Romeinen 8:17-25
In deze woorden beschrijft de apostel een vierde heerlijk gedeelte van de gelukzaligheid der gelovigen, namelijk: hun recht op de toekomstige heerlijkheid. Dit is een natuurlijk gevolg van ons kindschap, indien de aanneming tot kinderen ons recht geeft op die heerlijkheid, dan maakt de geaardheid van kinderen ons er voor geschikt en bereidt ons er voor toe. Indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, vers 17. In de aardse erfenissen gaat deze regel niet altijd door, alleen de eerstgeborenen zijn erfgenamen . Maar de gemeente is een gemeente van eerstgeborenen, en dus zijn zij allen erfgenamen. De hemel is een erfenis, waarvan alle heiligen erfgenamen zijn. Zij verkrijgen die niet omdat zij haar kopen voor enige verdienste of betaling uit eigen middelen, maar als erfgenamen, alleen door een daad Gods, want God maakt hen erfgenamen. De heiligen zijn erfgenamen, ofschoon zij in deze wereld minderjarige erfgenamen zijn, zie Galaten 4:1, 2. Hun tegenwoordige toestand is een toestand van opvoeding en geschiktmaking voor de erfenis. Hoe troostrijk moest dit zijn voor al Gods kinderen, dat zij, hoe weinig zij hier beneden er ook van in handen mogen hebben, als erfgenamen, overvloedig in vooruitzicht hebben! Maar de eer en de gelukzaligheid van een erfgenaam is gelegen in de waarde van hetgeen hij erven zal, wij lezen wel van dezulken die niet dan wind zullen erven, en daarom volgt hier een opsomming van de erfenis.
1. Erfgenamen van God. De Heere zelf is het deel hunner erve, Psalm 16:5, en een schone erfenis, vers 6. God is de erfenis van Zijne heiligen. De heiligen zijn geestelijke priesters, die den Heere tot hun erfenis hebben, Numeri 18:20). Het zien en het genieten van God zijn de erfenis, waarvan de heiligen de erfgenamen zijn. God zelf zal bij hen en hun God zijn, Openbaring 21:3.
2. Medeërfgenamen van Christus. Christus als Middelaar wordt genoemd een erfgenaam van alle dingen, Hebreeën 1:2 en de ware gelovigen zullen, uit kracht van hun vereniging met Hem, alles beërven, Openbaring 21:7. Zij die nu als Zijne broederen, deelhebben aan den Geest van Christus, zullen als Zijne broederen, eens delen in Zijne heerlijkheid, Johannes 17:24, zij zullen met Hem zitten in zijn troon, Openbaring 3:21. Heere, wat is de mens, dat Gij hem dus verheerlijkt! Over deze toekomstige heerlijkheid wordt nu gesproken als over ene vergelding voor het lijden dezes tegenwoordigen tijds en ene vervulling van de tegenwoordige hoop.
I. Als ene vergelding voor het tegenwoordige lijden der heiligen, en het is een rijke vergelding! Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden, vers 17 of, voorzover wij met Hem lijden, De toestand van de gemeente in deze wereld is altijd, maar was met name toen, een toestand van droefenis, Christen-zijn stond gelijk met lijderzijn. Welnu, om hen ten opzichte van dat lijden te vertroosten, zegt hij hun dat zij leden met Christus, voor Zijne zaak, tot Zijne eer, en voor de getuigenis van een goed geweten, en zij zouden met Hem verheerlijkt worden. Zij, die met David leden in zijn vervolgingen, werden met en door hem verhoogd toen hij den troon besteeg, 2 Timotheus 2:12. Ziehier welke winst het lijden voor Christus aanbrengt, ofschoon wij de verliezende partij zijn om zijnentwil, zullen en kunnen wij in het eind door Hem geen verliezers zijn. Het Evangelie is vol van verzekeringen op dat punt. En nu, onder dat lijden kunnen de heiligen sterke draagkracht en vertroosting hebben van hun hoop op den hemel. De apostel houdt de weegschaal om die beide met elkaar te vergelijken, vers 18, en de uitslag is merkwaardig.
1. In de ene schaal legt hij het lijden van dezen tegenwoordigen tijd. Het lijden van de heiligen is alleen lijden van den tegenwoordigen tijd, 2 Corinthiërs 4:7, het is een zeer lichte verdrukking, die weldra voorbijgaat. Hij schrijft dus op het lijden: tekel: in weegschalen gewogen en te licht bevonden.
2. In de andere schaal legt hij de heerlijkheid, en vindt dat zij een gans zeer uitnemend, eeuwig gewicht heeft. Heerlijkheid zal geopenbaard worden. In onzen tegenwoordigen toestand hebben wij gebrek niet alleen aan het genot van die heerlijkheid, maar ook aan de kennis er van, 1 Corinthiërs 2:9, 1 Johannes 3:2, maar zij zal geopenbaard worden. Zij overtreft al wat wij totnogtoe gezien en gehoord hebben, de tegenwoordige genietingen zijn zoet en heerlijk, zeer zoet en zeer kostelijk, maar er is iets in de toekomst, iets achter het voorhangsel, dat dit alles ver te boven zal gaan. Het zal in ons geopenbaard worden, niet alleen aan ons om gezien te worden, maar geopenbaard in ons, om genoten te worden. Het koninkrijk Gods is binnen in u, en dat is de eeuwigheid ook, en het zal het tot in eeuwigheid zijn.
3. Hij komt tot het besluit dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen, oek axia pros tên doxan, niet waard is vergeleken te worden, tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden. Zij kunnen deze heerlijkheid niet verdienen, veel minder tot stand brengen, door hun lijden voor Christus. Dat lijden kan ons in `t minst niet afschrikken en terughouden van een ijverig en ernstig najagen van die heerlijkheid. Het lijden is klein en kort en betreft alleen het lichaam, maar de heerlijkheid is rijk en groot, gaat de ziel aan en duurt in eeuwigheid. Daar houdt hij het voor, logizomai. Ik houd het daarvoor, ik bereken dat. Het is niet een vluchtig en snel-genomen besluit, maar de uitkomst van een zeer ernstige en nauwkeurige overweging. Hij heeft de gevallen op zichzelf gewogen, de bewijsgronden voor en tegen nagegaan en kwam ten laatste tot dit besluit. Hoe hemelsbreed verschilt de uitspraak van het Woord aangaande het lijden dezes tegenwoordigen tijds van de meningen der wereld! Ik bereken, het is de uitspraak van een rekenaar, die de balans opmaakt. Eerst telt hij op de uitgaven, in het lijden voor Christus van den tegenwoordigen tijd, en ziet dat die zeer gering zijn. En dan gaat hij na wat ons door Christus verzekerd is in de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden, en dan komt hij tot een oneindig bedrag, dat alle denkbeeld te boven gaat, zodat de winst onuitsprekelijk overvloedig tegen de verliezen overstaat. Wie zou dan bevreesd zijn om voor Christus te lijden, die, gelijk Hij reeds dadelijk met ons is in het leed, zeker niet vertragen zal in de vergoeding? Welnu, Paulus was in dit opzicht zo bevoegd te oordelen als iemand ter wereld maar zijn kan. Hij kon niet alleen door kennis van zaken, maar ook bij ondervinding spreken, hij was met beide wèl vertrouwd. Hij wist wel wat het lijden van dezen tegenwoordigen tijd was, zie 2 Corinthiërs 11:23-28. En hij wist wat de heerlijkheid des hemels betekende, 2 Corinthiërs 12:3, 4. En na het overwegen van beide, geeft hij zijn oordeel te kennen. Er is niets zo goed als een gelovig gezicht op de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden, om onzen geest te versterken en ons te ondersteunen onder het lijden van den tegenwoordigen tijd. De smaadheid van Christus is rijkdom voor allen, die een oog hebben voor de vergelding des loons, Hebreeën 11:26.
II. De vervulling van de tegenwoordige hoop en verwachtingen der heiligen, vers 19 en v.v. Gelijk de heiligen er voor lijden, evenzo verwachten zij haar. De hemel is derhalve zeker, God zal niet door zijn Geest een hoop verwekken en aanmoedigen om haar daarna teleur te stellen en te vernietigen. Hij zal over Zijne dienstknechten het woord bevestigen, waarop Hij hen heeft doen hopen, Psalm 119:49, en de hemel is daarom zoet, want evenals uitgestelde hoop het hart ziek maakt, evenzo is de begeerte, die komt, een boom des levens, Spreuken 13:12. En nu toont hij de verwachting van deze heerlijkheid aan: 1. In de schepselen, vers 19-22. Het moet wel een grote, alles overtreffende heerlijkheid zijn, waarnaar alle schepselen met zoveel ernst uitzien en verlangen. Hetgeen Paulus in deze verzen zegt is in zekeren zin moeilijk te volgen en heeft den uitleggers veel bezwaren opgeleverd, en dat temeer omdat in geen ander deel der Schrift iets te vinden is, dat er mede vergeleken kan worden. Wij verstaan hier onder schepsel niet, zoals sommigen doen, de heidenwereld en hun verwachting van Christus en het Evangelie, want dat is een zeer vreemde en gewrongen uitlegging, maar het gehele samenstel der natuur, voornamelijk de lagere wereld, de gehele schepping, al de onbezielde en bezielde schepselen, van welke, ter oorzake van hun onderlinge overeenstemming en afhankelijkheid, en omdat zij allen tezamen ene wereld vormen, hier in het enkelvoud gesproken wordt als van het schepsel. De bedoeling van den apostel in deze vier verzen brengen wij tot de volgende opmerkingen:
A. Er is een tegenwoordige ijdelheid, waaraan het schepsel, tengevolge van de zonde des mensen, onderworpen is, vers 20. Toen de mens zondigde, werd het aardrijk om zijnentwil vervloekt, en daarmee alle schepselen, voornamelijk die tot de lagere wereld behoren, waarmee wij in aanraking zijn, deze alle werden onderworpen aan dien vloek, en daardoor beweeglijk en sterflijk. Zij liggen onder de dienstbaarheid der verderfenis, vers 21. Er is een onreinheid, misvorming en zwakheid, die over het schepsel kwam door den val van den mens, de schepping is gezonken en tegengehouden, veel van de schoonheid der wereld is verloren gegaan. Er is vijandschap van het ene schepsel tegen het andere, zij zijn alle onderhevig aan voortdurende verandering en onophoudelijk verval van de enkelen, en vatbaar voor de vlagen van Gods oordelen over de mensen. Toen de wereld overstroomd werd, en nagenoeg al de schepselen, die zij bevatte, verdronken, waren deze wel waarlijk aan de ijdelheid onderworpen. Het geheel van de schepping is bestemd voor en haastende naar een algehele ontbinding door vuur. En niet het kleinste deel van hun ijdelheid en dienstbaarheid is, dat zij door de mensen gebruikt, of beter gezegd misbruikt, worden als werktuigen voor hun zonden. De schepselen worden dikwijls misbruikt tot oneer van hun Schepper, benadeling van Zijn kinderen en dienst van Zijn vijanden. Toen de schepselen gesteld werden tot voedsel en speelbal van onze lusten, werden zij aan de ijdelheid onderworpen, zij zijn gevangen genomen door de wet der zonde. En dat geschiedde niet gewillig, niet door hun eigen keus. Alle schepselen begeren hun eigen volmaking en hun eigen wettig gebruik, wanneer zij tot werktuigen van de zonde gemaakt worden, geschiedt dat tegen hun wil. Of: zij zijn op die wijze gevangen gemaakt, niet om enige eigen zonde, die zij zelven hebben bedreven, maar ter wille van de zonde des mensen, om diens wil, die hen der ijdelheid onderworpen heeft. Adam deed dit middellijk, de schepping was aan hem overgegeven, toen hij zondigde en zich zelven onderwierp aan de dienstbaarheid der verderfenis, onderwierp hij daaraan tevens het gehele schepsel. God deed het gerechtelijk, Hij sprak een oordeel uit over het schepsel om de zonde des mensen, waardoor zij er aan onderworpen waren. - En dit juk draagt het arme schepsel op hope dat het niet altijd op hem blijve rusten. In hope dat het schepsel zelf, Ep'elpidi koti kai etc., zo lezen vele Griekse handschriften deze woorden, vers 21. Wij hebben alle reden om medelijden te gevoelen voor het arme schepsel, dat ter wille van onze zonden aan de ijdelheid onderworpen is.
B. Het ganse schepsel zucht en is in barensnood onder deze ijdelheid en bedorvenheid, vers 22. Dat is een figuurlijke uitdrukking. De zonde is een last voor de gehele schepping, de zonde der Joden toen zij den Heere Jezus kruisigden, deed de aarde onder hun voeten beven. De heidense afgoden waren een last voor de vermoeide dieren, Jesaja 46:1. Een algemene kreet gaat op uit de gehele schepping tegen de zonde der mensen, de steen roept uit den wand, Habakuk 2:11, het land roept, Job 31:38.
C. Het schepsel, dat nu zo belast is, zal ten tijde van de wederoprichting aller dingen, worden vrijgemaakt van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods, vers 21. Het zal niet meer onderworpen zijn aan de ijdelheid en de verderfenis, en de andere gevolgen van den vloek, maar integendeel, de lagere wereld zal worden vernieuwd. Wanneer er een nieuwe hemel is, zal er ook een nieuwe aarde zijn, 2 Pet. 3:13, Openbaring 21:1. En daar zal heerlijkheid meegedeeld worden aan alle schepselen, welke naar de mate van hun natuur, een even grote en schone verhoging zal zijn als de heerlijkheid van de kinderen Gods voor dezen zal zijn. Het vuur van den jongsten dag zal een louterende, en niet een verwoestende, vernietigende brand zijn. Wat er dan wordt van de redeloze dieren, wier adem benedenwaarts gaat, kan niemand zeggen. Maar uit de Schrift zou men kunnen opmaken, dat er ook voor hen in zekere mate enig herstel komen zal. En indien men daartegen inbrengt: Van welk nut zouden zij zijn voor de verheerlijkte heiligen? Dan zetten wij daartegenover de onderstelling dat zij hun van hetzelfde nut zullen zijn als ze voor Adam waren in den staat der onschuld. Maar ook, indien het alleen ware om de wijsheid, macht en goedheid van hun Schepper aan `t licht te brengen, dan zou dat genoeg zijn (Verg. hier Psalm 96:11-13, 98:8, 9. Dat de hemelen zich verheugen voor het aangezicht des Heeren, want Hij komt!
D. De gehele schepping wacht ernstig daarop en verwacht de openbaring van de kinderen Gods, vers 19. Merk op: Bij de wederkomst van Christus zal er een openbaring van de kinderen Gods zijn. Nu zijn Gods heiligen verborgen mensen, het koren schijnt verloren onder een hoop kaf, maar dan zullen zij geopenbaard worden. Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen 1 Johannes 3:2, maar dan zal de heerlijkheid geopenbaard worden. De kinderen Gods zullen dan gezien worden zoals zij zijn. En deze vrijmaking van het schepsel wordt tot dien tijd bewaard, want, gelijk het door en met den mens was dat zij onder den vloek geraakten, zo zullen de schepselen ook door en met den mens er weer van bevrijd worden. Al de vloek en de onreinheid, die nu op het schepsel rusten, zullen weggenomen worden wanneer zij, die met Christus op aarde hebben geleden, met Hem op aarde zullen heersen. Daarnaar verlangt de gehele schepping en ziet zij met opgestoken hoofde uit, en dit is een goede reden waarom de gelovige ook barmhartig moet zijn voor de dieren.
2. In de heiligen, die nieuwe schepselen zijn, vers 23-25. Merk op:
A. De grond voor deze verwachting der heiligen. Die is, dat wij de eerstelingen des Geestes ontvangen hebben, hetgeen zowel onze begeerte opwekt als onze hoop verlevendigt, en op beide wijzen worden onze verwachtingen versterkt. De eerstelingen heiligden, maar verzekerden ook den oogst. Genade is de eerstelinge van de heerlijkheid, zij is heerlijkheid in aanvang. Wij, die hier in de woestijn zulke druiventrossen ontvangen, kunnen niet anders dan verlangen naar den gehelen wijngaard in het hemelse Kanaän.
Niet alleen deze, niet alleen de schepselen, die niet vatbaar zijn voor zulk een gelukzaligheid als de eerstelingen des Geestes, maar ook wij, die hier reeds zulke rijke genietingen smaken, kunnen niet anders dan hoe langer des te meer verlangen. In de eerstelingen des Geestes hebben wij iets zeer kostelijks, maar wij hebben nog niet alles wat wij begeren. Wij ook zuchten in ons zelven, waardoor aangeduid wordt de kracht en aandrang van deze begeerte. Wij maken geen luid misbaar, zoals de huichelaars op het bed schreeuwen om koren en wijn, maar wij zuchten in ons zelven, hetgeen het best tot den hemel doordringt. Of: wij zuchten onder ons zelven. Het is de eenstemmige vraag, de begeerte van allen, van de gehele gemeente, allen komen daarin overeen: Kom, Heere Jezus, kom haastelijk! Het zuchten duidt een zeer ernstige en dringende begeerte aan, de ziel gevoelt zich door het uitstel gepijnigd. Het tegenwoordige ontvangen van vertroosting kan samengaan met zeer veel zuchten, niet zuchten als van een stervende, maar het steunen als van een vrouw in arbeid, zuchten die tekenen van leven en niet van dood zijn.
B. Het voorwerp van deze verwachting. Wat begeren wij zo sterk en waar wachten wij naar? Wat willen wij ontvangen? De aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams, vers 23. Ofschoon de ziel het voornaamste deel van den mens is, toch heeft de Heere zich evenzeer voor `t lichaam verklaard, en heeft aan het lichaam veel eer en geluk geschonken. De opstanding wordt hier genoemd de verlossing onzes lichaams. Het zal dan hersteld worden uit de macht van dood en graf, en uit de dienstbaarheid der verderfenis, en ofschoon het een verdorven lichaam is, zal het worden verfijnd en verfraaid en gelijk gemaakt aan het verheerlijkte lichaam van Christus, Filippenzen 3:21, 1 Corinthiërs 15:42. Dit wordt genoemd de aanneming tot kinderen.
a. Het is de aanneming tot kinderen openbaar gemaakt voor de gehele wereld, engelen en mensen. Nu zijn wij kinderen Gods, maar het is nog niet geopenbaard, de eer is nog omfloerst, maar dan zal God al Zijn kinderen openlijk erkennen. De daad van aanneming, welke nu is beschreven, getekend en bezegeld, zal dan worden erkend, afgekondigd en openbaar gemaakt. Evenals Christus geschiedde, zo zullen de heiligen verklaard worden te zijn de kinderen Gods, met macht, door de opstanding uit de doden, Hfds. 1:4. Dan zal het boven allen twijfel gesteld worden.
b. Daardoor wordt de aanneming voltooid en volmaakt. De kinderen van God hebben lichamen zowel als zielen, en voordat deze lichamen gebracht zijn in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods, is de aanneming niet volkomen. Maar dan zal zij volmaakt zijn, wanneer de overste Leidsman onzer zaligheid vele kinderen tot de heerlijkheid zal geleid hebben, Hebreeën 2:10. Dit is hetgeen wij verwachten, in hope waarvan ons vlees in vrede rust, Psalm 16:9, 10. Alle dagen van onzen bepaalden tijd zijn wij wachtende, totdat de verandering zal geschieden, wanneer Hij zal roepen en wij zullen antwoorden en Hij begeerte zal hebben naar de werken zijner handen, Job 14:14, 15.
C. Het gepaste daarvan in onzen tegenwoordigen toestand, vers 24, 25. Onze gelukzaligheid is thans nog niet in bezit. Wij zijn in hope zalig geworden. Hierin, gelijk in andere opzichten, heeft God onzen tegenwoordigen toestand gemaakt tot een toestand van beproeving en loutering, -dat onze beloning buiten zicht is. Zij, die met God willen handelen, moeten dat in het geloof doen. Het staat vast dat een van de voornaamste christelijke deugden de hoop is, 1 Corinthiërs 13:13, welke noodzakelijk in zich bevat een goed toekomstig ding, dat het voorwerp is van die hoop. Het geloof ziet op de belofte, de hoop op de beloofde zaak. Het geloof is het bewijs, de hoop is de verwachting van de dingen, die niet gezien worden. Het geloof is de vader van de hoop.
Wij verwachten het met lijdzaamheid. In het hopen op deze heerlijkheid hebben wij behoefte aan lijdzaamheid, om het lijden te verdragen dat ons op weg overvalt, en het uitstel te kunnen verduren. Onze weg is ruw en lang, maar Hij die te komen staat, zal komen en niet vertoeven, en daarom ofschoon het schijnt dat Hij vertraagt, betaamt het ons op Hem te wachten.