Nehemia 6:10-14
De vijanden van de Joden lieten geen middel onbeproefd om Nehemia van het werk om de muur rondom Jeruzalem te bouwen te doen aflaten, te die einde hadden zij beproefd hem tot zich naar buiten op het land te lokken, maar tevergeefs, nu trachten zij hem in de tempel te drijven om zich in veiligheid te stellen, hij zij overal waar hij wil, slechts niet aan zijn werk. Bemerkende dat hij een voorzichtig man was, willen zij trachten hun doel te bereiken door hem tot een lafaard te maken.
Merk op:
I. Hoe laaghartig de vijanden met deze verzoeking tewerk gingen.
1. Wat zij beoogden was Nehemia er toe te brengen een dwaze daad te doen, teneinde hem te kunnen bespotten, hem er over te beschimpen, om dan aldus zijn invloed te verzwakken, vers 13, opdat ik zou vrezen, en zo zouden zij dan iets hebben tot een kwade naam, opdat zij mij zouden honen. Dit was in waarheid het werk doen van de duivel, die de verleider is van de mensen om hun beschuldiger te kunnen zijn, de mensen tot zonde brengt om dan te kunnen juichen in hun schande. Het grootste kwaad, dat onze vijanden ons doen kunnen, is ons weg te schrikken van onze plicht en er ons toe te brengen om te doen wat zondig is.
2. De werktuigen, waarvan zij zich bedienden, waren een gewaande profeet en een profetes, die zij huurden om Nehemia te bewegen van zijn werk af te laten, en zich ter wille van zijn eigen veiligheid terug te trekken. De gewaande profeet was Semaja, van wie gezegd wordt dat hij in zijn eigen huis was opgesloten, hetzij onder voorgeven van de afzondering te zoeken om zich aan bepeinzing over te kunnen geven en met de wil Gods te rade te gaan, of wel om aan Nehemia een teken te geven om zich evenzo in afzondering te begeven. Nehemia schijnt achting voor hem gehad te hebben, want hij ging naar zijn huis om met hem te beraadslagen, vers 10. Er waren ook andere profeten, en een profetes, Noadja, vers 14, die de belangen van de vijanden van de Joden waren toegedaan, afhangelingen van hen en verraders van hun land waren. Of Zij aanspraak maakten op Goddelijke ingeving blijkt niet. Zij zeggen niet: Aldus spreekt de Heere, zoals de valse profeten vanouds, indien zij daar geen aanspraak op maakten, wilden zij toch gehouden worden voor mensen, die uitmuntten in kennis van God en in menselijke wijsheid en een buitengewone mate van inzicht in de dingen, weshalve zij, evenals vroeger de profeten, in moeilijke gevallen geraadpleegd werden. Dezulken worden door de vijanden gezocht en betaald om hen van raad te dienen. Laat ons naar aanleiding hiervan treuren:
a. Over de boosheid van slechte mensen, zoals deze profeten geweest zijn, dat ooit iemand zo verdorven kan zijn om de zaak van God en van zijn land te verraden, zelfs onder voorgeven van gemeenschapsoefening met God en zorg voor hun land.
b. Over het ongeluk van Godvruchtige mannen als Nehemia, die in gevaar zijn om door zulke bedriegers misleid te worden, en tot wie geen verzoeking met meer kracht komt dan die welke onder de dekmantel komt van de Godsdienst, of onder schijn van een openbaring van God, en door middel van profeten. 3. Het voorgeven liet zich wel horen. Deze profeten zeiden aan Nehemia, dat de vijanden zouden komen om hem te doden, en dat wel in de nacht, en hij had reden genoeg om dit te geloven, zij zouden het voorzeker doen, indien zij konden, indien zij durfden. Zij gaven voor zeer bezorgd te zijn voor zijn veiligheid, allen waren zij verloren indien hem een ongeluk wedervoer, en daarom was het hun ernstige raad aan hem, dat hij zich zou verbergen in de tempel, totdat het gevaar voorbij was. De tempel was een sterke en heilige plaats waar hij zich onder de bijzondere zorg des hemels zou bevinden, Psalm 27:5. Indien Nehemia zich had laten bewegen om dit te doen, dan zou het volk terstond het werk gestaakt hebben, de wapens hebben afgelegd en iedereen zou voor zijn eigen veiligheid hebben gezorgd, en dan zouden de vijanden gemakkelijk en zonder tegenstand te ontmoeten, het reeds gedane werk kunnen afbreken, de muur weer kunnen neerwerpen, en zo zouden zij dan hun doel hebben bereikt. Hoewel zelfbehoud een fundamenteel beginsel is van de wet van de natuur, is het toch niet altijd de beste en verstandigste raad, die men voorgeeft op dat beginsel gegrond te zijn.
II. Zie hoe kloekmoedig Nehemia over deze verzoeking heeft gezegevierd.
1. Onmiddellijk besloot hij er niet aan toe te geven, vers 11. Zie hier:
a. Hoe hij redeneert: "Zou een man als ik vlieden? Zou ik aflaten van mijn werk, of mijn eigen werklieden ontmoedigen, die ik gebruikt en aangemoedigd heb? Zal ik zo licht aan ieder gerucht geloof slaan en zo overbezorgd zijn voor mijn eigen leven? Ik, die de landvoogd ben, op wie zoveel ogen, beide van vrienden en vijanden, gericht zijn? Een ander zou kunnen vlieden, maar ik niet. Wie is er, zijnde als ik, op mijn post van eer en macht en vertrouwen, die in de tempel zou gaan, zich daar schuil zou houden, als er werk te doen is, al was het dan ook om zijn leven te redden?" Als wij tot zonde worden verzocht, dan moeten wij gedenken wie en wat wij zijn, opdat wij niet iets doen dat ons niet betaamt-niet betaamt aan onze belijdenis. "Het komt de koningen niet" "toe, o Lemuël!" Spreuken 31:4.
b. Wat het resultaat was van zijn redenering, hij komt tot een besluit. "Ik zal er niet ingaan, ik wil liever sterven, bezig zijnde aan mijn werk, dan leven door mij schandelijk ervan terug te trekken," Heilige kloekmoedigheid en grootheid van ziel zullen er ons toe leiden om, wat het ons ook moge kosten, nooit een goed werk af te wijzen, en nooit een slecht werk te doen.
2. Hij begreep terstond hoe de zaak eigenlijk gelegen was, vers 12. "Ik merkte, en zie, God had hem niet gezonden, dat hij die raad gaf, niet door bestuur of leiding van God, hetzij gewone of buitengewone, maar uit kwade bedoeling tegen mij." De slechtheid van zulke huurlingen zal vroeg of laat aan het licht gebracht worden. Nehemia zei dat hij twee dingen vreesde in hetgeen hem aangeraden werd.
a. Tegen God te zondigen, Hem te beledigen, dat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen Zonde is hetgeen wij boven alles, wat het ook zij, moeten vrezen, en het is een goed voorbehoedmiddel tegen zonde, om voor niets te vrezen dan voor de zonde.
b. Zich te schande te maken, opdat zij mij zouden honen. Na het zondige van de zonde is dat het schandelijke ervan, dat wij moeten vrezen. 3. Hij vraagt ootmoedig aan God om met hen af te rekenen voor hun lage bedoelingen tegen hem, vers 14. Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat en aan de overigen van hen, naar deze hun werken. Evenals hij, toen hij van zijn eigen goede diensten had gesproken, niet met begeerlijkheid of eerzucht God had voorgeschreven welke beloning Hij hem geven zou, maar met bescheidenheid had gebeden: Gedenk mijner, mijn God, Hoofdst. 5:19, zo heeft hij ook hier niet wraakzuchtig bijzondere oordelen over zijn vijanden ingeroepen, maar de zaak aan God overgelaten: "Gij kent hun hart en zijt de wreker van leugen en bedrog, neem kennis van deze zaak, spreek recht tussen mij en hen, en vorder rekenschap van hen hoe en wanneer het U behaagt." Welk onrecht ons ook gedaan moge worden, wij moeten toch onszelf niet wreken, maar onze zaak overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.