1 Koningen 22:15-28
Micha doet hier wèl, maar zoals het gewoonlijk gaat, lijdt voor zijn wèl doen.
I. Er wordt ons hier gezegd, hoe getrouw hij zijn boodschap overbracht, als iemand, die meer verlangend was Gode te behagen dan de groten van de aarde naar de mond te spreken en met de grote menigte in te stemmen. Op drieërlei wijze zegt hij zijn boodschap aan Achab, die echter allen Achab mishagen.
1. Hij spreekt als de andere profeten, maar ironisch. Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, vers 15. Achab doet hem dezelfde vraag, die hij aan zijn eigen profeten gedaan heeft: Zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zullen wij het nalaten? Schijnbaar begerig om Gods wil te kennen, terwijl hij, evenals Bileam, er sterk op uit is, om zijn eigen zin en wil te doen hetgeen Micha duidelijk bemerkte, toen hij hem zei te gaan, maar met zo'n stem, als waardoor duidelijk bleek, dat hij het spottenderwijze zei, alsof hij gezegd had: "Ik weet dat gij besloten hebt te gaan, en ik hoor dat uw eigen profeten u eenstemmig verzekeren voorspoedig te zullen zijn, zo ga dan, en zie wat er van komen zal. Zij zeggen: De Heere zal het in de hand van de koning geven, maar ik zeg u niet dat Heere aldus spreekt, neen, Hij spreekt anders., " Diegenen verdienen bespot te worden, die gaarne gevleid willen worden, en het is rechtvaardig in God om diegenen aan hun eigen raadslagen over te laten, die zich overgeven aan hun eigen lusten, Prediker 11:9. In antwoord hierop bezweert Achab hem om hem de waarheid te zeggen, en niet met hem te schertsen, vers 16, alsof hij oprecht begeerde te weten wat God wilde dat hij doen zou, en tevens wat God met hem doen zal, maar toch bedoelende de profeet voor te stellen als een kwaadwillig man, die hem de waarheid niet wilde zeggen, eer hij er aldus toe bezworen werd.
2. Aldus gedrongen zijnde, heeft hij duidelijk voorzegd dat de koning in deze veldtocht gedood, en zijn leger verstrooid zal worden, vers 17. Hij zag hen in een visioen of droom, verstrooid op de bergen, als schapen, die geen herder hebben om hen te leiden. "Sla de herder, en de schapen zullen verstrooid worden," Zacheria 13:7. Dit geeft te kennen:
a. Dat Israël beroofd zal worden van hun koning, die hun herder was, God nam er nota van: dezen hebben geen heer.
b. Dat zij genoodzaakt zullen zijn onverrichter zake terug te gaan. Hij voorziet geen grote slachting in het leger, maar wèl dat zij een schandelijke terugtocht zullen maken. Een ieder kere weer naar zijn huis in vrede, voor het ogenblik in wanorde gebracht, maar toch niet veel verliezende in de dood van hun koning, hij zal vallen in de strijd, maar zij zullen in vrede weerkeren naar hun huizen. Aldus getuigde Micha in zijn profetie wat hij gezien en gehoord had (zij moeten dit nu maar opnemen zoals zij willen), terwijl de anderen slechts uit hun hart profeteerden. Zie Jeremia 23:28. De profeet bij welke een droom is, die vertelle de droom en noeme aldus zijn autoriteit, en bij welke Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk, en niet het zijne, want wat heeft het stro met het koren te doen? Nu vindt Achab zich verongelijkt, hij wendt zich tot Josafat, en vraagt hem of het nu niet duidelijk is, dat Micha hem een kwaad hart toedraagt, vers 18. Zij, die kwaadwillig zijn voor anderen, willen over het algemeen gaarne geloven dat anderen kwaadwillig zijn voor hen, al hebben zij er ook geen reden voor, en daarom geven zij de slechtste betekenis aan alles wat zij zeggen. Welk kwaad heeft Micha over Achab geprofeteerd door hem te zeggen dat, zo hij die veldtocht ondernam, hij hem noodlottig zou zijn, terwijl het toch aan hem stond of hij hem al of niet zou ondernemen? De grootste vriendelijkheid, die wij kunnen bewijzen aan iemand, die op een gevaarlijke weg gaat, is hem op zijn gevaar opmerkzaam te maken.
3. Hij deelde de koning mee hoe het kwam, dat al zijn profeten hem aanmoedigden om uit te gaan op deze expeditie. God liet aan Satan toe om hem door hen te misleiden tot zijn verderf, hij wist dit door een visioen, het was hem voorgesteld en hij stelde het Achab voor, dat de God des hemels besloten had, dat hij te Ramoth in Gilead zou vallen vers 19, 20, opdat de gunst, die hij Goddeloos aan Benhadad had bewezen, gestraft zou worden door hem en zijn Syriërs, en dat hij enigszins in twijfel zijnde of hij al of niet naar Ramoth in Gilead gaan zou, en besloten hebbende om zich door zijn profeten te laten raden, deze hem er toe zouden bewegen en overmogen, vers 21, 22, vandaar dat zij er hem met zoveel vertrouwen toe aanmoedigden vers 23, het was een leugen van de vader van de leugens, maar onder de toelating van God. De zaak is hier voorgesteld naar de wijze van de mensen. Wij moeten niet denken dat God ooit tot nieuwe raadsbesluiten wordt gebracht of ooit verlegen is om middelen om Zijn doeleinden tot stand te brengen, of dat Hij het nodig heeft om met engelen of andere schepselen te beraadslagen omtrent de methoden, die Hij moet volgen, of dat Hij de werker is van zonde of de oorzaak, dat iemand een leugen zegt of gelooft maar behalve nog hetgeen hiermede bedoeld is met betrekking tot Achab zelf, moet het ons leren:
a. Dat God een groot Koning is, boven alle koningen, en een troon heeft boven alle tronen van aardse vorsten. "Gij hebt uw tronen", zei Micha tot deze twee koningen, "en gij denkt te mogen doen wat gij wilt, en dat wij allen moeten spreken wat gij wilt dat wij spreken zullen, maar ik zag de Heere zitten op Zijn troon, en ieders oordeel kwam voort van Hem, en daarom moet ik zeggen wat Hij zegt, Hij is geen mens, zoals gij".
b. Dat Hij voortdurend omringd en gediend wordt door een talloze menigte van engelen, de hemelse heirscharen die bij Hem staan, gereed om te gaan waar Hij hen zendt, en te doen wat Hij hun gebiedt boden van de genade aan Zijn rechterhand, van toorn aan Zijn linkerhand.
c. Dat Hij niet alleen kennis neemt van, maar het bestuur heeft over al de zaken van deze lagere wereld en ze regelt naar de raad van Zijn wil, de opkomst en het verval van vorsten, de uitkomst van de strijd, en al de grote zaken van de staat, die het onderwerp uitmaken van de beraadslagingen van wijze en voorname mannen zijn niet meer boven Gods bestuur, dan de geringste aangelegenheden van de armste hutten of stulpen beneden Zijn aandacht zijn.
d. Dat God velerlei middelen heeft om Zijn doeleinden tot stand te brengen, in het bijzonder die betreffende de val van zondaren als zij rijp zijn voor het verderf, Hij kan het op deze of op die wijze doen.
e. Dat er boosaardige geesten en leugengeesten zijn, die steeds rondwaren, zoekende te verslinden, en te dien einde zoeken te bedriegen, en inzonderheid om leugens te leggen in de mond van de profeten, ten einde door hen velen te verleiden tot hun verderf.
f. Dat het niet zonder Gods toelating is, dat de duivel de mensen bedriegt. Hiermede dient God Zijn eigen doeleinden. Bij "Hem is kracht en wijsheid, Zijn is de dwalende en die doet dwalen." Job 12:16. Als het Hem behaagt tot straf van degenen, die de waarheid niet aannemen in liefde, laat Hij niet alleen Satan toe hen te bedriegen en te verleiden, Openbaring 20:7, 8, maar zal hun "een kracht van de dwaling zenden om hem te geloven," 2 Thessalonicenzen 2:11,12.
g. Dat dezulken blijkbaar getekend zijn voor het verderf, de Heere heeft voorzeker kwaad gesproken betreffende hen, die Hij aldus heeft overgegeven om door leugenprofeten bedrogen te worden. Aldus heeft Micha Achab getrouw gewaarschuwd, niet slechts voor het gevaar om voort te varen met deze oorlog, maar ook voor het gevaar om hen te geloven, die hem aanmoedigden om er mee voort te varen. Zo worden wij gewaarschuwd tegen valse profeten, vermaand om de geesten te beproeven. Nooit bedriegt de leugengeest zo noodlottig als in de mond van de profeten.
II. Er wordt ons hier meegedeeld hoe hij mishandeld werd, omdat hij aldus getrouw zijn boodschap heeft overgebracht, zo duidelijk en op een wijze, die zo geschikt was om te overtuigen en indruk te maken.
1. Zedekia, een goddeloze profeet, heeft hem onbeschaamd ten aanzien van het gehele hof beledigd, hij sloeg hem op zijn kin om hem te smaden, hem de mond te stoppen, en aan zijn verontwaardiging jegens hem lucht te geven, (zo werd ook onze gezegende Heiland mishandeld, Mattheus 26:67 deze Richter Israëls, Micha 4:14) en alsof hij niet slechts de Geest des Heeren had maar het monopolie des Geestes, zodat die zonder zijn verlof niet mocht uitgaan, vraagt hij: door wat weg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan om u aan te spreken? vers 24. De valse profeten zijn altijd de ergste vijanden geweest van de ware profeten, en hebben niet alleen de regering tegen hen opgezet, maar zelf hen mishandeld, zoals Zedekia hier Micha mishandeld heeft. Iemand te slaan binnen de omtrek van het hof, inzonderheid in de tegenwoordigheid van de koning, wordt door onze wet als een hoge misdaad beschouwd, maar deze goddeloze profeet mishandelt aldus een profeet des Heeren zonder er ook maar om berispt te worden. Aan Achab deed het genoegen, en Josafat miste de moed om het voor de beledigde profeet op te nemen, onder voorwendsel dat het niet binnen zijn rechtsgebied geschied was. Micha geeft de slag niet terug, (Gods profeten slaan niet, vervolgen niet, durven niet zichzelf wreken, vergelden geen belediging met een belediging, en willen op generlei wijze medeplichtig zijn aan vredebreuk) daar echter Zedekia zo roemde op de Geest, zoals diegenen gewoonlijk doen, die het minst weten van Zijn werkingen, maar laat hem over om door de gebeurtenis van zijn dwaling overtuigd te worden. Gij zult het zien op die dag, als gij zult gaan van kamer in kamer om u te verbergen, vers 25. Zedekia is waarschijnlijk met Achab afgegaan naar de strijd, en heeft zijn ijzeren horens meegenomen om de soldaten aan te moedigen, met genoegen de vervulling van zijn profetie te zien, en in triomf met de koning weer te keren. Maar het leger werd verslagen, en hij vlood met de overigen voor het zwaard van de vijand en, evenals Benhadad tevoren gedaan heeft, beschutte hij zich in een binnenkamer, een kamer in een kamer, Hoofdstuk 20:30, uit vrees van om te komen met hen, die hij bedrogen had, zoals Bileam, Numeri 31:8, gelijk hij wel wist verdiend te hebben, en dat de blinde profeet in de gracht zou vallen met de verblinde vorst, die hij misleid had. Zij, die niet willen dat zij door het Woord Gods van hun dwalingen en vergissingen bijtijds terecht worden geholpen, zullen uit de waan worden gebracht als het te laat is, door de oordelen Gods.
2. Achab, die goddeloze koning, gaf hem over in de gevangenis, vers 26. Hij gaf bevel, niet slechts om hem in verzekerde bewaring te stellen of hem terug te brengen in de gevangenis vanwaar hij kwam, maar om op brood en water gezet te worden, grof brood en modderig water, totdat hij zou terugkeren, niet twijfelende of hij zou als overwinnaar wederkeren, en dan zal hij hem als valse profeet ter dood laten brengen, vers 27. Wèl een harde behandeling van iemand, die zijn verderf had willen voorkomen! Maar hieruit bleek dat God besloten had hem te verderven, zoals 2 Kronieken 25:16. Hoe vast gelooft Achab voorspoedig te zullen zijn! Hij twijfelt niet of hij zal in vrede weerkeren, vergetende hetgeen, waaraan hijzelf Benhadad had herinnerd: Die zich aangordt beroeme zich niet. Maar het was weinig waarschijnlijk, dat hij in vrede thuis zou komen, nu hij een van Gods profeten in de gevangenis achterliet. Micha verwijst naar de uitkomst, en roept het gehele volk tot getuige hiervan op: Indien gij enigszins met vrede weerkomt, zo heeft de Heere door mij niet gesproken, vers 28. Laat de smaad en de straf van een valse profeet mij ten deel vallen, als de koning levend thuis komt. Hij liep geen gevaar met dit beroep, want hij wist wie hij geloofd had, Hij die de koningen van de aarde vreeslijk is, en over de overheden komt als over leem, zal veeleer duizenden van hen ter aarde doen vallen, dan een enkele jota of tittel van Zijn woord. "Hij zal niet in gebreke blijven het woord van Zijn knechten te bevestigen", Jesaja 44:26.