1 Koningen 12:25-33
Wij hebben hier het begin van de regering van Jerobeam. Eerst bouwde hij Sichem en toen Pnuel, verfraaide of versterkte ze, en had waarschijnlijk in beide plaatsen een paleis, vers 25, het eerste in Efraïm, het tweede in Gad, aan de andere kant van Jordaan. Dit kon gepast en geoorloofd zijn, maar hij vormde een ander plan tot bevestiging van zijn koninkrijk, dat noodlottig was voor de belangen van de Godsdienst er in.
I. Wat hij bedoelde was door krachtige afdoende middelen diegenen aan hem te verbinden, die hem tot hun koning hadden verkoren, en hun terugkeren tot het huis van David te verhinderen, vers 26, 27. Hij schijnt:
1. Achterdochtig te zijn geweest omtrent het volk, bevreesd dat zij hem op de een of anderen tijd zouden doden, om dan tot hun trouw aan Rehabeam weer te keren. Velen die in het een tumult werden verhoogd, zijn in een ander ter neergeworpen. Jerobeam kon generlei vertrouwen stellen in de genegenheid zijns volks, hoewel zij hem nu zo uiterst genegen schenen te zijn, want hetgeen door onrecht en overweldiging verkregen wordt, kan niet lang met gerustheid en voldoening behouden en genoten worden.
2. Hij wantrouwde de belofte Gods, kon Hem niet op Zijn woord geloven, dat Hij, zo hij zich streng en nauw aan zijn plicht hield, hem een bestendig huis zou bouwen, Hoofdstuk 11:38, en nu zon hij op middelen, en wel zondige middelen, om zijn veiligheid te verzekeren. Een praktisch ongeloof in Gods algenoegzaamheid ligt op de bodem van al ons trouweloos afwijken van Hem.
II. Het middel, dat hij hiertoe aanwendde, was het volk er van terug te houden om naar Jeruzalem op te gaan ter aanbidding. Jeruzalem was de plaats, die God verkoren had om er Zijn naam te stellen. Daar was Salomo's tempel, waarvan God, ten aanschouwen van geheel Israël en in de heugenis van vele nog levende personen plechtig bezit had genomen in een wolk van de heerlijkheid. Aan het altaar aldaar dienden de priesters des Heeren, daar moest geheel Israël de feesten vieren, daarheen moesten zij hun offers brengen.
1. Nu vreesde Jerobeam dat het volk, zo het dit bleef doen, mettertijd tot het huis van David zou weerkeren, aangelokt door de pracht beide van het hof en van de tempel. Als zij hun oude Godsdienst blijven aankleven, dan zullen zij ook tot hun oud koningshuis terugkeren. Wij kunnen veronderstellen dat, zo hij met Rehabeam had onderhandeld over een vrijgeleide voor hemzelf en voor zijn volk, op de vastgestelde tijden voor het vieren van de plechtige feesten, het hem niet geweigerd zou zijn. Hij vreest dus niet dat zij met geweld teruggedreven zullen worden, maar wèl dat zij tot Rehabeam zullen terugkeren.
2. Hij raadde hun dus aan om niet naar Jeruzalem op te gaan, voorgevende dat hij hiermede hun gemak en gerief bedoelde. "Het is te veel voor u om zover te gaan om God te aanbidden, vers 28, het is een zwaar juk, en het is tijd om het af te schudden, gij zijt nu lang genoeg naar Jeruzalem gegaan," zoals sommigen dit lezen. "Nu gij aan de tempel gewoon zijt geraakt, heeft hij niet meer dat heerlijk en heilig aanzien, dat hij in het eerst voor u gehad heeft" -de heerlijkheid, die met de zinnen wordt waargenomen, neemt langzamerhand af in de schatting van de mensen. "Gij hebt u van andere lasten bevrijd, werpt ook die last van u af, waarom zouden wij nu meer aan een plaats gebonden zijn dan in de tijd van Samuël?"
3. Hij voorzag in hetgeen hen in hun Godsverering thuis kon helpen. Na met sommigen van zijn staatslieden beraadslaagd te hebben, kwam hij tot het besluit, om twee gouden kalveren op te richten als tekenen van de Goddelijke tegenwoordigheid, en het volk te overreden dat zij evengoed tehuis konden blijven en aan die tekenen of zinnebeelden offeren, als naar Jeruzalem gaan, om voor de ark te aanbidden. En sommigen zijn zo liefderijk om te denken, dat zij het verzoendeksel voorstelden en de cherubim boven de ark. Het is echter meer waarschijnlijk, dat hij het van de Egyptenaren had geleerd, in wier land hij gedurende enige tijd gewoond had, en die hun god Apis aanbaden onder de gelijkenis van een stier of een kalf.
a. Hij wilden de onkosten niet maken om een gouden tempel te bouwen, zoals Salomo gedaan had, twee gouden kalveren is het meeste dat hij er voor over had.
b. Ongetwijfeld bedoelde hij door deze generlei valse god voor te stellen, zoals Moloch of Kamos, maar alleen de ware God, de God van Israël, de God die hen opgevoerd heeft, zoals hij verklaart in vers 28. Het was dus geen overtreding van het eerste gebod maar van het tweede. En hij trachtte de Godsdienstzin van het volk op die wijze te leiden, omdat hij wist dat velen onder hen zo verzot waren op beelden, dat zij om ter wille van de kalveren zeer graag Gods tempel zullen verlaten, waar alle beelden verboden waren.
c. Hij richtte er twee op, om het volk langzamerhand af te brengen van het geloof in de eenheid van God, hetgeen de weg zal banen tot het polytheïsme van de heidenen. Hij richtte ze op te Dan en te Bethel, het één aan de uiterste grens van zijn land ten noorden, het andere in het zuiden, alsof zij de hoeders en beschermers waren van het koninkrijk. Bethel lag dicht bij Juda, daar richtte hij een op, om diegenen van Rehabeams onderdanen te verleiden om tot hem over te komen, die tot beeldendienst geneigd waren, in de plaats van diegenen van zijn eigen onderdanen, die naar Jeruzalem bleven gaan. Het andere richtte hij op te Dan ten gerieve van hen, die het verst weg woonden, en omdat Micha's beelden daar opgericht waren, en er gedurende vele eeuwen grote eerbied aan bewezen werd, Richteren 18:30. Bethel betekent het huis van God, hetgeen aan hun bijgeloof een vrome schijn gaf, maar de profeet noemde het Beth-aven, het huis van de ijdelheid, of van de ongerechtigheid.
4. Het volk schikte er zich in. Zij waren zeer ingenomen met deze nieuwigheid, zij gingen heen voor het ene, tot Dan toe, vers 30, naar dat van Dan het eerst, hoewel het zo ver weg lag. Zij, die het te veel vonden om op te gaan naar Jeruzalem om God te aanbidden overeenkomstig Zijn inzetting, maakten geen bezwaren om nog tweemaal verder te gaan naar Dan, om Hem te aanbidden overeenkomstig hun eigen bedenksels. Of, zij worden gezegd naar één van de kalveren te Dan te gaan, omdat Abia, koning van Juda, twintig jaren later Bethel heroverde, 2 Kronieken 13:19, en waarschijnlijk het gouden kalf wegnam, of er het gebruik van verbood, en toen hadden zij slechts het een om er heen te gaan. Deze zaak werd tot zonde, en een grote zonde is het geweest, tegen de uitdrukkelijke letter van het tweede gebod. God had soms ontheffing verleend van de wet betreffende de aanbidding aan een plaats, maar nooit heeft Hij hun toegestaan om Hem te aanbidden in beelden. Hiermede hebben zij het maken van een kalf te Horeb door hun vaderen gerechtvaardigd, hoewel God Zijn misnoegen tegen hen daarom zo sterk en zo duidelijk getoond had, en gedreigd had om ten dage Zijns bezoekers hun zonde over hen te bezoeken, Exodus 32:34. Zodat het een even grote minachting was van Gods toorn als van Zijn wet, en zo hebben zij zonde tot zonde toegedaan. Bisschop Patrick haalt een gezegde aan van de Joden: Dat de Israëlieten tot aan de tijd van Jerobeam maar aan een kalf gezogen hebben, maar van die tijd af zogen zij aan twee.
5. De goden opgericht hebbende, richtte hij nu hun eredienst in, en hier wordt ons gezegd in welk opzicht hij er in afweek van de Goddelijke inzetting, hetgeen te kennen geeft dat hij in andere opzichten zo goed hij kon navolgde wat in Juda gedaan werd, vers 32. Zie, hoe een dwaling vermenigvuldigd werd in vele.
A. Hij maakte een huis van de hoogten of van altaren, een tempel te Dan, naar wij kunnen onderstellen, en één te Bethel, vers 31, en in elk veel altaren, waarschijnlijk er als een ongerief over klagende, dat er in de tempel te Jeruzalem slechts één was. Het vermenigvuldigen van de altaren werd door sommigen voor grote vroomheid aangezien, maar God heeft er door de profeet een andere verklaring van gegeven "Efraïm heeft de altaren vermenigvuldigd tot zondigen," Hosea 8:11.
B. Hij maakte priesters van de geringsten van het volk, en de geringsten van het volk waren ook goed genoeg om priesters te zijn van zijn kalveren, ja nog te goed. Hij maakte priesters van de uiterste delen van het volk, dat is sommigen uit iedere hoek van het land, aan wie hij gebood onder hun naburen te wonen, om hen te onderrichten in zijn inzettingen en hen er mee te verzoenen. Aldus waren zij verstrooid zoals de Levieten, maar zij waren niet uit de zonen van Levi. Maar de priesters van de hoogten of van de altaren gebood hij in Bethel te wonen, zoals de priesters te Jeruzalem, vers 32, om daar de openbaren dienst waar te nemen.
C. Het feest van de loofhutten, dat God verordineerd had op de vijftiende van de zevende maand, verschoof hij naar de vijftiende van de achtste maand, vers 32, van de maand, die hij uit zijn hart bedacht heeft, om zijn macht in kerkelijke zaken te tonen, vers 33. Het pascha en het pinksterfeest nam hij op de gezette tijden waar of nam ze in het geheel niet waar, of, in vergelijking met dit, met weinig plechtigheid.
D. Daar hij zich de macht aanmatigde om priesters te maken, is het niet te verwonderen dat hij ook op zich nam om met zijn eigen handen het werk van de priesters te doen. Hij offerde op het altaar, dit wordt tweemaal vermeld, vers 32, 33, alsmede dat hij reukwerk offerde. Dit werd in hem geduld, omdat het in overeenstemming was met zijn overige onregelmatige handelingen, maar in koning Uzzia werd dit onmiddellijk gestraft met de plaag van de melaatsheid. Hij deed het zelf, om een groot aanzien te hebben onder het volk, en de naam te krijgen van een vroom man te zijn, ook om aan de plechtigheid van zijn nieuw feest luister bij te zetten, met welk feest hij waarschijnlijk het feest van de inwijding van zijn altaar verbonden heeft.
En aldus:
a. Heeft Jerobeam zelf gezondigd maar heeft zich waarschijnlijk bij de werelden zijn eigen geweten hiermede verontschuldigd, dat hij niet zo slecht deed als Salomo gedaan heeft, die andere goden heeft aangebeden. b. Heeft hij Israël doen zondigen, hen afgetrokken van de aanbidding van God, en afgoderij als een erfdeel nagelaten aan hun zaad. En hierdoor werden zij gestraft voor hun verlaten van de troon van het huis van David.
De geleerde Ds. Whiston veronderstelt in zijn chronologie ter in-orde-brenging van de annalen van de twee koninkrijken van Juda en Israël dat Jerobeam de tijdrekening van het jaar heeft veranderd, zodat het jaar slechts elf maanden bevatte, en dat de regeringen van de koningen van Israël naar die jaren berekend zijn tot aan de omwenteling onder Jehu, maar niet langer in welk tussen tijdvak elf jaren van de annalen van Juda gelijk zijn aan twaalf van die van Israël.