Maleachi 3:7-12
Hier vinden wij Gods twist met de mannen van dat geslacht, omdat zij Zijn dienst verlaten en Hem bestolen hebben, goddeloze dienaren waarlijk, die niet alleen van hun Meester weglopen maar ook huns Meesters goed meenemen.
I. Zij waren hun Meester ontlopen en hadden het hun. opgegeven werk in de steek gelaten, vers 7. Gij zijt afgeweken van Mijn inzettingen en hebt ze niet bewaard. De inzettingen van de dienst des Heren was hetgeen zij als dienaren moesten in acht nemers, de talenten, waarmede zij moesten handelen, het hun toevertrouwde. Maar zij waren weggelopen, waren die moede geworden en hadden hun nek aan dat juk onttrokken. Zij waren afgeweken van de regel, hun door God voorgeschreven en hadden Zijn vertrouwen geschonden. Zij waren tegen God opgestaan, niet alleen in hun uiterlijke eredienst, maar ook in hun wandel, zij hadden Zijn inzettingen niet bewaard. Zij waren aan deze ongehoorzaamheid schuldig geweest van hunner vaderen dagen af, of als in de dagen hunner vaderen van ouds, die om hun ongehoorzaamheid in ballingschap waren weggevoerd, of sinds enige geslachten waren zij afgevallen van hetgeen zij geweest waren, toen zij uit de ballingschap waren teruggekeerd. Ezra erkent dat in een bijzonder geval. "Van de dagen van onze vaderen af zijn wij in grote schuld tot op deze dag," Ezra 9:7. Merk nu op,
1. Welke genaderijke uitnodiging God tot hen zendt om terug te keren en zich te bekeren: Keert weder tot Mij, tot uw plicht, tot uw dienst, tot uw verbond, keert weder als een reiziger, die verdwaald is, als een krijgsman, die zijn vaandel ontrouw is geworden, als een trouweloze vrouw, die haar man verlaten heeft. Keert weder, gij afkerig Israël, keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren en Mij met u verzoenen, Ik zal de oordelen afwenden, die u getroffen hebben, en die, voor welke gij vreest.
2. Welk een gemelijk antwoord zij op deze genaderijke uitnodiging geven. Maar gij zegt: "Waarin zullen wij wederkeren?"
a. Zij nemen het als een belediging op, dat hun hun zonde voorgehouden en zij vermaand wordt om boete te doen, zij staan klaar met het antwoord: Wat een drukte maken Uw profeten van berouw en bekering, waarom zijn wij in ongenade gevallen en dus geplaagd, waarom onze eigen consciëntie en onze buren tegen ons opgezet? Het staat kwaad met degenen, die op zulke wijze berispingen verwijten noemen en de verzenen tegen de prikkels slaan?
b. Zij kennen zichzelf zo slecht en weten zo weinig van de strengheid, de omvang en geestelijke aard van de goddelijke wet, dat zij niets in zichzelf ontdekken, dat om boete of bekering roept. Zij zijn rein in eigen ogen en menen geen bekering van node te hebben.
c. Zij zijn zo vast besloten in de zonde te volharden, dat zij duizend dwaze, oppervlakkige uitvluchten vinden om de bekering van zich af te schuiven en doof te blijven voor de roep, dat hen tot reformatie noodt. Zij schijnen te spreken alleen maar om wat te zeggen, het is louter een ontwijken, smaad voor de profeet en een uitdaging om tot bijzonderheden af te dalen. Zie, menigeen verliest zijn ziel door zich van de roepstemmen af te wenden, die tot hem spreken van bekering van zijn zonden. II. Zij hadden hun Meester beroofd en Zijn goederen verduisterd. Zij hadden gevraagd: "Waarin zullen wij wederkeren? Wat hebben wij verkeerd gedaan?" En spoedig zegt Hij hun dat.
Merk op,
1. De zware beschuldiging van de profeet tegen het volk, in Gods naam uitgesproken. Zij worden beschuldigd van roof, van heiligschennis, de ergste roverij: Gij berooft Mij. Hij redeneert met hen hierover: Zal een mens zo ontzettend onbeschaamd wezen, God te beroven? De mens, een zwak schepsel, die met Gods macht zich geenszins meten kan, denkt die erover, God te beroven "vi et armis, met geweld?" De mens, die God door en door kent, en die voor God niets kan verbergen, denkt die erover, God te beroven "clam et secreto, in het geheim?" De mens, die van God afhangt en alles van Hem moet ontvangen zal zijn weldoener beroven? Dat is inderdaad ondankbaar, onrechtvaardig, onheus, het is meer dan dwaas, Hem te tergen, die ons oordelen zal. Zal een mens God geweld aandoen, lezen sommigen. Zal een mens God inperken en Hem tegenhouden? lezen weer anderen. God te beroven is zulk een afschuwelijke misdaad, dat degenen, die eraan schuldig staan, onwillig zijn hun schuld te erkennen.
2. Wat het volk op deze beschuldiging antwoordt: Maar gij zegt: Waarvan beroven wij U? Zij pleiten onschuldig, en vragen bewijs van God. Zij beroven God en weten niet wat zij doen. Zij beroven Hem van Zijn eer, beroven Hem van wat Hem gewijd is, dat in Zijn dienst zou gebruikt worden, beroven Hem van henzelf, beroven Hem van Zijn sabbat, beroven Hem van wat voor de instandhouding van Zijn eredienst gegeven is, beroven Hem van wat zij Hem schuldig zijn. En toch vragen zij: Waarin beroven wij U?
3. Wat God op hun verontschuldigende vraag antwoordt: In de tienden en het hefoffer. Daarin vonden de priesters en Levieten hun bestaan voor zichzelf en hun gezinnen. Maar die onthielden zij hun, zij bedrogen de priesters, wilden de tienden niet of niet geheel betalen brachten het beste niet. Zij gaven niet de offers, die God eiste, zij namen daarvoor het kreupele het lamme, het kranke, wat voor het gebruik ongeschikt was. Zij waren aan deze zonde allen schuldig, zelfs het ganse volk, alsof zij samenspanden tegen God, om Hem van het Zijne te beroven en elkander daarbij te steunen. Hierom werden zij met een vloek vervloekt, vers 9. God strafte hen met hongersnood en schaarste, door ongunstig weer of insecten, die de vrucht des lands opaten. God had hen zo gestraft, toen zij het bouwen van de tempel veronachtzaamden, Hagg. 1:10, 11, en nu straft Hij hen daarmede, omdat zij de tempeldienst verwaarlozen. Zie, degenen, die God het Zijne uit hun goederen onthouden kunnen terecht op een vloek in die goederen rekenen, Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij beroofd hebt en daarmede voortgaat. Zie, de zonde wordt grotelijks verergerd, wanneer de mens ermee voortgaat, ondanks de bestraffingen, die de Here hun daarom toezendt. Ja, het schijnt, dat, omdat God hen met schaarste aan brood strafte, zij daaruit aanleiding namen om Hem, nu ze zo weinig hadden, de tienden en het hefoffer te onthouden, opdat ze voor zich en hun gezinnen brood mochten hebben. Zie, het is een teken van grote verharding in de zonde, wanneer men zulke beproevingen als dekmantel gebruikt om meer zonde te bedrijven, hoewel ze juist van de zonde moesten afmanen. Wanneer zij weinig hebben, moeten ze met dat weinige te meer goed doen, en dat zou de weg zijn om tot groter welstand te geraken, het gaat de kranke slecht, wanneer hetgeen hem genezen moet, hem nog erger maakt, of als hij weigert, nauwkeurig onderzocht te worden. 4. Een ernstige waarschuwing om zich hiervan te bekeren, met de belofte, dat, zo ze zulks deden, het oordeel spoedig zou weggenomen worden.
A. Laat ze zorgvuldig acht nemen, hun plicht ie vervullen, vers 10. Brengt al de tienden in het schathuis. Zij hadden iets, maar hielden, gelijk Ananias en Saffira, een deel achter van de prijs, bewerende dat zij alles niet konden missen, en dat nood wet breekt. Maar zelfs nood heeft zijn wet, en die wet zou hen uit hun nood bevrijden. Brengt al de tienden in het schathuis, gelijk de wet vereist, opdat er spijze zij in Mijn huis voor degenen, die het altaar bedienen. Zie, God moet eerst gediend worden, en wij moeten in de plaats, waar wij wonen, ons aandeel aan de kosten van de openbare eredienst betalen, opdat Gods naam geheiligd worde, Zijn koninkrijk kome, en Zijn wil geschiede, nog voordat wij om ons dagelijks brood bidden, want God gaat voor alles.
B. Laat ze dan op God vertrouwen voor wat ze eten en drinken zullen en waarmede zij zich zullen kleden. Dient eerst God en beproeft Mij nu daarin, zegt de Here van de heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels. Zij zeiden: Laat God ons eerst weer overvloed schenken, en dan zullen wij zien, dat wij Hem weer de tienden en het hefoffer brengen als te voren. Neen, zegt God, brengt eerst al de tienden in het schathuis, gelijk behoort, met al het achterstallige, en dan beproeft Mij, of Ik u geen overvloed zal geven. Zie, zij, die met God handelen, moeten Hem vertrouwen, en dat kunnen wij gerust, want, al verliezen wij eerst, in het einde zullen wij zeker winnen. Het past ons het met Hem te wagen, want Zijn loon is bij Hem, maar Zijn werk voor Hem. Eerst moeten wij doen wat ons deel is, en dan Hem beproeven en op Zijn loon wachten. Elia behandelde de weduwe van Zarfath op gelijke manier, toen hij tot haar zeide: "Maak mij vooreerst een kleine koek daarvan," 1 Koningen 17:13, en beproef dan of er niet genoeg zal zijn "voor u en uw zoon." Wat de mensen de moed beneemt om barmhartigheid te betonen, is hun klein geloof aangaande het gewin van de godzaligheid, zij kunnen niet geloven, dat zij er bij winnen zullen. Maar het is een redelijke eis, die God hier stelt: Beproeft Mij nu, is er iets te winnen bij godzaligheid? Kom en zie. Wie niet waagt, wint niet. Verlaat u op Zijn woord, en gij zult vinden
a. Dat, terwijl nu de hemelen gesloten zijn, Hij "zal de vensteren des hemels zal opendoen, 2 Koningen 7:2. Wij vinden de vensteren des hemels open, om de zondvloed van Gods toorn, in Noachs dagen, uit de storten, Genesis 7:1. Maar hier worden de vensteren des hemels geopend, om zegen uit te gieten, in zulk een mate, dat er geen schuren genoeg zullen wezen. Zo overvloedig zal hun grond voortbrengen, dat zij verplicht zijn, "hun schuren af te breken en grotere te bouwen,' Lukas 12:18. Of, zoals Dr. Pocock het verklaart: Ik zal over u zo'n zegen uitstorten, dat die niet slechts genoeg en voldoende, maar meer dan genoeg en voldoende zal wezen, dat is in grote overvloed. De olie, die vermenigvuldigd wordt, houdt niet op zolang er vaten te vullen zijn, 2 Koningen 1:6. Zie, God wil de zondaars, die zich bekeren, niet alleen verzoenen, maar ook hun Weldoener, hun genaderijke Weldoener zijn. Wij zijn nimmer nauw in Hem, maar wij zijn nauw in onze eigen ingewanden. God heeft overvloedig zegeningen voor ons in voorraad, maar door de zwakheid van ons geloof en de geringheid van onze begeerten, ontvangen wij zo weinig.
b. Dat, nu de vrucht des velds door sprinkhanen en wormen opgegeten was, God dit oordeel zou wegnemen, vers11. Ik zal om uwentwil de opeter schelden, Ik zal de voortgang van deze vraatzuchtige dieren stuiten, dat ze de vrucht des lands en de vruchten van de bomen niet langer vernielen. God gebiedt over alle schepselen, Hij roept ze en zendt ze hun naar Zijn welbehagen. "De wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen," zoals door de sprinkhanen geschied is, Joël 1:7.
c. Dat, terwijl hun geburen hen om de schaarste hadden bespot en zij onder "de smaadheid des hongers lagen," Ezechiël 36:30, te grievender, omdat hun land beroemd was om zijn vruchtbaarheid en overvloed, alle heidenen hen gelukzalig roemen, met achting over hen spreken en hen prijzen zouden.
d. Dat, terwijl hun zonde hun land (zelfs hun tempel, altaren en offeranden, Hoofdstuk 2:1. Gode een walg hadden gemaakt, en Zijn oordelen hun land een walg voor hen, God nu zegt: Gijlieden zult een lustig land zijn, uw land zal Gode en uzelf aangenaam zijn. Zie, de herleving van de godsdienst in een land maakt het inderdaad een lustig land, voor God en goede mensen. Hij zegt dan: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, Psalm 132:14, Jesaja 62:4, Deuteronomium 11:12. Het schijnt, dat deze opwekking, al de tienden in het schathuis te brengen, goede uitwerking heeft gehad want wij vinden in Nehemia 13:12, dat "gans juda de tienden van het koren, van de most, van de olie in de schatten bracht." En ongetwijfeld is de zegen van de belofte niet uitgebleven in terugkeer van overvloed, onmiddellijk na hun terugkeer tot hun plicht, zodat ze duidelijk konden zien, om wat oorzaak dat kwaad hun was overkomen (want nu de oorzaak was weggenomen, bleef ook het gevolg uit). Nu konden ze ook duidelijk onderscheiden, dat ze met God verzoend waren, nu ze zich bekeerd hadden, en hoe al hun ongerechtigheid vergeten was en niet meer gedacht werd, de vloek was niet alleen weggenomen, maar in een zegen verkeerd.