1 Johannes 4:1-3
Nadat de apostel gezegd heeft dat wij door den Geest, dien Hij ons gegeven heeft, weten dat God met en in ons blijft, toont hij aan dat die Geest kan onderscheiden worden van andere geesten, die in de wereld verschijnen.
I. Hij roept de discipelen, aan welken hij schrijft, op tot oplettendheid en gestreng onderzoek omtrent de geesten en geestelijke belijders, die verschenen zijn.
1. Tot oplettendheid. Geliefden, gelooft niet een iegelijk geest, let niet op, vertrouwt niet, volgt niet, ieder die voorgeeft den Geest van God te hebben, of elke belijder van gezicht, of ingeving of openbaring, als van God. De waarheid is de oorzaak van nabootsing en verkeerde voorstelling, er zijn wezenlijke mededelingen van den goddelijken Geest geweest, en daarom wenden anderen ze voor. God gaat den eigen weg van Zijn wijsheid en goedheid, ofschoon die er aan blootstaat om misbruikt te worden, Hij heeft geïnspireerde leraren aan de wereld gezonden en ons een bovennatuurlijke openbaring gegeven, ofschoon anderen zo boos en aanmatigend zijn om die na te bootsen. Ieder, die voorgeeft den Geest Gods te hebben, of door dien Geest geïnspireerd en buitengewoon verlicht te worden, moet niet geloofd worden. Er was een tijd dat de geestelijke mens (de man van den Geest, die daar grote drukte van maakte en op den Geest zich beroemde) onzinnig was, Hosea 9:7).
2. Tot gestreng onderzoek, tot onderzoek van de aanspraken, die op den Geest gelegd worden. Maar beproeft de geesten of zij uit God zijn, vers 1. God heeft in deze laatste dagen van Zijnen Geest in de wereld gegeven, maar niet aan allen, die zeggen dat zij er van voorzien zijn, den discipelen wordt vergund een oordeel des onderscheids toe te passen, om te weten welke geesten moeten geloofd en in de zaken van den godsdienst vertrouwd worden. Er wordt een goede reden gegeven voor dit onderzoek. Want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld, vers 1. Daar was in den tijd van de verschijning onzes Zaligmakers in de wereld een algemene verwachting onder de Joden van een Verlosser van Israël, en de vernedering, geestelijke hervorming en het lijden van onzen Zaligmaker werden genomen als een vooroordeel tegen Hem. En toen werden anderen aangespoord om zich als profeten en messiassen in Israël op te werpen, volgens de voorzegging van onzen Zaligmaker, Mattheus 24:23, 24. Het moet ons niet vreemd voorkomen, dat valse leraren zich opwerpen in de gemeente, want zo ging het reeds in de dagen der apostelen. Vreeslijk is de geest van verblinding, en treurig is het dat mensen zich voordoen als profeten en geïnspireerde leraars, die het in het minst niet zijn.
II. Hij geeft een middel aan de hand, waardoor de discipelen deze geesten kunnen beproeven. Deze geesten werpen zich op tot profeten, doctoren, alleenheersers in den godsdienst, en zo konden zij door hun leer meegesleept worden. De proef, waardoor zij moesten onderzocht worden in die dagen en in dat deel der wereld (want in verschillende tijden, landen en gemeenten is ook de toetssteen verschillend) moest zijn: Hieraan kent gij den Geest van God, alle geest, die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God, vers 2. Of: die Jezus Christus belijdt, die in het vlees kwam. Jezus Christus moet beleden worden als de Zoon van God, het eeuwige leven en het Woord, dat van den beginne bij den Vader was, als de Zoon van God, die in onze menselijke natuur verscheen en daarin te Jeruzalem leed en stierf. Hij, die dat belijdt en verkondigt, uit een hiertoe bovennatuurlijk onderwezen en verlicht verstand, doet zulks door den Geest Gods, want God is de oorsprong van dat licht. Maar daarentegen: Alle geest, die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is (of: Jezus Christus, die in het vlees kwam) die is uit God niet, vers 3. God heeft zoveel getuigenis gegeven aan Jezus Christus, die kort-geleden in de wereld was en in het vlees (in een lichaam van vlees als het onze) rondwandelde, ofschoon Hij nu in den hemel is, dat ge u volkomen er van verzekerd kunt houden, dat elke aandrift of voorgewende ingeving, die dit tegenspreekt, niet uit den hemel en van God kan komen. De hoofdsom van den geopenbaarden godsdienst is samengevat in de leer betreffende Christus en Zijne bediening. Wij zien dus hier de toeneming van een stelselmatig verzet tegen Hem. Maar dit is de geest van den antichrist, welken gij gehoord hebt dat komen zal, en hij is nu alrede in de wereld, vers 3. Het was voorgekend bij God, dat antichristen zouden opstaan, en anti-christelijke geesten zich tegen Zijn Geest en waarheid zouden verzetten, het was evenzeer bij Hem voorgekend, dat een voorname antichrist zou opstaan en een langen, hardnekkigen oorlog aanbinden tegen den Christus Gods, Zijn instellingen, Zijn eer en Zijn koninkrijk in de wereld. Deze grote antichrist zou zijn weg gebaand en zijn verschijning vergemakkelijkt krijgen door andere kleinere antichristen en door den geest der dwaling, voor hem werkende en de geesten der mensen geschikt makend. De anti-christelijke geest begon zijn werk bijtijds, reeds in de dagen der apostelen. Vreeslijk en ondoorgrondelijk is het oordeel Gods, dat mensen kunnen overgegeven worden aan een anti-christelijke geest en aan zulke duisternis en begoocheling, dat zij zich stellen tegenover den Zoon van God en tegen alle getuigenis, dat de Vader aan den Zoon gegeven heeft. Maar wij zijn vooruit gewaarschuwd, dat zulke tegenstand zou komen, wij moeten er ons daarom niet verslagen door gevoelen, hoe meer wij zien dat de woorden van Christus in vervulling treden, des te meer moeten wij bevestigd worden in hun waarheid.