1 Koningen 19:9-18
I. Hier is Elia gehuisvest in een spelonk van de berg Horeb, die de berg Gods genaamd wordt, omdat God er vroeger Zijn heerlijkheid had geopenbaard, en misschien was dit wel dezelfde spelonk of kloof van de steenrots, waarin Mozes verborgen was, toen "de Heere voor zijn aangezicht voorbijging en zijn naam uitriep" Exodus 34:6. Wat Elia zich voorstelde toen hij hier kwam vernachten, weet ik niet, tenzij het was om toe te geven aan zijn droefgeestigheid of om zijn weetgierigheid te bevredigen, en een hulp te vinden voor zijn geloof en zijn Godsvrucht in de aanblik van die vermaarde plaats, waar de wet was gegeven en zoveel grote dingen gedaan werden, hopende er God zelf te ontmoeten waar Mozes Hem ontmoet heeft, of ten teken, dat Hij Zijn volk Israël had verlaten, dat niet hervormd willen worden, en zo komt dit overeen met Jeremia's wens: "Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten en van hen trekken, want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop," Jeremia 9:2, en zo was het een slecht voorteken dat God hen ging verlaten. Of misschien dacht hij nergens anders veilig te kunnen zijn, en op dit voorbeeld van het lijden en de ontbering, waartoe deze Godvruchtige man gekomen was, wijst de apostel, Hebreeën 11:38. Zij "hebben in woestijnen gedoold en op bergen, en in spelonken, en in de holen van de aarde."
II. Het bezoek, dat God hem daar bracht, en de vraag, die Hij hem deed. Het woord des Heeren kwam tot hem. Nergens kunnen wij heengaan, waar wij buiten het bereik zijn van Gods oog, Zijn arm en Zijn woord. "Waar zou ik heengaan voor Uw Geest,' Psalm 139:7 en verv. God zal zorgdragen voor Zijn verstotenen, en hen, die om Zijnentwil van onder de mensen verdreven zijn, zal Hij vinden, en erkennen, en vergaderen met eeuwige goedertierenheid. Johannes heeft de gezichten des Almachtigen gezien, toen hij in ballingschap op het eiland Patmos was, Openbaring 1:9. De vraag, die God hem doet, is. Wat doet gij hier, Elia? vers 9, en opnieuw in vers 13. Dit is een bestraffing
1. Voor zijn herwaarts vluchten. "Wat brengt u zover weg van thuis? Vlucht gij voor Izebel? Kon gij niet op de Almachtige vertrouwen voor uw bescherming? (Leg de nadruk op gij.) Hoe, gij! Zo'n grote man, zo'n grote profeet, zo vermaard om zijn vastberadenheid, ontvlucht gij uw land, verlaat gij aldus uw vaandel?" Deze lafhartigheid zou meer te verontschuldigen zijn geweest in een ander, en dan ook niet zo'n slecht voorbeeld zijn geweest. Zou "een man als ik vlieden?" Nehemia 6:11. Huilt, gij dennen! als de cederen aldus bewogen zijn.
2. Om zijn zich vestigen aldaar. "Wat maakt gij hier in deze spelonk? Is dit een plaats voor een profeet des Heeren om in te vernachten? Is dit een tijd voor zulke mannen om zich terug te trekken, als het publiek hen zo nodig heeft?" In de afzondering, waarin God hem gezonden heeft, Hoofdstuk 17, was hij een zegen voor een arme weduwe van Zarfath, maar hier heeft hij geen gelegenheid om goed te doen. Het is ons dikwijls nodig ons af te vragen of wij in onze plaats zijn, en in de weg van onze plicht. "Ben ik waar ik behoor te zijn, waar God mij roept, waar mijn werk is, en waar ik voor anderen ten zegen kan zijn?"
III. Het bericht, dat hij geeft omtrent zichzelf in antwoord op de vraag, die hem gedaan is, en in antwoord op dezelfde vraag in vers 14. Waarin: 1. Hij zich verontschuldigt, en verlangt dat het niet toegeschreven zal worden aan gebrek aan ijver in hem voor de reformatie, maar aan zijn wanhoop aan succes. Want God wist, en zijn eigen geweten getuigt voor hem, dat hij, zolang er enige hoop was om goed te doen, zeer geijverd heeft voor de Heere, de God van de heirscharen, maar dat hij, nu hij tevergeefs gearbeid had, en al zijn pogingen vruchteloos waren gebleven, dacht dat het nu tijd was om de zaak maar op te geven en te treuren over hetgeen hij niet veranderen of verbeteren kon. "Abi in cellam, et dic: Miserere mei-Ga in uw cel, en roep: Ontferm u ove mij."
2. Hij klaagt over het volk, over hun hardnekkigheid in de zonde, en de diepte van goddeloosheid, waartoe zij vervallen zijn. De kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, en dat is de reden waarom ik hen verlaten heb. Wie kan onder hen vertoeven om te zien dat al wat heilig is verdorven en verguisd wordt?" Dit noemt de apostel zijn "aanspreken van God tegen Israël," Romeinen 11:2, 3. Hij is dikwijls naar keus hun voorspraak geweest, maar nu is hij genoodzaakt hun beschuldiger te zijn bij God. Aldus in Johannes 5:45 :"Die u verklaagt is Mozes, op welke gij gehoopt hebt." Diegenen zijn in waarheid ongelukkig, die het getuigenis en de gebeden van Gods profeten tegen zich hebben.
3. Hij beschuldigt hen Gods verbond te hebben verlaten, hoewel zij de besnijdenis behielden, het teken en het zegel er van, maar zij hadden Zijn aanbidding en Zijn dienst verlaten, die er de bedoeling van waren. Zij, die Gods inzettingen veronachtzamen en hun gemeenschap met Hem afbreken, verlaten in werkelijkheid Zijn verbond. Hij legt hun ten laste dat zij Zijn altaren hebben neergeworpen, zij hebben ze niet slechts verlaten, en ze bouwvallig laten worden, maar in hun ijver voor de aanbidding van Baäl hebben zij ze moedwillig afgebroken. Hij doelt op altaren, die de profeten des Heeren hadden, en waar Godvruchtige mensen kwamen offeren, die niet konden opgaan naar Jeruzalem, en de kalveren niet wilden aanbidden noch Baäl. Deze altaren schenen wel inbreuk te maken op de eenheid van de kerk, daar zij echter opgericht waren door hen, die oprecht de eer Gods bedoelden en Hem in getrouwheid dienden, werd de schijnbare scheurmakerij voorbijgezien, en heeft God ze erkend als Zijn altaren, zowel als dat te Jeruzalem, en het neerwerpen er van wordt Israël ten laste gelegd als een schreiende, hemeltergende zonde. Maar dit was nog niet alles. Zij hebben uw profeten met het zwaard gedood die naar alle waarschijnlijkheid aan deze altaren gediend hebben. Izebel, een vreemdelinge, heeft dit gedaan, Hoofdstuk 18:4, maar het wordt aan geheel het volk ten laste gelegd, omdat de meerderheid van hen een welbehagen hadden in hun dood.
4. Hij geeft de reden op, waarom hij zich in deze woestijn had teruggetrokken, en zijn woonplaats in deze spelonk had opgeslagen.
a. Omdat hij geen nut kon doen met in het openbaar te verschijnen. "Ik alleen ben overgebleven, en heb niemand om mij te steunen of bij te staan in de goede zaak. Allen hebben gezegd: De Heere is God, maar niemand van hen wilde mij bijstaan, heeft gepoogd mij te beschutten. Wat toen gewonnen was ging terstond weer teloor, en Izebel kan meer doen om hen te verderven, dan ik om hen te hervormen. Wat vermag een man tegenover duizenden?" Wanhoop aan succes staat menige goede onderneming in de weg. Niemand is bereid zich alleen te wagen, vergetende dat wie God aan zijn zijde heeft niet alleen is. b. Het was omdat hij niet veilig in het openbaar kon verschijnen. "Zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen, en het is beter dat ik mijn leven doorbreng in een nutteloze eenzaamheid dan het te verliezen in een vruchteloze poging om hen te hervormen die niet hervormd willen zijn".
IV. God openbaart zich aan hem. Is hij hier gekomen om God te ontmoeten? Hij zal bevinden dat God niet in gebreke zal blijven om tot hem te komen. Mozes werd in de spelonk of in de kloof van de steenrots gesteld, toen Gods heerlijkheid hem voorbijging, maar Elia werd naar buiten geroepen, om te staan op de berg voor het aangezicht des Heeren, vers 11. Hij zag generlei gelijkenis evenmin als Israël toen God tot hen sprak op Horeb. Maar:
1. Hij hoorde een sterke wind, en zag er de verschrikkelijke uitwerkingen van, want de bergen scheurden en de steenrotsen braken. Aldus werd de bazuin geblazen voor de rechter van hemel en aarde door Zijn engelen die Hij geesten of winden maakt, en wel zo luid, dat niet slechts de aarde weerklonk, maar scheurde.
2. Hij gevoelde de schok van een aardbeving.
3. Hij zag een uitbarsting van vuur, vers 12. Dit alles moest de openbaring inleiden van de Goddelijke heerlijkheid, engelen daarvoor gebruikt zijnde, die Hij tot een vlammend vuur maakt, en die, als Zijn dienaren, voor Hem heengaan om in de wildernis een baan recht te maken voor onze God. Maar,
4. Eindelijk bespeurde hij het suizen van een zachte stilte, waarin de Heere was, dat is: waarin Hij tot hem sprak, maar niet in de wind, of de aardbeving, of het vuur, deze alle vervulden hem met ontzag, wekten zijn aandacht op, en boezemden hem eerbied in en ootmoed, maar God verkoos hem Zijn wil bekend te maken in zachte fluisteringen, niet in die ontzagwekkende geluiden. En toen hij die stille zachte stem hoorde:
A. Omwond hij zijn aangezicht met zijn mantel als een, die bevreesd is om de heerlijkheid Gods te zien, vreesde dat zij zijn ogen zou verblinden en hem zou overweldigen. De engelen "bedekken hun aangezicht" voor God, ten teken van eerbied, Jesaja 6:2. Elia bedekte zijn aangezicht, beschaamd zijnde dat hij zo lafhartig was geweest om terug te deinzen voor zijn plicht, als hij toch zo'n machtig God had om er hem in bij te staan. De wind, de aardbeving en het vuur hebben hem zijn aangezicht niet doen bewinden, maar het suizen van de zachte stilte heeft dit wèl gedaan. Godvruchtige zielen worden meer aangedaan door de barmhartigheden des Heeren dan door Zijn verschrikkingen.
B. Hij stond aan de ingang van de spelonk, gereed om te horen wat de Heere tot hem zeggen zou. Deze methode, naar welke God zich hier bij de berg Horeb openbaarde, schijnt te verwijzen naar Gods vroegere openbaringen van zichzelf te van deze plaats aan Mozes.
a. Toen was er een onweer, en een aardbeving, en vuur, Hebreeën 12:18, maar toen God aan Mozes Zijn heerlijkheid wilde ontdekken, heeft Hij Zijn goedheid voor zijn aangezicht laten voorbijgaan, zo ook hier: Hij was het Woord, was in de stille zachte stem. b. Aldus werd toen de wet aan Israël gegeven: eerst met de verschijnselen van de verschrikking, en daarna met een stem van woorden, en Elia nu geroepen zijnde om die wet te doen herleven, in het bijzonder de eerste twee geboden er van, wordt hem hier getoond, hoe daarbij te handelen, hij moet het volk niet slechts doen ontwaken en hen verschrikken door ontzaglijke tekenen, zoals de aardbeving en het vuur maar hij moet door een zachte stille stem, het suizen van een zachte stilte, het volk pogen te overtuigen en te bewegen, en, als hij dat deed hen niet verlaten. Het geloof is door het gehoor, door het woord Gods te horen, wonderen bereiden er slechts de weg voor.
c. Toen sprak God tot het volk met verschrikking, maar in het Evangelie van Christus, dat door de geest en de kracht van Elia ingeleid zal worden, zal Hij met een stille zachte stem spreken, welke verschrikking ons niet bevreesd zal maken. Zie Hebreeën 12:18 en verv.
V. De orders, die God hem gaf uit te voeren. Hij herhaalt de vraag, die Hij hem tevoren gedaan heeft: "Wat doet gij hier? Dit is thans geen plaats voor u." Elia geeft hetzelfde antwoord, vers 14, klaagt over Israëls afval van God, en het verval van de Godsdienst onder hen. Hierop geeft God hem een antwoord. Toen hij wenste te sterven, vers 4, heeft God hem niet geantwoord naar zijn dwaasheid maar heeft hem zó weinig laten sterven, dat Hij hem toen niet slechts in het leven behield, maar er in heeft voorzien dat hij nooit zou sterven, maar weggenomen zou worden. Maar als hij klaagt over zijn ontmoediging (en waar zullen Gods profeten met hun klachten van die aard anders heengaan dan tot hun Meester?) heeft God hem een antwoord gegeven. Hij zendt hem terug met aanwijzingen om Hazaël tot koning over Syrië aan te stellen, vers 15 Jehu tot koning over Israël, en Elisa tot zijn opvolger in het profetisch ambt, vers 16, hetgeen bedoeld is als een voorzegging dat God door deze de ontaarde Israëlieten zal kastijden Zijn eigen zaak onder hen zal bepleiten, en de twist van Zijn verbond zal wreken, vers 17. Elia klaagde dat de goddeloosheid van Israël ongestraft bleef, het oordeel van de hongersnood was te zacht, had hen niet tot bekering gebracht, het werd weggenomen voordat zij bekeerd waren. "Ik heb zeer geijverd ", zegt hij, "voor Gods naam, maar Hijzelf scheen er niet ijverig over te zijn." "Welnu", zegt God, "wees tevreden, het zal alles komen op zijn tijd, gerichten zijn voor de spotters bereid, al zijn zij nu ook nog niet gezonden, de personen zijn gekozen, en zullen nu benoemd worden, want zij zijn reeds in wezen, die ze ten uitvoer zullen brengen."
1. Als Hazaël koning van Syrië zal zijn, zal hij bloedig werk doen onder het volk, 2 Koningen 8:12, en hen aldus straffen voor hun afgoderij."
2. Als Jehu koning van Israël wordt, zal hij bloedig werk doen onder de koninklijke familie, het huis van Achab ten enenmale uitroeien, dat de afgoderij had ingevoerd en staande gehouden.
3. "Elisa zal, zolang gij nog op aarde zijt, uw handen sterken, en als gij weggenomen zult wezen, zal hij uw werk voortzetten en een blijvend getuige zijn tegen Israëls afval, en zelfs zal hij de kinderen van Bethel doden, van Bethel, die afgodische stad." De goddelozen worden bewaard voor het oordeel. Het kwaad vervolgt de zondaren, en er is geen ontkomen aan, pogen te ontkomen is slechts van de punt van het een zwaard naar het andere te lopen. Zie Jeremia 48:44. "Die van de vrees ontvliedt, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden." Met het zwaard des Geestes zal Elisa de consciëntie verschrikken en wonden van hen, die aan het oorlogszwaard van Hazaël ontkomen, evenals aan Jehu's zwaard van de gerechtigheid, "met de adem van zijn lippen zal hij de goddeloze doden" Jesaja 11:4, 2 Thessalonicenzen 2:8, Hosea 6:5. Het is voor Godvruchtige mensen en vrome leraren een grote vertroosting te denken, dat God nooit verlegen zal zijn om werktuigen, om op Zijn tijd Zijn werk te doen, maar dat, als zij heengegaan zijn, anderen opgewekt zullen worden om het werk voort te zetten.
Vl. De troostrijke mededeling, die God hem doet van het getal van de Israëlieten, die nog aan hun oprechtheid vasthielden, hoewel hij dacht dat hij alleen was overgebleven, vers 18. Ik heb in Israël doen overblijven zeven duizend, ( buiten en behalve nog Juda), alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl. In tijden van de grootste ontaarding en afval heeft God nog altijd gehad, en zal Hij nog altijd hebben, een overblijfsel, dat Hem getrouw is, sommigen, die aan hun oprechtheid vasthouden, en zich niet laten meevoeren door de stroom. De apostel vermeldt dit antwoord van God aan Elia, Romeinen 11:4, en past het toe op zijn eigen tijd, toen de Joden over het algemeen het Evangelie hebben verworpen, alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd, zegt hij, een overblijfsel geworden, vers 5. Het is Gods werk dat overblijfsel te bewaren, en het te onderscheiden van de overigen, want zonder Zijn genade zouden zij zich niet hebben kunnen onderscheiden. Ik heb doen overblijven, daarom wordt het gezegd een overblijfsel te zijn naar de verkiezing van de genade. Het is slechts een klein overblijfsel in vergelijking met geheel het ontaarde geslacht, wat zijn zeven duizend bij de duizenden van Israël? Maar als die van elke eeuw samenkomen, dan zullen zij bevonden worden veel meer te zijn, twaalf duizend verzegelden uit iedere stam, Openbaring 7:4. Gods getrouwen zijn dikwijls Zijn verborgenen, Psalm 83:4, en de zichtbare kerk is nauwelijks zichtbaar, de tarwe verloren in het kaf, en het goud in het schuim, totdat de dag van de schifting, van de loutering, van de afscheiding komt. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, hoewel wij hen niet kennen. Hij ziet in het verborgen. Er zijn meer Godvruchtige mensen in de wereld dan sommige wijze en heilige mannen denken. Hun ijveren over zichzelf en voor God doet hen denken dat het bederf algemeen is, maar God ziet niet zoals zij zien. Als wij in de hemel komen zullen wij zeer velen missen, die wij gedacht hebben daar te ontmoeten, en er zeer velen ontmoeten, die wij nooit gedacht hebben daar te zullen vinden. Gods liefde blijkt dikwijls ruimer te zijn dan de barmhartigheid van de mensen, en veel meer omvattend.