13. Zoals Mal 1:2 geschreven is, waar diezelfde gedachte omtrent de verkiezing van Jakob wordt uitgesproken: "Jakob heb Ik naar Mijn vrije, heilige wil liefgehad. Hem heb Ik de voorrang gegeven en tot drager van Mijn heil verkoren en Ezau heb Ik gehaat, die heb Ik deze voorrang niet geschonken en niet tot drager van Mijn zaligheid verkozen (
Lukas 14:26). "
Een bepaling van God omtrent de eeuwige zaligheid of de eeuwige verdoemenis van Jakob en Ezau ligt hier, evenals ook boven bij Izaäk en Ismaël geheel buiten de kring van de gedachten en buiten het verband Ook wordt hier niet gesproken van roeping tot zaligheid; deze wordt pas dan beschouwd, als de genade van God, die zich hier in de verkiezing van Ezau in Jakob openbaart, op Nieuw-Testamentische wijze wordt toegepast. Ezau was wel niet geroepen tot drager van het heil, maar hij was niet van de zaligheid uitgesloten. Had hij de roeping van Jakob tot werktuig van God erkend en zich aan hem onderworpen, dan was hem de zaligheid, het aandeel aan de inhoud van de belofte, die Jakob moest dragen en voortplanten, zeker geworden. Pas dat hij zich, zoals ook later de Joden deden, tegen het geheel vrije raadsbesluit van God verzette, maakte dat hij geen deel aan de zaligheid kreeg. Jakob was toch niet verkozen in tegenstelling met Ezau, maar tegenover elke menselijke aanspraak of menselijke voorrang en verdienste, zoals Gods verkiezing voor hen, die zalig zullen worden ook niet geschiedt in tegenstelling met anderen, die niet zalig zullen worden, maar alleen in tegenstelling met elke mogelijke aanspraak of ieder werk en als de Heilige Schrift van "uitkiezen" spreekt, dan doelt dit "uit" niet op een grote menigte mensen, waaruit enigen uitgekozen zijn, maar op de zondige toestand en de verdoemenis, waaruit Gods barmhartigheid besloten heeft alle zondaars te redden.
Vgl. de Aanhalingen van onder Hoofdstuk 8:28.
Wij vinden hier een waarschuwing en vermaning van God tot bekering aan Israël, opdat Hij naar het voorbeeld van de pottenbakker uit het bedorven vat (Israël en zijn zonen) weer een vat ter eer mocht maken. Zeker zijn Gods genade en oordelen afgronden van barmhartigheid en heiligheid, maar juist daarom moeten wij ze niet proberen te peilen door God toe te schrijven wat Hij zelf in Zijn woord weerspreekt. Vergeten wij niet, dat onze en gevolgtrekkingen en die van alle mensen niet alleen feilbaar maar zeer gebrekkig zijn, dat wij ze dus nooit mogen stellen tot lijnen, die God Zich voorgenomen heeft te volgen, of zelfs wel tot lijnen, die Hij volgen moet. Wij hebben slechts het boek van Job ten einde toe te lezen om het antwoord van God op onze redeneringen te ontvangen, dat onze wijsheid tot dwaasheid maakt en ons met Job doet uitroepen: "Ik weet dat u alles kan en dat geen van Uw gedachten afgesneden kan worden. Wie is Hij, zegt u, die de raad verbergt zonder wetenschap. Zo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, dingen die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist. Hoor toch en ik zal spreken. Ik zal vragen en onderwijs U mij. Met het oor van het gehoor heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog; daarom verfoei ik mij en ik heb berouw' in stof en as (Job 42:2-6). Wij weten dat Gods vrijmacht de eeuwige macht is, die bestaat, waardoor Hij de wereld geschapen heeft, zoals Hij ze schiep en haar bestuurt, zoals Hij ze bestuurt. Trouwens hoe zou het anders? Gods wil is de hoogste en daarmee de enige regel van al Gods doen. Maar Gods wil is oneindig, heilig en goed en zo is ook Zijn vrijmacht heilig en goed en het volstrekte tegendeel van willekeur. En dat moet voor het schepsel genoeg zijn, om in Gods vrijmacht te berusten; want het is genoeg. Maar nu moeten wij Gods vrijmacht in het tijdelijke niet vermengen of vereenzelvigen met Zijn vrijmacht in het eeuwige. Is niet op aarde alles het bewijs van Gods vrijmacht? Zijn wij niet allen mensen uit één klomp leem afgesneden? Hebben wij dus niet allen op en in onszelf beschouwd, gelijke rechten? En hoe wordt dan nu het ene kindje op de troon geboren en het andere op een bed van stro, het ene met een aanleg tot alle kunst en wetenschap en het andere zonder enige bijzondere aanleg, zodat de ene mens reeds van zijn geboorte af tot aan zijn dood tot dienaar van de andere is gesteld? Waaraan dat toe te schrijven dan aan Gods vrijmacht, die de natuur en het menselijk leven zo heeft ingericht, dat er deze onderscheidingen noodzakelijk uit voortvloeien. Wel verre echter dat dit de verstandige een bezwaar zou zijn, ziet hij hierin Gods wijsheid en goedheid, omdat een andere orde van zaken in een wereld als deze niet denkbaar is. Zou deze wereld bestaan blijven, zo moest zij worden ingericht zoals zij is. Zonder minderheid en dienstbaarheid van de ene tegenover de ander is er geen maatschappij denkbaar en die minderheid of meerderheid moest uit de aanleg en ontwikkeling van de mensen zelf voortkomen. Daarom zijn ook alle pogingen van de vrijdenkers om gelijkheid, vrijheid en broederschap onder de mensen, met middelen van buiten af tot stand te brengen zo vruchteloos als dwaas. Het voorname punt van onze aanbidding van Gods vrijmacht in de aardse bedelingen is echter, dat zij slechts tijdelijk zijn. Wat de geboorte ongelijk maakt, dat maakt de dood weer gelijk. De vorst wordt uit zijn paleis, de arme uit zijn stulp onder dezelfde aarde bedolven en de wijsten en onwetendsten rusten naast elkaar. Het is dus waar, een kleine tijd, dat de rijkbegaafde geniet en de minder bevoorrechte ontbeert, terwijl het eeuwige wel of wee niet afhangt van iemands uitwendige toestand, maar van zijn innerlijke gesteldheid, van zijn godsvrucht of goddeloosheid, die beiden in de armste zowel als in de rijkste kunnen bestaan. Alles is een wonder, want God kan niets doen dan wat een wonder is voor het schepsel; maar niet alle wonderen zijn onmiddellijke wonderen, zo ook: alles is vrijmacht van God, want God werkt alles alleen naar de raad van Zijn wil (Efeze 1:11), maar niets is willekeur, alles is uitverkiezing van God, want van Gods genade hangt alles af, maar niet alles is eeuwige uitverkiezing. Immers er is zoals in aardse zo ook in geestelijke dingen een zuiver tijdelijke uitverkiezing. U herinnert u het woord van de Heere: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren en een uit u is een duivel (Johannes 6:70). Deze uitverkiezing geldt dus alleen voor de bedieningen in het koninkrijk van God, die met het kindschap van God (de uitverkiezing van eeuwigheid tot eeuwigheid) gepaard, maar ook niet gepaard kan gaan. Abraham, Izaäk en Jakob en zo velen als er meer als kinderen van God in de Schrift genoemd worden, waren het door de genade van God, die hen lief had in de Geliefde, de Zoon, met een eeuwige liefde (Jeremia 31:3. Efeze 1:4). En omdat zij het waren, werden zij ook uitverkoren tot hetgeen tijdelijk bij het koninkrijk van God behoorde, namelijk tot het vaderschap naar het vlees van de beloofde Verlosser van de zonde en tot zijn profeten of voorverkondigers. Alleen het heilig zaad werd tot deze bedieningen beroepen, maar deze bedieningen hielden op in de tijd. Met de komst van de Heere in het vlees was het doel van al deze voorbereidingen bereikt en ook de heilige vaderen werden niet zalig, omdat zij tot deze heilige tijdelijke bedieningen verkozen werden, maar uit kracht van Gods eeuwige verlossing. Daarom spreekt de apostel Paulus in ons teksthoofddeel allereerst van deze eeuwige verkiezing uit genade (9:8) en de woorden: niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God, maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad, het heilige zaad, gerekend en gaat hij vervolgens over tot het aantonen van het tijdelijk bewijs van deze eeuwige uitverkiezing, opdat, zegt Paulus Vers 11, het voornemen van God, dat naar de verkiezing is, vast bleef, niet uit de werken, maar uit de roepende door de voorkeur van Izaäk boven Ismaël en van Jakob boven Ezau in het vaderschap van de Messias. Met dit laatste spreekt hij dus van Gods vrijmacht op aarde; en zo ook wanneer hij Farao tot voorbeeld aanhaalt van Gods verwerping. Zoals dan ook God zelf zegt tot Farao: Tot dit heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou en opdat Mijn naam verkondigd wordt op de hele aarde. Zo is er dan een betoning van Gods vrijmacht voor de aarde en voor de eeuwigheid. Dat wij ze beiden vasthoudend en uit elkaar houden! Want anders zouden wij tot de grote dwaling vervallen, die blijkbaar in het hart van vele machtigen en rijken van deze wereld zetelt, deze: dat zij vanzelf voor de aarde vol macht en rijkdom geboren zijnde, ook vanzelf voor de andere wereld bestemd zijn en komen zullen. Houden wij vast aan de waarheden van de Schrift, dat de rechtvaardige behouden wordt door Gods genade en de goddeloze verloren gaat door zijn eigen zonden en dat God in de eeuwigheid Zijn vrijmacht, Zijn uitverkiezing voor de tijd en voor de eeuwigheid volkomen in het licht stellen en rechtvaardigen zal.
Verstaan wij door het liefhebben van Jakob die vrije weldoensgezindheid, die God reeds van eeuwigheid deed besluiten om Jakob zonder enig opzicht tot zijn karakter en verrichtingen, tot een voorwerp van Zijn bijzondere gunst te stellen in tijd en eeuwigheid. Deze eeuwige liefde van God tot Jakob had tengevolge dat hem de genade van het geloof geschonken werd, dat hij de kennelijkste blijken van Gods bijzondere gunst naar lichaam en geest ondervonden heeft, dat hij juichend gestorven in van de zaligheid deelachtig geworden is en ten aanzien van zijn nageslacht dat het uit alle andere natiën tot het volk van Gods bijzonder eigendom is aangenomen. God heeft Ezau gehaat, niet slechts voor zover Hij hem minder liefhad dan Jakob. Wanneer het haten aan God werd toegeschreven sluit het een stellige afkeer en weerzin van en tegen iemand in (vergel. Psalm 5:6). Dit haten van Ezau moet in een stellige, maar voor God betamelijke zin genomen worden, voor zover God over deze Ezau van eeuwigheid niet in betrekking als Zijn schepsel, maar aangemerkt als een verdoemelijke zondaar, met een heilige weerzin verkeerde en besloot hem Zijn rechtvaardig ongenoegen in tijd en eeuwigheid te doen ondervinden. Een handelwijs van God, waarin wel diepten zijn, ondoorgrondelijk voor ons eindig verstand, maar die evenwel niet de minste onrechtvaardigheid insluit, zoals in het vervolg nader blijken zal. God had Ezau van eeuwigheid gehaat en daarvan was het gevolg, dat Hij hem de genade van het geloof, die Hij aan niemand verschuldigd is, onttrok en hem zelfs zo ver aan zichzelf overgaf, dat hij het recht van de eerstgeboorte aan hetwelk de belofte van de Messias en Zijn geestelijke zegeningen verbonden was, moedwillig verkocht, een onheilig leven leidde en hoe langer hoe meer verhard werd en ten aanzien van zijn nazaten dat zij van Gods nadere openbaring verstoken bleven en ten slotte door het Joodse volk zijn ten onder gebracht.