven boven goud, omdat de Godzaligheid de belofte heeft van het tegenwoordige leven, maar het tegenwoordige leven de belofte niet heeft van de Godzaligheid. Hoe volkomen gezegend was Salomo, die beide wijsheid en rijkdom had! Hij, die rijkdom en macht heeft, zonder wijsheid en genade, is in gevaar er kwaad mee te doen, hij, die wijsheid en genade heeft, zonder rijkdom en macht, is niet instaat om er zoveel goed mee te doen, als hij, die beide heeft. Wijsheid is goed, en nog te beter met een erfdeel, Prediker 7:11. Maar als wij ons van wijsheid en genade verzekeren, dan zullen die of uitwendige voorspoed medebrengen of het gemis er van verzoeten. God heeft aan Salomo onvoorwaardelijk rijkdom en eer beloofd, maar niet een lang leven, dat heeft Hij hem voorwaardelijk toegezegd, vers 14. Zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen, hij heeft gefaald in de voorwaarde, en daarom heeft hij wel rijkdom en eer gehad, maar niet zolang geleefd om er van te genieten, als hij naar de loop van de natuur gekund had. Lengte van dagen is in de rechterhand van de wijsheid, dat is een zegen, die een type is van het eeuwige leven, maar rijkdom en eer zijn in haar linkerhand, Spreuken 3:16. Laat ons hier zien: a. Dat het middel om geestelijke zegeningen te verkrijgen is er met vurigheid en aandrang om te bidden, en er met God om te worstelen in het gebed, zoals Salomo gedaan heeft om wijsheid te verkrijgen, daarom alleen vragende, als om het een nodige.
b. Dat het middel om tijdelijke zegeningen te verkrijgen is: er onverschillig voor te zijn, hieromtrent alles overlatende aan God om te doen wat Hij goed en nuttig voor ons vindt. Aan Salomo is wijsheid gegeven, omdat hij er om gevraagd heeft, en rijkdom, omdat hij er niet om gevraagd heeft.
5. Salomo's dankbare vergelding voor het bezoek, dat het Gode behaagd heeft hem te brengen, vers 15. Hij ontwaakte en was, naar wij kunnen onderstellen, in een vervoering van vreugde, hij ontwaakte, en zijn slaap was hem zoet, zoals de profeet spreekt, Jeremia 31:26 overtuigd zijnde van Gods gunst, was hij er tevreden en gelukkig mede, en hij begon te bedenken wat hij de Here zou vergelden. Hij had zijn gebed gedaan op de hoogte te Gibeon, en daar is God genadig tot hem gekomen, maar hij komt te Jeruzalem om dankzegging te doen voor de ark des verbonds, zichzelf lakende, als het ware, dat hij daar niet gebeden heeft, de ark het teken zijnde van Gods tegenwoordigheid, en er zich over verwonderende dat God elders dan daar tot hem was gekomen. Gods voorbijzien van onze vergissingen moet ons bewegen ze te herstellen. Aldaar:
A. Offerde hij een grote offerande aan God. Wij moeten God loven voor Zijn gaven in de beloften, al zijn zij nog niet volkomen vervuld. David placht Gods woord te prijzen, zowel als Zijn werken, Psalm 56:11, inzonderheid, 2 Samuël 7:18, en Salomo trad in zijn voetstappen.
B. Hij maakte een grote maaltijd op het offer, opdat zij, die hem omringden, zich met hem in de genade Gods zouden verblijden.