3. En alle geest, die niet belijdt, maar in tegenspraak met de apostolische verkondiging loochent (
Hoofdstuk 2:22), dat Jezus Christus in het vlees gekomen is (beter: die niet belijdt Jezus Christus in het vlees gekomen), die is uit God niet (
Hoofdstuk 2:22). Maar dit niet belijden of loochenen van de zo-even genoemde waarheid komt voort uit en is de geest van de antichrist, welken geest u gehoord heeft, dat eenmaal in de volle vorm van een persoonlijke antichrist komen zal (
Hoofdstuk 2:18) en a) is nu al in de wereld. Reeds probeert hij door de vele valse profeten, die zijn uitgegaan in de wereld (
Vers 1), of van de anti-christen, die geworden zijn (
Hoofdstuk 2:18), in de gemeenten door te dringen en tot heerschappij te komen. a)
2 Thessalonicenzen 2:7Een dergelijk kenteken vinden wij in 1 Corinthiërs 12:3 genoemd. De naam Jezus Christus moet als historische aanwijzing worden genomen (vgl. Hoofdstuk 3:23; 5:6); "in het vlees gekomen" moet de zichtbare waarheid van de historische openbaring van de Verlosser, de reële mensheid van Hem uitdrukken (vgl. Johannes 1:14. 1 Timotheus 3:16 Romeinen 1:3 v.) tegenover de docetische voorstelling van Hem. Is nu dit kenteken voornamelijk voor de toenmalige, geschiedkundige verhoudingen en voor de bepaalde sfeer van de lezers van onze brief bewezen, zo houdt toch, in nauwere zin opgevat, dit kenteken van de valse geest in de gehele Christelijke wereld als docetisme voor altijd zijn recht. Elke geest, die ten opzichte van de geschiedkundige, werkelijk menselijke verschijning van Jezus Christus negatief is, is niet uit God. Die in de geschiedkundige Jezus Christus niet God, niet de openbaring van God erkent en zich niet tot haar getrokken voelt, die is niet uit God. In werkelijkheid is het daarbij hetzelfde, of hij de bovennatuurlijk goddelijke, zijde van de Verlosser, die, die niet zichtbaar in de verschijning geworden aanneemt en alleen de geschiedkundige, menselijke realiteit van de Verlosser loochent, of met deze ook de niet zichtbare, ideale zijde negeert. Evenals de Heere zelf gezegd heeft, dat bij Hem openbaar wordt wat in de mens is, terwijl het goddeloze hart de aanraking met Hem ontvlucht, het goddelijk gezinde daarentegen zich door Hem aangetrokken voelt, zo zegt Johannes zo ook een speculatieve erkenning van Christus als van de Zoon van God kan hand aan hand gaan met het gebrek aan opmerking voor de reëel-menselijke openbaring van deze eeuwige, goddelijke Zoon en ook in dit geval erkent onze apostel die geest niet als zijnde uit God. De hoofdketterij is daarom in de kerk deze, dat de geschiedkundige verschijning, die de naam Jezus Christus draagt, wordt geminacht of zelfs geloochend. Wat men daarvoor ook in de plaats stelt, heeft misschien grote klank, maar is toch niet zonder schade. Datgene, waarvan in het Christendom alle werkzaamheid uitgaat, is het aanschouwen van dit menselijk-goddelijk leven van Christus. Dit is het eigenlijke heiligdom van de mensheid en die dit aantast, is de eigenlijke geest van een antichrist. Waar daarentegen de loochening van de geschiedkundige Christus niet wordt gevonden, maar men in ernst meent, de oude Jezus Christus voortdurend in de geschiedenis van de mensheid te behouden, daar mogen wij ook niet spreken van anti-christelijke richting.
Het woord docetismus is de naam van een leer, die de menselijke natuur van Christus direct of tenminste in de consequentie verlaagt tot een blote schijn. Dat zo'n richting, die de lichamelijke zijde van de mensen vernedert, haar miskent, reeds in de eerste Christelijke gemeenten aanwezig was, zien wij uit de brieven aan de Corinthiërs (1 Corinthiërs 15) en uit hetgeen Paulus over de dwaalleraars Hymeneus en Filetes zegt (2 Timotheus 2:17 v.). De hele ontwikkeling tot een bepaald systeem ontving zij pas in het latere gnosticisme van de tweede eeuw, maar daarom is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat een nog ruw, onontwikkeld docetismus, dat de gehele menselijke zijde van de Heere op grove wijze tot een schijn degradeerde, reeds in die tijd was opgetreden, waarin Johannes zijn brieven schreef. Dat echter de apostel, die in het algemeen niet zozeer polemiseert tegen hetgeen tegenwoordig is, als wel tegen het toekomstige waarschuwt, de systematische ontwikkeling van de dwaalleer zelf pas van die tijd verwachtte, als het nu nog in de kleine kinderen aanwezige geslacht tot de latere gemeente zou zijn opgewassen, geeft hij boven in Hoofdstuk 2:18 te kennen met de aanspraak "kindertjes" Evenals deze latere Gnostieken overal de zichtbare schepping en haar Formeerder diep vernederden onder de onzichtbare wereld en de hoogste God, zo wilden zij ook in de persoon van de Verlosser het zichtbare van het onzichtbare, het menselijke van het goddelijke losrukken. De verschenen Godheid erkenden zij daarom gewillig in Hem een waarachtige vereniging van godheid en mensheid daarentegen kwam hun als onzin voor. Hierbij scheidden zich soms scherp, soms ook in elkaar vloeiende, drieërlei gnostische meningen van elkaar. Sommigen zagen in de Verlosser slechts een goddelijke Geest, die niet werkelijk als mens verschenen was, maar alleen om door de mens te kunnen worden waargenomen, zich in en zichtbare vorm had geopenbaard, die slechts een schijn was. Deze soort van docetismus heeft onder de apostolische vaders die man met de meeste beslistheid bestreden, die in zijn gehele wijze van leren en uitdrukken zich het meest aan de apostel Johannes aansluit. Ignatius, bisschop van Antiochië, die in het jaar 116 na Christus in het colosseum te Rome door leeuwen verscheurd is. Anderen daarentegen namen aan, dat het menselijke in de Verlosser niet zuiver een schijn geweest is. Zij kenden Hem echter nu een andere, hogere mensheid toe, niet een eigenlijk materieel, maar slechts een pneumatisch, of ten minste psychisch lichaam. Een derde klasse eindelijk zag in Jezus, de zoon van Jozef en Maria een ware mens, aan alle overige mensen gelijk, hield Hem echter niet voor de eigenlijke Verlosser, maar scheidde de Godheid en de mensheid van Christus in twee personen, omdat zij beweerde, dat zich met de mens Jezus bij Zijn doop en alleen tot aan Zijn lijden een door de hoogste God gezonden hogere genius had verbonden, die de mens Jezus slechts tot Zijn orgaan gebruikte en dat alleen die hogere genius de eigenlijke Verlosser was. Cerinthus, een tijd- en landgenoot van Johannes in zijn ouderdom, stond die mening voor. Nu menen vele uitleggers, dat de rede van de apostel vooral tegen dezen zou gericht zijn, dat echter de niet wel mogelijk is, als zijn brieven niet behoren tot de laatsten, maar reeds tot een vroegere tijd van zijn leven. Het is ook niet juist om zijn woord te beperken tot deze vorm van het docetisme alleen.
Zo handhaaft Johannes onze zelfstandigheid als Christenen en wijst hij ons aan, hoe wij waarheid en dwaling op het gebied van godsdienst en Christendom onderscheiden kunnen. Wij moeten niet elke leraar geloven, al geeft hij voor door de Geest van God te spreken en de waarheid te verkondigen, niet op gezag van mensen, wie zij ook zijn, bouwen. Zo'n blind geloof is beneden ons karakter en onze waardigheid als mensen en Christenen en verdient de naam van geloof niet te dragen. Wij moeten integendeel de leraars beproeven, of zij uit God zijn en dus uit God spreken. En dat kunnen wij, door hun onderwijs te vergelijken met en te toetsen aan het onderwijs van de apostelen. Deze konden van zich verklaren: "wij zijn uit God. " Zij spraken daarom uit God en verkondigden de waarheid. Hun onderwijs vindt dan ook weerklank in het hart en hoofd van hem, die God kent en uit God is. Het wordt door hem als waarheid erkend; het stemt overeen met zijn denkwijze, zijn gezindheid, zijn wensen en neigingen; het voldoet aan zijn behoeften; het vertroost en heiligt hem; hij ziet het in en ervaart, dat het een kracht van God is tot zaligheid voor een ieder, die gelooft.