Hebreeën 9:1-7
1. De apostel geeft een beschrijving van den tabernakel, de plaats van aanbidding, welke God op aarde opgericht had, die genaamd wordt het wereldlijk heiligdom, geheel van deze wereld, van aardse bouwstoffen samengesteld en een gebouw, dat eens weer weggenomen moest worden. Een wereldlijk heiligdom, omdat het was het paleis van Israël's Koning. God was hun koning en had, gelijk andere koningen, Zijn hof en paleis, Zijn wacht, hofhouding en al wat daarbij behoort. De tabernakel-waarvan wij de beschrijving vinden in Exodus 25-27, was een beweegbare tempel, als afschaduwing van den ongevestigden staat der strijdende kerk en van de menselijke natuur van den Heere Jezus Christus, in welke de volheid der godheid lichamelijk woonde. Van dezen tabernakel nu wordt gezegd dat hij in twee delen gedeeld was, genoemd den eersten en den tweeden tabernakel, een binnenste en een buitenste gedeelte, voorstellende de twee delen van de strijdende en de zegepralende kerk, en de twee naturen van Christus, goddelijk en menselijk. Thans ons meegedeeld wat in elk van die beide delen geplaatst was.
1. In het uitwendig deel bevonden zich verscheidene dingen, waarvan ons hier een soort van lijst is opgenoemd.
A. De kandelaar, die zonder twijfel niet ledig en onaangestoken was, maar waarvan de lampen altijd brandende waren. En daaraan was behoefte, want er waren geen vensters in het heilige, en zulks niet om de Joden te overtuigen van de donkerheid en den geheimzinnigen aard van die bedeling. Hun licht was slechts kandelaarslicht in vergelijking met de volheid van licht, welke Christus, de Zon der gerechtigheid, met zich brengen zou en aan Zijn volk mededelen, want al ons licht is afkomstig van Hem, de fontein van alle licht
B. De tafel en daarop de toonbroden. Die tafel was recht tegenover den kandelaar geplaatst, en daardoor wordt aangeduid, dat wij bij het licht van Christus gemeenschap moeten hebben met Hem en met elkaar. Wij moeten niet in het donker tot Zijne tafel komen, maar bij het licht van Christus moeten wij het lichaam des Heeren onderscheiden. Op deze tafel waren twaalf broden geplaatst naar de twaalf stammen Israël's, een brood voor elke stam, die daar van den enen Sabbat tot den anderen Sabbat bleven, en op dien dag verwisseld werden. Dit toonbrood kan beschouwd worden als de levensvoorraad voor het paleis (ofschoon de Koning van Israël er geen behoefte aan had, toch, om de vergelijking met het paleis van aardse koningen vol te houden, moest. daar wekelijks deze voorraad neergelegd worden). Het kan ook betekenen de voorziening, die Christus maakt voor de zielen van Zijn volk, overeenkomstig de behoeften en ten bate van hun zielen. Hij is het brood des levens, in het huis onzes Vaders is brood genoeg en meer dan dat, wij kunnen van Christus nieuwen voorraad verkrijgen, voornamelijk op elke dag des Heeren. Dit eerste gedeelte wordt genoemd het heilige, omdat het opgericht was om een heiligen God te vereren, een heiligen Jezus voor te stellen, een heilig volk te onderhouden en hen verder te doen toenemen in heiligheid.
2. Thans volgt ene beschrijving van hetgeen het binnenste gedeelte van het heiligdom bevatte, dat achter het tweede voorhangsel was en heilige der heiligen genoemd werd. Dat tweede voorhangsel, waardoor het heilige van het heilige der heiligen gescheiden was, was een type van het lichaam van Christus, door het scheuren waarvan ons niet alleen een gezicht maar een weg was geopend in het heilige der heiligen, de afbeelding van den hemel zelf. In dat gedeelte waren: A. Het gouden wierookvat, dat den wierook moest bevatten, of het gouden altaar, dat opgericht was om er den wierook op te branden. Zowel het een als het ander waren typen van Christus, van Zijn Gode gevallige en invloedrijke tussenkomst in den hemel, gegrond op de verdiensten en de voldoening van Zijne offeranden, waarop wij rekenen mogen op aanneming en zegening van God.
B. De ark des verbonds, alom met goud overdekt, vers 4. Die was een afschaduwing van Christus, van Zijn volkomen gehoorzaamheid aan de wet en Zijn vervullen van alle gerechtigheid voor ons. Nu wordt ons meegedeeld wat in de ark was en waarmee zij bedekt was.
a. Wat er in was: Ten eerste: de gouden kruik, daar het manna in was. Het manna bedierf wanneer de Israëlieten het, tegen Gods bevel in, in hun huizen bewaarden, maar hier, op Gods aanwijzing in Zijn huis bewaard, bleef het vrij van bederf, altijd zuiver en zoet. Dat leert ons dat alleen in Christus onze personen, onze eigenschappen en onze daden zuiver zijn kunnen. Het was ook een beeld van het brood des levens, dat wij in Christus hebben, de ware ambrosia, die de onsterflijkheid geeft. Ook was het een gedachtenis aan Gods wonderdadige voeding van Zijn volk in de woestijn, opdat zij nooit dat sprekend bewijs van Gods gunst zouden vergeten of in de toekomst God wantrouwen.
Ten tweede: de staf van Aäron, die gebloeid had. Daardoor had God getoond dat Hij den stam van Levi gekozen had uit al de stammen Israël's om Hem te dienen, en zo een einde gemaakt aan de murmureringen van het volk en zijn pogingen om op het priesterschap inbreuk te maken, Numeri 17.. Dat was de staf Gods, met welken Mozes en Aäron zulke wonderen deden, en deze was een type van Christus, die genoemd wordt: de man, wiens naam is Spruite, Zacheria 6:12, door wie God wonderen gewrocht heeft van geestelijke verlossing, verdediging en voorziening van Zijn volk en ter vernietiging van hun vijanden. Hij was een type van de goddelijke gerechtigheid, waarmee Christus de Steenrots werd geslagen, waardoor de koele, verfrissende wateren des levens ons in de ziel vloeien.
Ten derde: de tafelen des verbonds, waarop de zedelijke wet was geschreven. Daarmee betuigde God de zorg, die Hij had voor de bewaring van Zijn heilige wet, en de zorg, die wij allen moeten hebben om de wet van God te houden. Dat kunnen wij alleen doen in en door Christus, door Zijne kracht, en alleen door Hem kan onze gehoorzaamheid Gode aangenaam zijn.
b. Wat over de ark was, vers 5. Boven deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden. Ten eerste. De genadestoel, die de ark overdekte en het verzoendeksel genoemd werd. Het was van zuiver goud en even lang en breed als de ark zelf, waarin de wet lag. Het was een heerlijk type van Christus en van Zijn volkomen gerechtigheid, die beantwoordt aan de afmetingen van Gods wet en al onze overtredingen bedekt, zich stellende tussen de Shechina, het zinnebeeld van Gods tegenwoordigheid, en onze zondige gebreken, die laatste bedekkende.
Ten tweede: de cherubijnen der heerlijkheid, het verzoendeksel overschaduwende, afbeelding van Gods heilige engelen, die begerig zijn in te zien in het grote werk van onze verlossing door Christus, en gereed zijn om, onder den Verlosser, alle goede diensten te bewijzen aan degenen, die de zaligheid beërven zullen. De engelen dienden Christus bij Zijne geboorte, in Zijne verzoeking, onder Zijn angsten, bij Zijn verrijzenis en bij Zijne hemelvaart, en zullen Hem dienen bij Zijne wederkomst. God geopenbaard in het vlees was gezien, gadegeslagen en bezocht door de engelen. II. Na de beschrijving van de plaats van aanbidding onder de Oud Testamentische bedeling, gaat de apostel over tot het bespreken van de diensten en plichten, die daar vervuld werden, vers 6. Toen de verscheidene delen en voorwerpen van den tabernakel alzo waren opgericht, wat moest er toen geschieden?
1. De gewone priesters gingen altijd in den eersten tabernakel, om den dienst van God te volbrengen.
A. Niemand dan de priesters mocht in den eersten tabernakel binnengaan, en dit leert ons dat mensen, die daartoe niet aangesteld en die niet door God geroepen zijn, niet in den dienst en het werk van de bediening mogen binnenkomen.
B. De gewone priesters mochten alleen in het eerste gedeelte van den tabernakel komen, het zou een noodlottige aanmatiging geweest zijn, indien zij in het heilige der heiligen gegaan waren, en dat leert ons dat zelfs de dienaren hun aangewezen plaats moeten weten en houden, en niet moeten beproeven zich het voorrecht van Christus aan te matigen, door op eigen gelegenheid reukwerk te offeren, of hun eigen uitvindsels te voegen bij de instellingen van Christus, of den baas te spelen over de gewetens der mensen.
C. Deze gewone priesters moesten in den eersten tabernakel ingaan te allen tijde, dat is: zij moesten zich en al hun tijd wijden aan hun werk en bediening, en er zich nooit aan onttrekken, zij moesten voortdurend gereed staan voor de vervulling van hun bediening en op alle bepaalde tijden bezig zijn in hun werk.
D. De gewone priesters moesten in dien eersten tabernakel ingaan om de Godsdiensten te volbrengen. Zij moesten het werk Gods niet gedeeltelijk of half doen, maar geheel in al Zijn wil en raad bezig zijn, niet alleen goed beginnen, maar ook goed voortgaan en volharden tot het einde in het vervullen van de bediening, die hun opgedragen was.
2. In den tweeden tabernakel, het inwendig deel, ging alleen de hogepriester, vers 7. Dat was een zinnebeeld van den hemel en van Christus' hemelvaart. En hier merken wij op:
A. Niemand behalve de hogepriester mocht in het heilige der heiligen gaan. Zo kan ook niemand in zijn eigen naam, door zijn eigen recht, en krachtens zijn eigen verdiensten den hemel binnengaan.
B. Om in het heilige der heiligen te komen, moest de hogepriester eerst door het eerste heiligdom en door het voorhangsel gaan, hetgeen afschaduwde dat Christus ten hemel ging door een heilig leven en een gewelddadigen dood, het voorhangsel Zijns vlezes werd gescheurd.
C. De hogepriester ging slechts eenmaal des jaars in het heilige der heiligen, en daarin overtreft het antitype het type-gelijk in alles- want Hij ging slechts eens voor altijd, gedurende de gehele evangelische bedeling, in den hemel.
D. De hogepriester mocht niet ingaan zonder bloed, hetgeen betekent dat Christus, op zich genomen hebbende onze hogepriester te zijn, niet in den hemel kon toegelaten worden zonder Zijn bloed voor ons te vergieten, en dat niemand onzer in de genadige tegenwoordigheid Gods hier of in Zijn heerlijke tegenwoordigheid hiernamaals komen kan anders dan door het bloed van Jezus.
E. De hogepriester, onder de wet, ingaande in het heilige der heiligen, offerde dat bloed eerst voor zich zelven en zijn eigen misdaden en daarna voor de misdaden des volks, vers 7. Daaruit zien wij dat Christus voortreffelijker persoon en hogepriester is dan enige hogepriester onder de wet, want Hij had zelf geen misdaden, waarvoor Hij offeren moest. En het leert ons dat de dienaren, wanneer zij in den naam van Christus voor anderen tussen treden, eerst het bloed van Christus moeten aanwenden voor zich zelven om vergeving te verkrijgen.
F. Wanneer de wettelijke hogepriester voor zich zelven geofferd had, moest hij het daarbij niet laten, hij moest evenzeer offeren voor de misdaden des volks. Onze hogepriester, ofschoon Hij niet nodig heeft voor zich zelven te offeren, vergeet daardoor niet te offeren voor Zijn volk, Hij bepleit de verdiensten van Zijn lijden voor het welzijn van Zijn volk op aarde.
a. Zonden zijn misdaden en grote misdaden, zowel in het oordeel als in de praktijk. Wij begaan misdaden, wanneer wij tegen God zondigen, en wie kan al de afdwalingen verstaan?
b. Er zijn misdaden en dwalingen, die schuld op het geweten laden, welke alleen door het bloed van Christus afgewassen kan worden, en de zondige afdwalingen van priesters en volk moesten alle door dezelfde middelen weggenomen worden, door de toepassing van het bloed van Christus, wij moeten op aarde op dat bloed pleiten, terwijl Hij voor ons pleit in den hemel.