11. De wijsheid, waarover hier gesproken is, is een goed met een erfdeel; 1) en dengenen, die de zon aanschouwen, in het leven treden, hebben voordeel daarvan, namelijk van die wijsheid met vermogen.
1) De Prediker wijst hier op twee zaken op een zedelijk en een materieel kapitaal, op de verbinding of vereniging van een erfdeel, ene erflating met wijsheid. Gelukkig wil Hij zeggen, degene, die niet alleen wijs is, de Wijsheid als ene gave heeft ontvangen, maar wien het daarbij ook niet aan geldelijk vermogen ontbreekt. Deze kan dan in dubbelen zin een nuttig lid der maatschappij zijn en het recht gebruik van het geld maken. Het is voor degenen, die de zon aanschouwen, d.i. die dit aardse leven intreden, een groot gewin, indien beide hun deel wordt, want dan zullen zij ook zeker zich als rentmeesters, van hetgeen God hun gaf beschouwen.