Romeinen 2:17-29
In dit gedeelte van het hoofdstuk richt de apostel meer bepaald het woord tot de Joden, en toont hun aan welke zonden zij schuldig stonden, niettegenstaande hun belijdenis en hun ijdele voorwendsels. Hij had, vers 13, gezegd dat niet de hoorders der wet rechtvaardig zijn, maar de daders gerechtvaardigd zullen worden, en thans past hij die grote waarheid toe op de Joden. Merk op:
I. Hij stemt hun belijdenis toe, vers 17-20, en telt hun onderscheidene voorrechten op, waarop zij zozeer roemden, opdat zij zouden erkennen dat hij hen niet veroordeelt uit onwetendheid van hetgeen zij voor zich zelven te zeggen hadden, neen, hij kende hun toestand door en door.
1. Zij waren een bijzonder volk, afgezonderd en onderscheiden van al de andere, doordien zij de geschreven wet en de bijzondere tegenwoordigheid Gods in hun midden bezaten.
A. Zie, gij wordt een Jood genoemd, niet zozeer nog door afstamming dan door belijdenis. Dat was een zeer eervolle titel. De zaligheid is uit de Joden, en daarop waren zij zeer hoogmoedig, dat ze een volk op zichzelf waren, en toch waren velen hunner de slechtste mensen. Het is niets ongewoons dat de slechtste praktijken zich dekken met de beste namen, menig lid van de synagoge des Satans zegt dat hij een Jood is, Openbaring 2:9, en een gebroedsel van adderen beroemde zich Abraham tot vader te hebben, Mattheus 3:7-9.
B. En gij rust op de wet, dat is: zij waren er trots op dat zij de wet hadden, die bezaten in hun boeken en lazen in hun synagogen. Zij waren zeer opgeblazen door dit voorrecht en hielden dat voor voldoende om hen in den hemel te brengen, ofschoon zij niet naar de wet leefden. Rusten in de wet met een rust van overpeinzing en toestemming is goed, maar rusten in de wet met een rust van hoogmoed, slordigheid en vleselijke gerustheid is de ondergang der zielen. De tempel des Heeren! Jeremia 7:4, Bethel is hun vertrouwen, Jeremia 48:13, Verheffing om des heiligen bergs wil, Zefanja 3:11. Het is zeer gevaarlijk zich te verheffen op uitwendige voorrechten en ze niet te gebruiken.
C. En roemt op God. Zie hier hoe de heiligste dingen kunnen ontheiligd en misbruikt worden. Een gelovig, nederig en dankbaar roemen in God is de wortel en de kroon van alle godsvrucht, Psalm 34:3, Jesaja 45:25, 1 Corinthiërs 1:31. Maar hoogmoedig, ijdel, roemen op God en in de uitwendige belijdenis zijns naams, is de wortel en de kroon van alle huichelarij. Geestelijke hoogmoed is de gevaarlijkste van alle.
2. Zij waren mensen van kennis, vers 18.
En gij weet Zijn wil, to thelêma, den wil, Gods wil, dat is de vrijmachtige, uitsluitende onweerstaanbare wil. De wereld zal eerst aan geheel recht gesteld zijn, wanneer Gods wil de enige is, en alle andere willen in den Zijnen opgaan. Zij kenden niet slechts de waarheid Gods, maar ook den wil Gods, dat wat Hij verlangde dat zij doen zouden. Het is voor een huichelaar mogelijk veel van Gods wil te kennen. En beproeft de dingen die daarvan verschillen, dokimazeis ta dia pheronta. Paulus bidt voor zijne vrienden als een groten zegen: dat zij mogen beproeven de dingen die van Gods wil verschillen, Filippenzen 1:10. Versta er onder: A. Een goede waardering van de dingen Gods, zo dat men onderscheiden kan wat daarvan verschilt, weet onderscheid te maken tussen goed en kwaad, het kostelijke van het snode uit te trekken, Jeremia 15:19, het reine van het onreine af te zonderen, Leviticus 11:47. Goed en kwaad liggen soms zo dicht naast elkaar, dat het moeilijk is het ene van het andere te onderscheiden. Maar de Joden hadden den toetssteen van de wet bij de hand en waren instaat tot dat onderscheid, meenden ten minste dat zij er toe instaat waren, en konden in twijfelachtige gevallen zelfs wel een haar kloven. Iemand kan een goed gewetensrechter en toch een slecht Christen zijn, zeer nauwkeurig in de bepaling maar zeer nalatig in de beoefening. Men kan ook diapheronta verstaan van twistpunten. Iemand kan op de hoogte zijn van alle twistvragen van den godsdienst, en toch een vreemdeling in de kracht der godzaligheid.
B. Een warme genegenheid tot de dingen Gods, wanneer wij lezen, beproeft de dingen die uitnemend zijn. Er kunnen voortreffelijkheden in den godsdienst zijn, die een huichelaar zeer kan waarderen, er kan een toestemmen van het oordeel zijn dat de wet goed is, terwijl die toestemming toch overheerst wordt door de lusten van het vlees en van de ziel " Ik zie het goede, maar jaag het kwade na", en zondaren zijn gewoon zich met die toestemming te verontschuldigen, terwijl zij toch in werkelijkheid een grote verzwaring van een zondigen wandel is. Zij hadden de gewoonheid van en deze genegenheid tot het goede, want zij waren onderwezen uit de wet, katêchoemenoes, hadden die goed geleerd. Het woord betekent een leren van de kindsheid af. Het is een groot voordeel en voorrecht als men van jongs af goed onderwezen is. Het was de gewoonte der Joden zich veel moeite te geven om hun kinderen jong te onderwijzen en alle lessen werden aan de wet ontleend. Het zou goed zijn indien de Christenen zo ijverig waren om hun kinderen uit het Evangelie te onderrichten. Dat wordt in vers 20 genoemd: de gedaante der kennis en der waarheid in de wet, dat is de schijn en de vorm er van. Zij wier kennis een bloot waarnemen blijft, dat geen indruk op hun harten maakt, hebben er alleen den vorm van, hun is het gelijk een goed-getekend schilderstuk met schone kleuren maar zonder leven. Een gedaante van kennis geeft niets dan een gedaante van godzaligheid, 2 Timotheus 3:5. De gedaante van kennis kan de mensen bedriegen, maar kan geen indruk maken op het aldoordringend oog van God, die de kenner der harten is. Een gedaante kan het voertuig van de macht zijn, maar hij die zich daarmee vergenoegt is gelijk een luidende schel en een klinkend metaal.
3. Zij waren onderwijzende mensen, tenminste zij meenden het te zijn vers 19, 20. En gij vertrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in de duisternis zijn. Dat is toe te passen:
A. Op de Joden in het algemeen. Zij hielden zich zelven voor gidsen van de arme blinde heidenen, die in duisternis zaten, en waren er zeer trots op dat ieder die de kennis van God wilde deelachtig worden, gehouden was daarvoor tot hen te komen. Alle andere volken moesten bij hen ter schole gaan om te leren wat goed was en wat de Heere vereiste, want zij alleen hadden de levende Godsspraken.
B. Op hun rabbi's, doktoren en leidende mannen, die het voornamelijk waren, welke anderen oordeelden, vers 1. Dezen verhovaardigden er zich zeer op dat zij in den stoel van Mozes gezeten waren en dat alle anderen hun voorschriften zo eerbiedigden. De apostel drukt dat in verschillende termen uit: een leidsman der blinden, een licht dergenen die in de duisternis zijn, een onderrichter der onwijzen, een leermeester der onwetenden, teneinde daardoor des te beter hun trotse verwaandheid en hun verachting van de overigen te schetsen. Dat was een snaar, die zij gaarne hoorden tokkelen, en waardoor zij titels en eerbewijzen voor zich zelven ophoopten. Het beste is onaannemelijk voor God, wanneer men zich er op verhovaardigt. Het is zeer goed om de onwetenden te onderrichten en de onwijzen te leren, maar in aanmerking genomen onze eigen onwetendheid en dwaasheid en onze onmacht om dat onderwijs vruchtbaar te maken zonder Gods hulp, is er niets in om hoogmoedig op te zijn.
II. Hij verzwaart hun tergingen Gods met twee dingen, vers 21-24.
1. Zij zondigden tegen hun kennis en belijdenis, zij deden zelf wat zij anderen leerden te vermijden. Die dan een ander leert, leert gij uzelven niet? Onderwijzen is een deel van de liefdadigheid, waarmee men met zich zelven begint, ofschoon het daar niet bij blijven moet. Dat was de huichelarij van de Farizeeën, zij deden zelf niet zoals zij onderwezen, Mattheus 23:3, maar braken met hun wandel af wat zij met hun prediking opbouwden, want wie zal hen geloven die zelf niet geloven? Leringen wekken, maar voorbeelden trekken. De grootste vernietigers van den invloed des Woords zijn zij, wier slechte leven in tegenspraak is met hun goede leringen, die op den kansel zo mooi spreken dat het jammer is dat zij er ooit afkomen, en buiten den kansel zo leven dat het jammer is dat zij dien ooit bestijgen. De apostel noemt drie bijzondere zonden, welke onder de Joden veel voorkwamen.
A. Stelen. Hiervan worden sommigen beschuldigd, die Gods instellingen verklaarden, Psalm 50:16, 18. Ziet gij een dief, gij loopt met hem. De Farizeeën worden beschuldigd dat zij de huizen der weduwen opaten, Mattheus 23:14, en dat is de ergste van alle roverijen.
B. Overspel, vers 22. Ook hiervan beschuldigt Gods Woord hen, Psalm 50:18, Uw deel is met de overspelers. Van veel Joodse rabbi's wordt gemeld dat ze aan deze zonde schuldig stonden.
C. Heiligschennis, beroving van het heilige, dat door bijzondere wetten of beloften Gode gewijd was, en daarvan worden zij beschuldigd, die getuigden dat zij afschuw hadden van de afgoden. Het is merkwaardig dat de Joden zo deden na de Babylonische gevangenschap, de vuurproef die hen voorgoed zuiverde van de afgoderij, maar daarna handelden zij zeer verraderlijk in hun verering van God. Het was in de laatste dagen van de Oud-Testamentische kerk, dat zij beschuldigd werden van God te beroven in de tienden en in het hefoffer, Maleachi 3:8, 9, die gebruikende voor hun eigen begeerlijkheden en tot eigen nut, ofschoon die op bijzondere wijze voor God afgezonderd waren. En dit staat tamelijk wel gelijk met afgoderij, ofschoon deze beroving van het heilige gepleegd werd onder den dekmantel van afschuw van de afgoden. In den dag der dagen zal een zwaar oordeel gaan over hen die, terwijl zij de zonden in anderen veroordelen, zelf dezelfde of erger dingen bedrijven.
2. Zij onteerden God door hun zonden, vers 23, 24. Terwijl God en Zijne wet een eer waren voor hen, waarop zij roemden en waarover zij zich verhovaardigden, waren zij een oneer voor God en Zijne wet, door aanleiding te geven aan hen, die God niet kenden en Zijn wet niet hadden, om op hun godsdienst aanmerking te maken, alsof die zulke dingen toestond en goedkeurde. Die mensen zondigen wel door het maken van zulke gevolgtrekkingen, want de gebreken van de belijders mogen niet aan de belijdenis toegeschreven worden, maar hun zonde is dat zij tot die verkeerde opvattingen aanleiding geven, en dat verzwaart hun wangedrag grotelijks. Dit was in de zaak van David een voornaam deel van zijn schuld, dat hij door deze zaak de vijanden des Heeren grotelijks had doen lasteren, 2 Samuël 12:14. En de apostel verwijst hier naar dezelfde beschuldiging tegen hun voorvaderen: gelijk geschreven is, vers 24. Hij vermeldt de plaats van hetgeen hij aanhaalt niet, omdat hij dit schreef aan hen, die in de wet onderwezen waren, (in de pogingen om te overtuigen is het min of meer voordelig wanneer men te doen heeft met mensen, die kennis hebben van en gewoon zijn aan de Schriften), maar het schijnt dat hij doelt op Jesaja 52:5 :Ezechiël 36:22 :23, en 2 Samuël 12:14. Het is betreurenswaardig wanneer zij, die gesteld zijn om den Heere een naam en een prijs te zijn, Hem tot schande en oneer verstrekken. Het grote kwaad in de zonden van belijders is de oneer door hen Gode, den godsdienst en hun belijdenis aangedaan. Gelasterd om uwentwil, dat is: gij geeft er de aanleiding toe, het komt door uw dwaasheid en zorgloosheid. De verwijtingen die gij uzelf op den hals haalt komen neer op uw God, en de godsdienst wordt door uw toedoen gewond. Een goede reden voor belijders om voorzichtig te wandelen. Zie 1 Timotheus 6:1.
III. Hij toont aan de volstrekte ontoereikendheid van hun belijdenis om hen te reinigen van de schuld van deze tergingen Gods, vers 25-29.
De besnijdenis is wel nut indien gij de wet doet, dat is: gehoorzame Joden zullen de beloning van hun gehoorzaamheid niet verliezen, maar zullen door hun Jood-zijn dit winnen, dat zij een duidelijker regel voor gehoorzaamheid hebben dan de heidenen. God gaf Zijn wet en Zijne besnijdenis niet tevergeefs. Dit moet men verstaan van den toestand der Joden voor dat de ceremoniële huishouding was afgeschaft, want overigens was het verboden een belijder van het geloof in Christus te besnijden. Galaten 5:2. Maar hij spreekt hier van de Joden, wier Judaisme hun voordelig zou zijn, indien zij slechts wilden leven naar de wetten en regelen daarvan, want anders is hun besnijdenis voorhuid geworden, dat is: uwe besnijdenis zal u niet baten, gij zult niet meer gerechtvaardigd worden dan de onbesneden heidenen, maar integendeel zwaarder gevonnist, omdat gij gezondigd hebt tegen groter licht. De onbesnedenen worden in de Schrift gebrandmerkt als onreinen, Jesaja 52:1, als buiten het verbond, Efeze 2:11, 12, en de ongehoorzame Joden zullen met hen op een lijn gesteld worden. Zie Jeremia 9:25, 26. Hij licht dit verder toe door het volgende.
1. Hij laat zien dat de onbesneden heidenen, wanneer zij leven overeenkomstig het licht dat zij hebben, op gelijken trap staan met de Joden, wanneer zij de rechten der wet bewaren, vers 26, en de wet volbrengen, vers 27, dat is, door zich oprecht te onderwerpen aan het licht der natuur, den inhoud van de wet naleven. Sommigen verstaan dit alsof het geval gesteld werd van volmaakte gehoorzaamheid aan de wet: "Indien de heidenen de wet geheel konden houden, zouden zij er door gerechtvaardigd worden evengoed als de Joden." Maar het schijnt veel meer bedoeld te zijn van die gehoorzaamheid, welke sommige heidenen bereikten. Het voorbeeld van Cornelius kan dit toelichten. Ofschoon hij een heiden was, en onbesneden, toch werd hij aangenomen, omdat hij was godzalig, en vrezende God met geheel zijn huis, Handelingen 10:2. Ongetwijfeld waren er veel zulke gevallen, en zij waren de voorhuid, die de rechten der wet bewaart. Van dezulken zegt hij:
A. Zij worden door God aangenomen, even alsof zij besneden waren. Hun voorhuid zal tot ene besnijdenis gerekend worden. Besnijdenis was werkelijk een voorgeschreven plicht voor de Joden, maar zij was niet voor alle mensen een noodzakelijke voorwaarde voor rechtvaardigmaking en verlossing. B. Hun gehoorzaamheid was een verzwarende omstandigheid voor de ongehoorzaamheid der Joden, want die hadden de letter der wet, vers 27. U oordelen, dat is: toevoegen aan uw veroordeling, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt. Merk op: Voor vleselijk- gezinde belijders is de wet slechts een letter, zij lezen haar als gewoon schrift, maar worden er niet door geregeerd als door een wet. De Joden overtraden, niet alleen niettegenstaande wet en besnijdenis, maar daardoor, zij verhardden zich daardoor in de zonden. Indien uiterlijke voorrechten ons geen goed doen, dan doen zij ons kwaad. De gehoorzaamheid van hen, die minder middelen hebben en een geringer belijdenis bezitten, zal bijdragen om hen te veroordelen, die groter middelen genieten en een zuiverder belijdenis bezitten, maar er niet naar leven.
2. Hij geeft een beschrijving van de ware besnijdenis, vers 28, 29.
A. Deze is niet in het openbaar in het vlees en in de letter. Dit wordt niet gezegd om ons afkerig te maken van uitwendige instellingen, die zijn goed op haar eigen plaats, maar om ons af te leren er op te vertrouwen en er in te rusten alsof zij voldoende waren om ons in den hemel te brengen, waardoor wij den naam zouden hebben van te leven en toch werkelijk dood zouden zijn. Hij is niet een Jood, dat is, hij zal niet door God aangenomen worden als zaad van den gelovigen Abraham en niet aangemerkt worden als te hebben beantwoord aan de bedoeling van de wet. Kinderen van Abraham te zijn is de werken van Abraham doen, Johannes 8:39, 40.
B. De ware besnijdenis is in het verborgen, besnijdenis des harten, in den geest. God ziet het hart aan, de besnijdenis des harten maakt ons aangenaam bij Hem, Deuteronomium 30:6. Deze is de besnijdenis, die niet met handen geschiedt, Colossenzen 2:11, 12. De uittrekking van het lichaam der zonde. Zo is ze in den geest, in onzen geest als onderwerp, en gewrocht door Gods Geest.
C. Haar lof. Die is niet uit de mensen, die naar de uitwendige verschijning oordelen, maar ze is uit God, dat is: God zelf zal deze oprechtheid erkennen en kronen, want Hij ziet niet gelijk de mens ziet. Schone voorwendsels en een aannemelijke belijdenis kunnen de mensen bedriegen, maar God kan er niet door bedrogen worden, Hij ziet door alles heen de werkelijkheid. Dat is evenzeer waar van het Christendom. Hij is niet een Christen, die het uitwendig is, de uiterlijke doop des vlezes is de ware doop niet, maar hij is een Christen, die het innerlijk is, en de doop des harten en in den geest, niet in de letter, is de doop, welks lof niet is uit de mensen maar uit God.